MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
En nu veranderde 't tooneel. Plotseling stond vrouw Kalma naast Murk, en greep hem bij den arm en trok hem met zich mee, na eerst haar verwijtend te hebben aangekeken, terwijl de bolleloopster, die van dit alles getuige was, haar spotlachend aanzag, omdat zij zoo bedroefd achter bleef. En al grooter werd de afstand tusschen haar en Murk, tot plotseling Elske voor haar stond in een lang, wit kleed, het zwarte haar los over de schouders, haar wenkend, om met haar mede te gaan, waarna het opeens donker werd, onheilspellend donker. Doch Elske bleef daar maar staan en hield niet op te wenken, tot zij haar vast greep, maar heel anders dan Murk dit gedaan had en haar met geweld mee trok, die zwarte duisternis in.
Met een luiden gil schrok Pleuntje wakker. Waar was zij ? En wat was dat ? „Sta je op, Pleun !" 'klonk het luide door de keukendeur, „'t is al vier uur geweest".
„Ja !" — was haar antwoord, doch even moest zij toch tijd hebben, om tot zichzelf te komen, 't Klamme zweet plekte het haar op 't voorhoofd, 't Klopte en joeg van binnen, alsof daar een hamer tikte. In geen tijden had zij zóó naar gedroomd. Want 't was gelukkig maar een droom geweest, hoewel zij de beelden als in klare werkelijkheid voor haar had gezien, zoodat zij het zich ternauwernood kon indenken, dat alles verbeelding was. Hoe kón het toch zoo ! Dus was Murk voor haar nog niet verloren.
„Kom je ? " klonk het opnieuw. Siderius had gewoonlijk geen lang geduld, als het volk talmde met opstaan. Aanpakken luidde de boodschap, en de morgenstond had goud in den mond. Maar van Pleuntje was hij dit heelemaal niet gewend. Geheel in de war, omdat zij een vrijer had.
Even later stond zij in de klompen en rakelde het vuur van onder de asch. Weldra sloeg de vlam hoog uit en knetterde het droge rijshout onder den theeketel. Toen het water kookte en de thee was gezet, ging ook zij het manvolk na, het land in, waar het melkvee, onder aanvoering van de „Wildeman", met langzame stappen nader kwam om de gezwollen uiers ontlast te krijgen.
„Plezier gehad, gisteravond? " vroeg Siderius haar met een lach, terwijl hij het spantouw nam om de pooten van een 'koe daarmede te binden voor hij begon te melken.
Maar Pleuntje gaf hierop geen antwoord. Met een ruk wierp zij het juk van den schouder, greep den blinkend geschuurden emmer en zette zich naast haar wachtende koebeest. Dat was dus het begin van de plagerij, waarop vandaag wel meer zou volgen. Doch zij had geen plan daar op in te gaan. 't Kwam niet te pas, vond zij. Daarvoor was de zaak veel te ernstig en Murk haar veel te goed. Opzettelijk bleef zij ook na het melken zooveel mogelijk op een afstand. Alleen aan de theetafel moest zij van Bouke nog een opmerking aan haar adres hooren, als een grap bedoeld, doch waarop niemand reageerde. Pleun had iets, dat haar hinderde. De boerin merkte het duidelijk, 't Eten ging niet zoo vlug als gewoon en zij sprak bijna in 't geheel niet. Of het tusschen Murk en haar verkeerd was afgeloopen ? Den ganschen dag en de daarop volgende dagen was zij niet in haar werk als voorheen, wat duidelijk bleek uit de ongelukken die zij had. Zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood, zou de boerin haar vragen wat zij toch had, want zóó kon het niet langer. De inhoud van heel haar porceleinkast ging er aan.
Zevende hoofdstuk.
De dagen en weken verliepen in rustigen gang. 't Buitenleven vertoont zelden iets bijzonders, en de telkens weerkeerende werkzaamheden in geregelde volgorde voor èlken dag, waren oorzaak, dat de tijd nooit lang duurde, maar vaak voorbij vloog, als een gedachte. Zoo ging het althans op „Lucht en Veld". Gelukkig was de drukte van den hooioogst weer aan kant en kwam men eenigermate tot zichzelf. Doch nu wachtten weldra weer nieuwe beslommeringen, waar de bouwvruchten welhaast in de schuur moesten gebracht. Juist het dubbele bedrijf maakte, dat boer Siderius eigenlijk altijd „de handen vol" had, zooals men dat noemde, waarvan 't dienstvolk natuurlijk de terugslag voelde, 't Was werken van den morgen tot den avond, zonder veel rustpoozen.
Voor Pleuntje was deze afleiding een geluk. Langzamerhand kwam zij weer tot kalmte en scheen weer de oude Pleun te worden, die haar genot in den arbeid zocht, „'t Lag bepaald aan dat sterfgeval op „Bornia Sate", dat zij zoo vreemd deed", zei de boerin tot haar man, toen deze vroeg, hoe het met de meid ging. Ook Siderius meende hier de oplossing te moeten zoeken. De oorzaak lag evenwel elders. Geregeld kwam Murk nu op „Lucht en Veld", waarbij menig bezoek uitsluitend Pleuntje gold.
„'t Zal niet gaan, Murk; wij passen niet bij elkaar", had zij hem bij vorige gelegenheden reeds meermalen gezegd en herhaalde zij, toen hij haar weer eens opnieuw sprak.
Doch Murk liet zich daarmede ook nu niet weg zenden. Vroolijk keek hij haar in het bedroefde gelaat en zei; „Ik denk er precies anders over, Pleuntje, en geloof, dat wij gehéél bij elkaar hooren".
„Maar ik ben zooveel anders dan jij, en het onderscheid is daarom tusschen ons zoo groot". „Juist, en zoo moet het ook wezen, om niet met elkaar in botsing te komen. Nu is het zoo, dat wat ik niet heb, jij bezit, en misschien ook wel omgekeerd, een kleinigheid, die ik bezit en jou vreemd is".
„Als het een kleinigheid was, dan repte ik er niet over, maar het is juist dat groote, waarvan je gesproken hebt, dat ik mis. Ik ken het niet en heb daar in het geheel geen begrip van". „Zoo is het ook met mij geweest, toen ik nog enkel voor de wereld leefde, maar toen Gods liefde mij te machtig werd, veranderde alles en kreeg ik kennis aan de heilsgoederen, welke deel worden van allen, die de stem van den goeden Herder leeren verstaan".
„Ik geloof nooit, dat ik het zoo ver brengen zal. Murk. Je weet niet, hoe dom ik ben".
„Niemand heeft dit zeker van zich zelven, Pleuntje. Daar kunnen wel geleerde menschen zijn, die in 't geheel geen kennis hebben aan den weg der zaligheid. De Schrift zegt, dat het voor de wijzen en verstandigen vaak verborgen is en den kinderkens geopenbaard wordt, en: „'d Eenvoudigen wil God steeds gadeslaan". Als wij maar gelijk de kinderkens willen worden, Pleuntje".
[Wordt voortgezet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's