De Heidelbergsche Catechismus (12)
De vijanden lieten echter niet af van Olevianus en trachtten zijn prediking te Trier te verhinderen. „Niet lang daarna werd hij (voor de tweede maal) voor het keurvorstelijk gericht gedagvaard, hem het prediken verboden, en den magistraat gelast Olevianus als Calvinistisch oproermafcer in (hechtenis te nemen. Dit bevel werd, daar vele raadsheeren de nieuwe leer beleden, wel niet ten uitvoer gebracht, doch hem op zware straf de predikstoel ontzegd".
Omdat de gemeente zelf hem indertijd „gesmeekt" had haar het Evangelie te verkondigen, stelde Olevianus haar voor de keuze: of zij wilde dat hij zou voortgaan met de Waarheid Gods te prediken naar Zijn Woord, of dat zij niet langer begeerde, dat hij voor haar zou optreden als haar leeraar. Hij zeide er bij, dat hem het prediken verboden was.
Maar gansch de gemeente weende, toen hij zei: „Hebt gij berouw over hetgeen gij hebt gedaan, dan zal ik van nu af niet meer voor uw aangezicht verschijnen. Hebt gij geen berouw, blijft uw keuze u heilig, wilt gij haar met uwe gebeden bevestigen, vasthouden aan de waarheid, welke gij beleden hebt — welaan, dan wil ik vleesch en bloed voor u in gevaar stellen, u het Evangelie blijven verkondigen, Gode meer gehoorzamen dan de menschen. Die dit van harte begeeren, zeggen : Amen".
De gansche gemeente was diep ontroerd en overal hoorde men snikken, en overal klonk : Amen ! Amen !
Sedert nam het getal van hen, die geloofden, dagelijks toe en welhaast klom het getal van de kerkgangers tot 600, behalve vrouwen, kinderen en dienstbaren, zoodat de St. Jacobskerk de menigte niet meer kon bevatten.
De vijanden werden nu des te meer vervuld met boosheid. De keurvorst kwam met een gewapende mocht om de stad te slaan, maar door den tegenstand van velen moest hij buiten de stad zich legeren en daar heeft hij toen alles gedaan om de stedelingen te plagen. Hij begon velden en boomen te verwoesten, den. toevoer van water en spijze te belemmeren, en strooide ondertusschen het zaad van verdeeldheid tusschen Roomschen en Protestanten en wist het eindelijk zóóver te brengen, dat twaalf aanzienlijken, onder wie Olevianus, in den kerker werden geworpen. Gelukkig herkregen ze hun vrijheid weer door hulp van buiten, maar Olevianus werd toen in een andere werkkring ingehaald door Keurvorst Prederik, die hem wenschte te verbinden aan zijn hoogeschool (1560). Eerst vervulde hij het leeraarsambt aan „het college der wijsheid" (het Collegium Sapientiae), toen werd hij hoogleeraar, maar daar bij steeds begeerde liever het Woord te prediken aan de gemeente, verwisselde hij het hoogleeraarschap met het predikambt, verbond zich aan de St. Pieterskerk, daarna aan de Heilige Geestkerk ; en daarna werd hij hofprediker. Ook werd hij lid van den kerkeraad en had een belangrijk deel aan alle hervormingen, die van dit college uitgingen.
Het was aan dezen man, niet minder geleerd dan ijverig, scherpzinnig dan waarheidliévend, dat Keurvorst Frederik, die hem zijn volle vertrouwen had geschonken en hem om zijn innige godsvrucht en zachtmoedtigheid als een vriend lief had, het groote werk van de samenstelling van een Catechismus of onderricht in de christelijke godsdienst, opdroeg. Welke taak hij echter moest deelen met Zacharias Ursinus. Deze was den 18 Juni 1534, uit een deftige, maar geen vermogende familie te Breslau geboren. Zijn vader Andreas Beer (dien naam veranderde Zacharias eerst later, naar het gebruik van dien tijd, in Ursinus) was eerst huisonderwijzer en vervolgens leeraar aan de hoofdkerk. Zijn moeder, Anna Botha, stamde uit een patricisch geslacht. Zijn vorderingen waren zóó snel, dat hij reeds op 16-jarigen leeftijd de hoogeschool te Wittenberg kon bezoeken, waar hij door innige vriendschap met Melanctoton verbonden werd. De pest, die te Wittenberg uitbrak, dwong hem naar zijn geboortestad terug te keeren, maar de lessen van Melanchton trokken zóó, dat hij zoo spoedig mogelijk Wittenberg weer opzocht. Zeven jaar genoot hij diens onderwijs. In 1537 ging hij met Melanchton naar Worms, om het godsdienstgesprek aldaar bij te wonen. Ter voltooiing van zijn studiën reisde hij naar Heidelberg, Straatsburg, Bazel en verder door Zwitserland naar Lausanne en Geneve. Hij werd bevriend met Calvijn, Bucer en Bullinger, maar vooral met Calvijn. De vriendschap tusschen Calvijn en hem werd zóó sterk, dat deze hem zijn werken schonk, met inscripties, die getuigden van de grootste toegenegenheid.
Naar Breslau teruggekeerd, werd hij leeraar aan het Elisabeths-gymnasium, maar hij bleef daar niet. Zijn Avondmaalsopvatting bezorgde hem de haat der strenge Lutheranen ; en hij legde zijn ambt neer. Op de vraag van zijn oom: waarheen hij zich nu zou toegeven ? antwoordde hij : „vrijwillig verlaat ik mijn vaderland, als het de belijdenis der waarheid vordert". Melanchton was intusschen gestorven, tot hem kon hij zich dus niet meer wenden. Daarom ging hij naar Zurich (3 Oct. 1560). Door Keurvorst Frederik werd hij daarna geroepen om op te treden als hoogleeraar in de plaats van Olevianus. De Keurvorst waardeerde hem zéér in zijn werk, droeg hem allerlei gewichtige bezigheden op en verzocht hem ook om hem te helpen tot verkrijging van een Catechismus.
In het midden van 1562 aanvaardden de beide godgeleerden de hun door den Keurvorst toevertrouwde taak, die zij door Gods genade heerlijk hebben volbracht.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's