De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het verbond der verlossing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het verbond der verlossing

9 minuten leestijd

I.
Wij wenschen nog even terug te komen op dit onderwerp, dat wij in onze artikelen over het verbond indertijd hebben aangeroerd.
Wat wij daarover schreven, heeft nog al eenige tegenspraak ontmoet, zoowel in het Geref. Weekblad, als bij ds. Kersten in de Saambinder.
Het lust mij niet in te gaan op den aanval op mijn persoon, die helaas met de bestrijding van mijn standpunt gepaard ging. Ruimschoots heeft men gebruik gemaakt van de methode der verdachtmaking en mij den volke voorgesteld als een, die in het stuk der waarheid onbetrouwbaar is, de methode, die zoo dikwijls wordt toegepast om iemand den mond te snoeren en te verhinderen, dat anderen naar hem luisteren. Zelfs heeft men zich niet ontzien om van een soort woorden gebruik te maken, die men eerder op een communistische meeting zou verwachten te hooren dan bij menschen, die bezig zijn de waarheid Gods, die hun zoo dierbaar is, te verdedigen. De lezers van ons blad wil ik echter niet vermoeien of prikkelen met het opsommen van deze fraaiigheden, die ten slotte voor rekening der schrijvers blijven liggen. Het was dan ook niet mijn bedoeling, op dit onderwerp terug te komen, was het niet, dat in de laatste nummers van de Saambinder ds. Kersten eindelijk een poging gedaan heeft om mijn opmerkingen ook zakelijk te weerleggen. Op die zakelijke verdediging van de resolutie van de Synode der Geref. Gemeenten wil ik even nader ingaan. Mede omdat ik het gewenscht acht, dat de lezers van De Waarheidsvriend op de hoogte daarvan gebracht worden. Want ik gevoel mij gelukkig nog niet zoo zwak, dat ik er behoefte aan zou hebben om de tegenspraak, die mijn woorden hebben uitgelokt, voor de lezers van mijn artikelen te verbergen.
Laat ik eerst even in herinnering mogen brengen, dat ik het Verbond der verlossing op zich zelf genomen volstrekt niet een allerbelangrijkst stuk uit de dogmatiek acht. In de eerste eeuw der reformatie heeft men er niet over gesproken, al kan men uit de geschriften dier dagen wel iets bijeen zamelen, dat als bouwstof voor de nadere uitwerking van dit stuk dienst kan doen. In de belijdenisgeschriften wordt het onderwerp als een apart stuk des geloofs niet aangeroerd. De Kerk heeft er zich dus nooit over uitgesproken en als zoodanig kan men iemand, die zich met de opvattingen, door latere dogmatici over dit stuk voorgedragen, niet vereenigen kan, nooit beschuldigen in strijd met de belijdenis te komen.
Als ik nochtans op dit stuk nader ben ingegaan, is het, om het nauwe verband, dat door de Synode der Geref. Gemeenten gelegd is tusschen het verbond der verlossing en het verbond der genade. Niet in dien zin, dat men het verbond der genade uit het verbond^der verlossing doet opkomen; daartegen heb ik niet het minste bezwaar gemaakt, maar men maakt dit verband zoo nauw, dat men verbond der verlossing en verbond der genade vereenzelvigt en verklaart, dat deze beide in wezen één zijn. Aan het verbond der genade doet men daarbij te kort; de toegang tot den genadetroón wordt op slot gedaan ; de verzegeling van Gods beloften in den doop aan onze voorhoofden wordt ijdel verklaard. De doop is niet een zegel van het verbond; slechts van de bediening van het verbond; Eerst moet men wedergeboren zijn, eerst moet men weten in Christus te zijn overgebracht, voordat men zich de beloften des evangelies mag toeëigenen. Ter verdediging nu van wat ons door God den Heere in het verbond der genade gegeven is, heb ik gemeend mij nader te moeten bezinnen op het verbond der verlossing.
Bij mijn nader onderzoek viel het mij op, dat de meeste theologen uit de achttiende eeuw dit verbond der verlossing opvatten als een verbond tusschen Vader en Zoon en niet als een verbond tusschen de drie personen in het goddelijk wezen. Dit kwam mij niet alleen voor een onjuistheid te zijn, maar ook oorzaak van de vereenzelviging van verbond der verlossing en verbond der genade. Immers, gelijk ik toen schreef, gaat dan de Vader de plaats innemen van den drieëenigen God en de Zoon wordt de vertegenwoordiger van de uitverkorenen. Zoo verwordt het verbond der verlossing tot een verbond van God met de uitverkoren menschheid, die door den Zoon vertegenwoordigd wordt. En dan kan men zeggen: het verbond der verlossing is hetzelfde verbond als het verbond der genade, welk laatste verbond men dan eveneens beschouwt als feitelijk in de eeuwigheid te zijn opgericht met den Zoon als het hoofd der Zijnen en waarin alleen de uitverkorenen besloten zijn. Van een oprichting van dit verbond met den individuëelen geloovige wordt daarna nog wel gesproken, maar het ware beter te zeggen, niet, dat het met hem wordt opgericht, maar dat het hem geopenbaard wordt, dat hij van eeuwigheid af in dit verbond besloten is. Voor deze vereenzelviging van verbond der verlossing en verbond der genade, voor dit te niet doen van de kracht van het verbond der genade, waardoor de mensch slechts een voorwerp van het verbond wordt en niet een, met wien God in verbondshandeling getreden is en die daardoor genoopt wordt tot het nemen van een beslissing, het doen van een keuze, die beslissend is voor zijn eeuwig wel of wee, zullen we, naar ik meen, bewaard kunnen blijven, zoo we het verbond der verlossing opvatten als een verbond tusschen de drie personen in het goddelijk wezen. Dan komt het verbond der genade wel uit het verbond der verlossing op, maar het zijn nochtans onderscheiden verbonden, wijl de partijen in beide verbonden onderscheiden zijn. In het verbond der verlossing, dat in de eeuwigheid valt, zijn de partijen des verbonds de drie goddelijke personen. Vader, Zoon en H. Geest, terwijl het verbond der genade een verbond is van God met den mensch.
Laten wij nu eerst iets mededeelen van de critiek, die van den kant van prof. Visscher is gekomen. Gelijk ik reeds vroeger mededeelde, viel deze in hoofdzaak mijn bewering aan, dat de theologen der zeventiende en achttiende eeuw het verbond der verlossing als een verbond van de beide eerste personen in het goddelijk wezen hebben voorgesteld. Dit was een bewijs, dat ik de vaderen niet kende en om dit nader te staven, werd dan een voorbeeld aangehaald uit Petrus van Mastright, waar hij de drie personen wel vermeldt bij de bespreking van het verbond der verlossing. Deze theoloog doet dit echter terloops en dan niet zoo, dat de drie personen het verbond sluiten, maar de H. Geest wordt genoemd als degene, die het pactum, tusschen Vader en Zoon gesloten, uitvoert. Daarom wordt, als over den inhoud van het pactum gehandeld wordt, van den H. Geest niet meer gerept. Evenwel het is niet mijn bedoeling daarop terug te komen; ik wil de lezers er alleen aan herinneren, dat prof. Visscher dus van oordeel is, dat het verbond der verlossing een verbond is, dat door de drie personen, Vader, Zoon en H. Geest, met elkander is opgericht. Ik heb de vaderen verkeerd gelezen en valsch beschuldigd; zij hebben wel degelijk geleerd, wat ik meende tevergeefs bij hen te zoeken.
Thans wil ik onze lezers voorleggen, wat ds. Kievit over dit onderwerp geschreven heeft in zijn artikelenreeks : Tweeërlei kinderen des verbonds. In no. 30 van het Geref. Weekblad, pag. 354, lezen we het volgende:
„De raad des heils omvat dus alle besluiten Gods, de zaligheid der Kerk betreffende in gemeenschap met den Middelaar. Deze raad des heils nu draagt het karakter van een verbond. Een verbond van de drie personen in het goddelijke wezen zelf. God drieëenig wil, dat het menschelijke geslacht zal behouden worden met de schepping. Men noemt dit gewoonlijk het verbond der verlossing of den raad des vredes".
„Nu is het van belang, om den raad des heils voorop te stellen als een onderhandeling van de drie personen in het goddelijke wezen tot het verlossingsplan met alles wat daartoe behoort. De Schrift is hierover zeer sober in zijn uitspraken,
ook al ontbreken zij niet geheel. In ieder geval kan deze raad des heils uit verbinding der verschillende gegevens worden afgeleid. Maar nu is de raad des vredes in het bijzonder als deel van den raad des heils het verbond tusschen den Vader en den Zoon. De raad des heils bepaalt ons bij de drie personen en hun deel in het werk der verlossing; de raad des vredes leidt het geloof in de verborgenheid der eeuwigheid, waar de Vader en de Zoon zich verbinden".
Tot zoover ds. Kievit. Ook hij erkent dus een verbond tusschen de drie personen in het goddelijk wezen. Dit is thans de hoofdzaak, waar het mij om te doen is. Al wil ik daarnaast wel even onderstrepen de eigenaardige onderscheiding, die hij maakt in het verbond der verlossing als raad des heils en raad des vredes, waarvan de eerste het verbond der drie personen en de tweede het verbond van Vader en Zoon omvat.
Bij eerste lezing dacht ik aan een slimme vinding van ds. Kievit om uit de moeilijkheden te geraken, waarin prof. Visscher zich ten opzichte van dit leerstuk gebracht heeft met zijn artikelen in het Geref. Weekblad. Want ds. Kievit weet heel goed, dat de vaderen bijna uitsluitend van een verbond der beide Eerste Personen spreken. Bij de opvatting van ds. Kievit kan men de gedachtengang der vaderen onaangerand laten staan, van een verbond van Vader en Zoon blijven spreken en daarnaast toch het verbond der verlossing verklaren als een verbond van de drie Personen in het goddelijk Wezen. Want om te veronderstellen bij deze onderscheiding, dat ds. Kievit plotseling door de oorspronkelijkheidsziekte is aangetast, gelijk mij ten laste is gelegd, gaat wel wat ver. Maar later dacht ik, het is toch mogelijk, dat de een of andere oude schrijver, die ik niet gelezen heb, reeds deze onderscheiding tusschen den raad des heils en den raad des vredes heeft gemaakt en dat ds. Kievit die daaraan ontleend heeft. Laat ik dan maar afwachten, wat door ds. Kievit verder over dit onderwerp wordt geschreven; misschien, dat er dan meer licht over dit duistere punt opgaat.
Herhaald zij dus, dat èn prof. Visscher èn ds. Kievit een verbond der verlossing kennen, dat een verbond is tusschen de drie Personen in het goddelijk Wezen. In een volgend artikel hopen wij daarnaast of liever daartegenover te zetten, wat ds. Kersten in de Saambinder over dit stuk heeft geschreven.
O. a.d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het verbond der verlossing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's