De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

GEEN RECHTMATIGE GRIEF
Tot de onderwerpen, welke ditmaal bij het jaarlijksche algemeene politieke debat, dat op dit oogenblik in de Tweede Kamer in vollen gang is, de aandacht van Regeering en Kamer bezighouden, behoort ook het vraagstuk van de concentratie van het onderwijs.
Men zal zich herinneren, dat bij Koninklijk besluit van 11 Februari 1936 een staatscommissie werd ingesteld, in verband met en naar aanleiding van de in de Tweede Kamer ten vorigen jare gerezen bezwaren tegen de voorstellen, die in § 12 van het zoogenaamde groote bezuinigingsontwerp der Regeering voorkwamen, betreffende de noodzakelijk geoordeelde besparingen bij het onderwijs en waarbij toen de con­centratie van bijzondere scholen in het geding was.
Deze commissie, waarin de onderwijsmannen benevens de politieke leiders der onderscheidene staatkundige partijen van de Volksvertegenwoordiging zitting kregen, kwam tot op heden met haar rapport nog niet gereed, wat, naar de Regeering mededeelt, niet veroorzaakt wordt door gebrek aan voortvarendheid der leden, maar uitsluitend moet worden toegeschreven aan het feit, dat de behandeling van de aan de commissie opgedragen taak geleid heeft tot velerlei onderzoekingen en tot breedvoerige gedachten wisselingen, die meer tijd hebben gevorderd dan aanvankelijk verwacht werd.
De voorstanders van het openbaar onderwijs, die blijkens hunne uitlatingen echter grooten spoed willen maken met de inperking van het aantal scholen bij het bijzonder onderwijs, omdat deze maatregel in 's Lands belang dringend noodig is en zij allerminst behoefte hebben aan een nieuwen schoolstrijd, spreken bij monde van hun vertegenwoordigers in de Tweede Kamer over haar ernstige teleurstelling met betrekking tot den gang van zaken bij het onderwijs.
Hoewel erkennende, dat er bij het openbaar lager onderwijs vele dwergscholen voorkwamen, die zonder al te groot bezwaar konden worden opgeheven, zagen zij daarnaast vele openbare scholen opgeheven, die naar 't oordeel der voorstanders van het openbaar onderwijs volkomen reden van bestaan hadden en wier verdwijning, naar hun zeggen, leidt tot een geestelijke verarming in vele dorpsgemeenschappen, waarin deze scholen een plaats van beteekenis vervulden.
De grief nu van de voorstanders van de openbare school is, dat, terwijl zij, zooals thans verklaard wordt, destijds de concentratieplannen van den vorigen Minister van Onderwijs loyaal gesteund hadden, zij toentertijd in de verwachting leefden, dat een concentratie der scholen, ook bij het bijzonder onderwijs niet achterwege zou blijven. Zij zouden dan' ook het liefst zien, dat de Regeering thans met maatregelen kwam, gelijk zij destijds had toegezegd te zullen doen voor het geval de Staatscommissie er niet in mocht slagen op korten termijn met de noodige voorstellen gereed te komen.
Wat ds nu van deze grief juist?
In de eerste plaats valt op te merken, dat het eenigszins vreemd aandoet, wanneer men van oordeel is, dat de concentratie bij het openbaar onderwijs — waarop in het Voorloopig Verslag nopens het algemeen regeeringsbeleid de aandacht wordt gevestigd — te vér is gegaan en tot schadelijke gevolgen heeft geleid, men ditzelfde , kwaad ook wil aandoen aan het bijzonder onderwijs, waar dan nog bij komt, dat bij het 'bijzonder onderwijs de moeilijkheden, die een concentratie medebrengt, nog zoo veel grooter zijn.
Maar in de tweede plaats valt het feit te constateeren, dat als gevolg van de vroeger door de Regeering genomen maatregelen op het terrein van het onderwijs bij de bijzondere school, reeds automatisch een concentratie heeft plaats gehad.
En tenslotte dient er aan herinnerd te worden, dat aan de nieuwe normen, die in de naaste toekomst voor het in stand houden van een school zullen gelden, niet alleen 174 Prot. Christelijke scholen en 86 R.-Katholieke scholen, maar ook niet minder dan 654 Openbare Scholen niet voldoen.
Voortgezette concentratie bij het onderwijs zal dus ook voor het openbaar onderwijs niet voordeelig zijn.
Van de grief van de voorstanders van de openbare school blijft dus niet veel over.
Met vertrouwen wachten wij de voorstellen van de Staatscommissie af. De voorstanders van het openbaar onderwijs oefenen nog wat geduld.
Wij herhalen, hetgeen wij vroeger schreven, dat, wanneer op de onderwijsuitgaven door concentratie van scholen, wat nog te bezien is, bezuiniging is te verkrijgen, de voorstanders van bijzonder onderwijs ongetwijfeld aan deze concentratie zullen willen medewerken. Echter zal daarbij onvoorwaardelijk aan den eisch moeten vastgehouden worden, dat bij concentratie de grondslagen van de onderwijspacificatie gehand­haafd blijven of met andere woorden, dat de vrijheid van onderwijs gewaarborgd zij.
Deze eisch mag onder geen enkele voorwaarde worden losgelaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's