KERKELIJKE RONDSCHOUW
OOK FRANKRIJK EEN BAKEN IN ZEE
Met Frankrijk gaat het verkeerd. De ergste dingen zijn te vreezen. Dat is geen regeering, die door communistische werkstakers op den kop gezeten wordt en die naar de pijpen van de bolsjewistische oproermakers moet dansen ! Op een vulcaan leeft men daar. Elk oogenblik kunnen de vlammen er uitslaan, de rookkolommen worden al gezien, de sulfer-lucht verspreidt zich alom in Parijs niet alleen, maar door gansch het land van het Noorden naar het Zuiden. België voelt de warmtegloed van den vuurbrand, die staat uit te breken, om verwoesting op verwoesting te brengen, zooals in Spanje, en wellicht veel erger nog. En dan niet binnen de grenzen blijvend, maar over de grenzen zich verspreidend als een prairiebrand, die overal brandstof te over vinden zal.
Het Bolsjewisme, het Godtergend Communisme heeft ook in Frankrijk reeds z'n tienduizenden verslagen en de krachten van Sovjet-Rusland zijn nog niet uitgeput.
De Paus heeft z'n waarschuwende stem reeds doen hooren. Of naar die stem geluisterd zal worden, is een tweede. Maar Rome heeft haar woord gesproken — waarbij de Paus tegelijk constateerde, dat het Protestantisme in Frankrijk geen kracht had om te spreken, omdat het Protestantisme in Frankrijk zelf niet weet wat het wil.
Wat dat laatste betreft, staat het zeer zeker in het land van de groote Revolutie niet schitterend. Maar — de geest van de Hugenooten leeft nog. En juist in den laatsten tijd is er een sterke opleving van het orthodoxe Christendom onder de Protestanten ; zelfs kan men spreken van een herleving van het Calvinisme, dat meer dan éen knappe en kloeke verdediger vinden mag in Frankrijk onder professoren en predikanten.
Door een bericht in „De Heraut" hoorden we van de schrikkelijke toestanden in Frankrijk. In het Protestantsch blad „La Vie Nouvelle" moet de heer J. Autrand een artikel geschreven hebben (dat door het orthodoxe blad „Le Christianisme blijkbaar niet is opgenomen), waarin het volgende te lezen staat:
»Reeds 25 jaar lang hebben de Christen Socialisten onze kerken geleid en beheerscht; zij hebben zich niet geschaamd hun sociale politiek op den kansel aan te bevelen. En nu ten huldigen dage blijkt, welke vruchten van haat en nijd daaruit zijn voortgesproten, mag men er nog niet te veel van zeggen om gevoeligheden te ontzien en niemand te kwetsen.
Mijnerzijds zeg ik : Er zijn al genoeg dwalingen verkondigd en er zijn al te veel concessies gedaan ! Doch het Protestantisme is niet Christelijk rood, het is een kracht, die orde schept en tot het brengen van offers dringt. Het Marxisme wil de uitroeiing van het Christendom. Onze kerken moeten dit uitspreken. Er is meer. Het Marxisme, dat in den mensch slechts den buik ziet, ondermijnt de grondslagen der zedelijkheid.
't Heeft mij veel moeite gekost een authentiek document in handen te krijgen, waarvan de strekking zoo onzedelijk is, dat geen politiek blad het heeft willen overnemen. Ik wil het ook niet publiceeren ; In hoofdzaak bevat het vragen, gericht tot de jongeren, om er achter te komen welke hunne sexueele gevoelens zijn en hoe zij die bevredigen Alle geslachtsdriften worden daarin genoemd; men moet op desbetreffende vragen antwoorden en alles zelf schrijven. De laatste vraag is, welke veranderingen men in de wetgeving verlangt, uit een sociaal, rechterlijk en cultureel oogpunt. Dit alles verwondert mij niet; het is in overeenstemming met de zedelijke verwording van ons land«.
Daarom eindigt de schrijver met de ontboezeming : »Aan het einde van mijn leven, althans van mijn kerkelijk leven, roep ik den Protestanten toe : het is genoeg ! Mijn vader heeft mij op zijn ouden dag dikwijls gezegd: „Wij hebben gedwaald ; wij hebben 't woord van den Meester vergeten : „Zonder Mij kunt gij niets doen". Ik wil bet met al mijn kracht uitroepen : Het is onverantwoordelijk God te verkondigen op den kansel en Hem te verloochenen bij de stembus.
Predikanten en gemeenteleden hebben 20 jaar lang gestemd op Godloochenaars. En zij verwonderen er zich over, dat het Protestantisme in verval is en dat Frankrijk steeds dieper wegzinkt! En wij, want ook ik heb lang gedwaald, zijn verantwoordelijk voor 't afglijden naar den afgrond.
Wij hebben een ander zwaard noodig om den strijd te voeren. Of liever, wij hebben te grijpen naar het zoo scherpe zwaard van onze vaderen — onze zuivere leer, de leerstellingen, die de eerste Christelijke kerk hebben gevormd en de reformatie deden geboren worden en daarvoor zal moed noodig zijn !
Het is onze bede, dat zij, die wij aan ons hoofd hebben gesteld, hun plicht zullen doen ! Zoo niet, mochten zij het dan aan anderen overlaten het Protestantisme te brengen tot zijn roeping — het leiden tot een nationale vernieuwing*.
Ds. Winckel Senior voegt in „De Heraut" — waaraan we dit Fransche schrijven ontleenen — hieraan het volgende toe :
»Hier wordt door een Franschman uitgesproken 't geen wij meermalen schreven, wanneer door ons over Fransche Protestantsche toestanden gehandeld werd. Telkens wanneer de gelegenheid daartoe aanwezig was, hebben de afstammelingen der Hugenooten die laten voorbijgaan, zonder als fundament, de geloofsbelijdenis en de Kerkorde van La Roebelle ondubbelzinnig voor hun kerkelijk leven te aanvaarden. Ook is te verwachten, dat, wanneer over eenige maanden de vereeniging van vele Protestantsche kerken en Protestantsche groepen in Frankrijk tot een feit wordt, dezelfde fout zal gemaakt worden — wanneer de omstandigheid, dat vele z. g. n. Christensocialisten met communistische neigingen in de voorgenomen unie begeeren opgenomen te worden, niet een spaak in het wiel steekt*.
DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE.
In den kring van de Vrijzinnige Hervormden kookt en spookt het, zooals de laatste weken in de natuur. Storm, windvlagen, regenbuien. Ook onweer en hagelsteenen. Denk maar aan de keiharde woorden van ds. Horreüs de Haas. Als nu de lucht maar opklaart!
Men heeft het druk over de reorganisatie der Kerk en velen spreken het openlijk uit, dat de Kerk geen vereeniging is tot nut van 't algemeen, maar dat zij is een schepping Gods, het lichaam van Christus, waar het Evangelie van en aangaande Christus moet worden verkondigd enz. Ds. J. J. Klaar, van Renesse, refereerde pas over: „Heit Mysterie der Kerk", uitgaande van de bijbelsche gedachte der Kerk als „lichaam van Christus". Ds. J. H. Klein Wassink (de jongere) van Culemborg, sprak over : „De Kerk als belijdende Kerk" en zeide o.a.: „de Kerk kan niet zonder belijdenis, alleen de Kerk, die haar belijdenis handhaaft, is waard den naam van Kerk te dragen. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis heeft willen zijn een professie en apologie der geloovigen in deze landen, die willen leven naar 't zuivere Evangelie van onzen Heere Jezus Christus". Ds. D. T. Los, sprekende over : „De organisatie der Kerk", getuigde : „Alleen Jezus Christus als het hoofd der Kerk kan ware eenheid vestigen. Om Hem hebben wij ons steeds meer te groepeeren. De Christelijke Kerk heeft tucht te oefenen door haar belijdenis weer uit te spreken èn door persoonlijk èn door broederlijk vermaan". Ook prof. Sevenster, van Leiden, sprak te Rotterdam over: „Christologie en kerkelijke richting".
In de N. Rott. Ct. stond onlangs een „ingezonden" (naar aanleiding van een „stem van een vrijzinnige", die zich tegen de reorganisatie verklaarde), dat we hier laten volgen:
»Dat de reorganisatie der kerk op korten termijn voor de deur staat, is een feit, waaraan niet verder valt te tomen, of men dit betreurt, dan wel toejuicht. Met bot-weg de aanhangige voorstellen af te stemmen, zal men de zaak voor eenigen tijd kunnen ophouden, straks zal zij weer in een anderen en misschien nog strafferen vorm te voorschijn komen.
Wanneer men nu niet den, volgens sommige vrijzinnigen, verstandigsten weg kiest, om mee-te-praten, mee-te-overleggen en daardoor gezamenlijk iets met de andere geloofsgenooten in die zoo geroemde en geliefde volkskerk tot stand te brengen, hetgeen op het oogenblik gelukkig gebeurt, al worden de vrijzinnigen die hier aan mee doen, op allerlei wijze door hun directe richtingsgenooten dwars gezeten en gehoond, dient men zelf met een reorganisatie-voorstel voor den dag te treden. Het gaat toch niet aan, om voor den zooveelsten keer zijn vrijzinnigheid te bewijzen, door slechts negatief werk te verrichten.
Waarom heeft Kerkherstel en Kerkopbouw, vertegenwoordigende de rechtsche en uiterstrechtsche groepen, ieder een uitgebreid, minutieus bewerkt plan en hebben de vrijzinnigen niets dat daarop lijkt ?
Ook de linkschen onder hen, die wel erkennen, dat de kerk een belijdenis moet hebben en dat allerlei hopeloos gedesorganiseerd is in de aloude volkskerk, hebben niets gedaan om van hun zijde eens te laten zien, hoe zij het probleem wenschen aan te vatten. De zaken laten, zooals ze zijn, kan moeilijk van belangstelling metterdaad en ijver in deze getuigen en met evenredige vertegenwoordiging als alles-oplossende leuze werken, is ook al een betrekkelijk weinig inspannende naïviteit.
Vindt men het dus zoo verschrikkelijk van de rechtschen, dat zij bij hun pogingen tot herstel of opbouw anderen er uit werken, waarom alleen maar ach en wee roepen, alleen klagen over de „verraders" (groote woorden gebruiken is nooit een bewijs van innerlijke kracht), inplaats van beargusmenteerd, waardig en-met inspanning van alle krachten zijn positie te handhaven ? Misschien dat het nu reeds te laat is, maar beter laat dan nooit.
Het zou niet de eerste keer zijn, dat men van vrijzinnige zijde achteraan kwam en dus natuurlijk in het gedrag of in een beschamende positie. Men denke maar aan alles wat door de orthodoxie eerder gedaan is dan door hen : Zondagsschoolwerk, Jongelingsvereenigingswerk. Zending, Diaconessenhuizen, radiopreeken, etc. etc. Het is pijnlijk om dit neer te schrijven, maar waar.
Op verschillend gebied hebben de vrijzinnigen den achterstand aardig ingehaald : men denke aan de Zondagsschool, het vrijzinnig christelijk jeugdwerk en de V.P.R.O., en in de laatste tijd zelfs met de Zending (Simavi). Maar het blijft een achterstand, en voor menschen, die 'bij het woord vrijzinnig steeds gaarne het woord vooruitstrevend voegen, een moeilijk te verkroppen blamage. Dit alles niet in te zien is inderdaad een zondige en voor d.e toekomst weinig belovende kortzichtigheid*
Tenslotte laten we nog een stem uit 't hooge Noorden hooren. Op een vergadering van Vrijzinnige Hervormden van Friesland is te Leeuwarden een soort nabetrachting gehouden op het Congres van Vrijz. Hervormden, pas geleden te Utrecht gehouden. De vrijzinnige dominee van Blija, ds. Kr. Strijd, als candidaat pas aldaar gekomen (van Rotterdam) was de spreker. We lazen het volgende verslag :
Spreker ging uitvoerig na, wat het congres heeft beteekend voor de Vrijzinnige Hervormden en voor de huidige kerkelijke situatie. De toestand in de Nederlandsch Hervormde Kerk is verward en in de vrijzinnige beweging kookt het. Hetgeen wel nadrukkelijk tot uiting kwam op het congres.
De kerk behoort te zijn „een gemeenschap in Christus". Wezen en taak zijn evangelieverkondiging. Waaronder verstaan moet worden de boodschap van en aangaande Christus. De kerk is meer, dan wat de leden er op een bepaald oogenblik van maken, zij is een schepping Gods. Zij is geen vrijreligieuze beweging, maar het orgaan van de Christelijke godsdienst. Het ideaal is een volkskerk, een Christus-belijdende volkskerk. Elke richting, welke er van overtuigd is Christus te dienen, heeft een Christelijk recht op die kerk. De organisatie is geen hoofdzaak, maar noodzaak. De besturende organisatie der Nederlandsch Hervormde Kerk is tegen de huidige situatie niet opgewassen. Zij heeft haar tijd gehad en de twee vereenigingen, die thans reorganisatie wenschen, zijn „Kerkopbouw" en „Kerkherstel". In de ruime zin genomen, heeft de kerk een belijdenis, in engere zin echter niet. De tegenwoordige tijd vraagt een nieuwe formuleering van de oude waarheden; er moet komen een nieuwe belijdenis, buiten welker grenzen men zich niet mag bewegen, wil men de kerk behouden. Er moet daarom ook leertucht zijn, het karakter van de kerk mag niet worden geschaad. Daarnaast behooren te staan de levenstucht en de gewetenstucht. De kerk behoort bij afdwalingen een uitspraak te doen, maar geen vonnis te voltrekken. Dat behoort men over te laten aan de tucht van den Heiligen Geest, de gewetenstucht.
Spreker behandelde daarna het samengaan van Kerkopbouw en Kerkherstel inzake belijdenis en tucht, en haar voorstellen te dien aanzien, voorstellen, die men in ieder geval ernstig moet nemen. Spreker had ernstige bezwaren tegen het toekennen aan de classicale vergaderingen van het recht van tuchtoefening inzake de belijdenis.
Ten slotte zeide spreker, dat de linksche groep op het congres niet gelijkwaardig is behandeld. Men kan in de Vrijzinnige Kerk spreken van minstens twee eigen geluiden. Er zijn daartusschen fundamenteele verschillen. Er moet komen bezinning op de fundamenteele dingen van ons geloof. Niet in de woorden en de richtingen, maar in den inhoud moeten wij de waarheid, de Christelijke waarheid zoeken. Zulks is hoog noodig, mede omdat de Vrijzinnigen straks hun houding tegenover de meergenoemde voorstellen dienen te 'bepalen. De Christelijke waarheid gaat boven alles, ook boven de eenheidsbewaring, want de kerk is kerk van Christus*.
DE KERK VRIJZINNIGEN (6)
Na over Kerk en Traditie te hebben geschreven, komt er nu een artikel over Kerk en Belijdenis door dr. H. de Vos.
„Kerk en belijdenis behooren bijeen. De Kerk moet noodzakelijk een belijdende Kerk zijn. Dat volgt uit haar wezen, uit haar beginsel. Zij heeft een boodschap en die boodschap is het Evangelie van Jezus Christus". Met die uitdrukking bedoelen wij — aldus dr. De Vos — zoowel de boodschap die Jezus Christus brengt, als de boodschap aangaande hem. [De Vrijzinnigen schrijven hier altijd bij voorkeur „hem" en niet Hem, als het onzen Heere Jezus Christus raakt]. Dat zal steeds met elkaar vereenigd moeten worden : de prediking van Jezus Zelf èn de prediking aangaande Hem.
Wie Kerk zegt, zegt Evangelie van Jezus Christus. En op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus moet de Kerk voortbouwen. Deze boodschap wil onder woorden gebracht worden en wanneer men dat doet, heeft men een belijdenis, (bladz. 44)).
Men kan ook van den anderen kant uit redeneeren en denken aan de leden der Kerk. Een Kerk is méér dan een geloofsgemeenschap; maar — dat is zij toch óók ! De leden worden door éénzelfde geloof vereenigd. En zoodra zij het geloof, dat in hen is, uitspreken, hebben zij een belijdenis opgesteld !
De Kerk moet haar boodschap, die zij gelooft — en zóó haar boodschap èn haar geloof, onder woorden brengen; een belijdenis dus opstellen. Het geloof dringt daartoe. Want wel moet het geloof een zaak des harten zijn, maar het is toch óók een zaak van het hoofd, en men wil de waarheid ook in klare begrippen en formules hebben. Dat bevordert mede de helderheid en vastheid van het geestelijk bezit. Daardoor kan men het verder ook alleen aan anderen mededeelen. Zeker, de belijdenis zal dieper moeten doordringen dan tot het hoofd, het begrip, maar zij zal toch ook door het hoofd moeten doordringen.
Dan is er nóg een oorzaak, die pleit voor een 'belijdenis : zij bevordert de onderlinge éénheid, terwijl zij tegelijk een scheidslijn trekt, waar de geloofsovertuiging uit elkaar gaat. Men weet dan, wie wel en wie niet bij elkaar behooren ; waar men vóór en waar men tegen is ; wat de klaarheid, ook in de verhouding tot de anderen, bevordert, (bladz. 45)
Nu zijn er ook wel bezwaren tegen een belijdenis in te brengen. En die moeten we ernstig nemen, maar het zijn dan altijd bezwaren, die nu eenmaal met onze menschelijke bestaanswijze gegeven zijn. „Leven beteekent gevaar loopen !" Maar wanneer het levend geloof zich wil uiten — en moet uiten — zal het moeten geschieden in menschelijke woorden, waaraan bezwaren verbonden zijn, maar het is noodzakelijk.
De bezwaren zijn : geloof is allereerst zielegesteldheid en innerlijk leven. Het wezenlijke kan men zelfs niet in woorden vatten ; 't wekt misverstand ; 't brengt ook vaak kunstmatige scheidingen. Achter verschillende formuleeringen kan het zelfde geloof schuil gaan. Verder dreigt er verstarring : 't geloof zit dan wel in 't hoofd, maar niet in 't hart; verstandelijk bezit, maar geen levende kracht. Ook bevordert een belijdenis onderlinge verkettering; men hanteert dan formules om anderer geloof daaraan af te meten en men houdt zijn waarheid voor de waarheid.
Wij hebben — aldus dr. H. de Vos (blz. 46) — deze bezwaren ernstig te nemen en een waarschuwing te doen uitgaan bij alle geloofsformuleering. Maar, het zijn gevaren die noodzakelijk aan onze menschelijke bestaanswijze verbonden zijn en die we hebben te aanvaarden. Voor het geloof is de taal het voertuig, dat is onze belijdenis ; ondanks de gevaren en de bezwaren, daaraan verbonden.
Nu blijkt er — vooral in de Ned. Hervormde Kerk — geen éénheid van geloof te zijn. Wat de boodschap, het Evangelie van Jezus Christus inhoudt, daarover is men het bij lange na niet eens. Het Protestantisme heeft geen onfeilbaar leergezag; het heeft zich steeds van kerkelijke en pauselijke uitspraken beroepen op den Bijbel als het Woord van God. Het eenige gezag in geloofszaken, dat het Protestantisme kent, is het Schriftgezag. Maar telkens blijkt, dat het niet zoo eenvoudig is om uit te maken wat God door de Schrift tot ons te zeggen heeft. En weer ontbreekt in het Protestantisme de onfeilbare uitlegger. Over zakelijke aangelegenheden op vergaderingen beslissingen te nemen, gaat nog, maar het zou ongerijmd zijn op deze wijze over de waarheidsvraag te beslissen. Wat dan ? Men zal als ernstige menschen met elkaar moeten spreken, strijden, studeeren. Niet om zelf gelijk te krijgen, maar om tezamen de waarheid te benaderen. Als men zoó in goede gezindheid saam wil werken aan de belijdenis der Kerk, zal de arbeid vrucht dragen.
En er zal grooter éénheid aanwezig zijn, dan men denkt. Dit brengt mee, dat men van leertucht in eigenlijken zin, zal moeten afzien. We hebben geen onfeilbaar leergezag. Het Protestantisme kent wel een belijdenis, geen dogma in eigenlijken zin (Heering). Van een dogmatische norm mag geen kerkrechtelijk kriterium worden gemaakt. (Lindeboom) Maar toch zal er natuurlijk een zekere tucht uitgeoefend moeten worden. Slechts zij zullen in het algemeen tot de Kerk komen en er bij blijven, die geen al te groote bezwaren hebben tegen wat in de Kerk geleerd wordt. Dit is echter gewetenstucht, geen leertucht. Dat is een waagstuk des geloofs. Maar is dan ook geëischt. Aan het eind der tijden zullen we pas één zijn".
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's