Het verbond der verlossing
II.
In het nummer van 24 Sept. '36 van „De Saambinder", in het vijfde artikel van een reeks, die over dit onderwerp handelt, begint ds. Kersten eindelijk met enkele zakelijke opmerkingen over de kwestie naar voren te brengen.
Nog niet aan den aanvang van het artikel. Eerst wordt opnieuw een beroep gedaan op de bestrijding van prof. Visscher, die thans ds. Kersten als een broeder geworden is, één van hart en één van zin. „In een zeer lezenswaard artikel toont prof. Visscher met vele citaten uit onderscheiden schrijvers aan, dat de voorstelling van ds. W. van allen grond ontbloot is, als zou er van een wedergeboorte van Adam en Eva na den val en vóór hun uitdrijving uit het paradijs geen sprake zijn. Tegen deze particuliere meening van ds. W. staat de openbaring van Gods genade in de moederbelofte, welke belofte, gelijk door alle rechtzinnige theologen is geleerd, Adam en Eva beiden ter zaligheid was en door het geloof is omhelsd".
Den lezers van De Waarheidsvriend zij medegedeeld naar aanleiding van dit citaat, dat prof. Visscher zich indertijd heeft ingespannen om in twee artikelen deze dwaling van ds. W. te bestrijden, een dwaling n. b., die in mijn artikelen niet voorkomt en die alleen door de vruchtbare verbeelding van prof. Visscher daarin is te voorschijn geroepen.
Wat is n.l. het geval. In mijn artikelen meende ik mij te moeten keeren tegen de voorstelling van ds. Diemer, die Kuyper's leer van de wedergeboorte zoover doortrok, dat hij in zijn dogmen-historische studie beweerde, dat Adam en Eva reeds wedergeboren waren, toen God de Heere na den val het woord der genade tot hen richtte. M. a. w. niet door de kracht van dit woord werden zij tot nieuw leven geroepen, maar aan dit woord moet de wedergeboorte vooraf zijn gegaan, want anders zouden Adam en Eva dit woord des Heeren niet hebben kunnen hooren en ontvangen. Deze voorstelling van ds. Diemer, op Kuyper's leer van de wedergeboorte berustend, heb ik gemeend te moeten bestrijden, wijl daardoor Woord en Geest worden uiteengerukt en aan de levendmakende kracht van het evangelie wordt tekort gedaan.
In verband met deze bestrijding schreef ik letterlijk: „Zoo wordt in dit laatste citaat en passant medegedeeld, dat, toen God na den val met Adam en Eva Zijn verbond oprichtte in de belofte van het vrouwezaad, Adam en Eva reeds wedergeboren waren. Hoe weet ds. Diemer dat ? Er is wel eens over getwist, of Adam en Eva tot bekeering en geloof zijn gekomen. Dat over deze kwestie getwist kon worden, is reeds een bewijs, dat de Schrift hierover weinig zegt, maar is. Diemer is het niet alleen bekend, dat Adam en Eva tot bekeering zijn gekomen, maar hij weet zelfs, dat zij reeds wedergeboren waren, voordat God zich in genade tot hen nederboog". (Zie Waarheidsvr. van 30 Jan. '36).
De lezers kunnen dus zien, dat ik niet ontkend heb, dat Adam en Eva tot geloof zijn gekomen. Slechts merkte ik op, dat de Schrift in dezen weinig gegevens geeft en het was mijn bedoeling met deze opmerking te zeggen, dat wij van dergelijke vragen geen geloofsstukken moeten maken. Prof. Visscher smeedt deze opmerking echter om tot een ontkenning en verklaart deze ontkenning uit mijn opvatting van de openbaring Gods, waarbij hij mij aanwrijft, wat ik juist in ds. Diemer meende te moeten bestrijden. Maar de ouden merkten reeds op, dat ook Homerus wel eens slaapt.
Na dit wegschuilen van ds. Kersten achter de bestrijding van prof. Visscher, die hij niet nader gecontroleerd heeft, komt hij eindelijk tot de bezwaren, die hij zelf heeft. Wij zullen deze de lezers woordelijk weergeven.
„Ouderkerk's predikant wil het verbond der verlossing zien als een verbond, gesloten tusschen de drie personen. Vader, Zoon en H. Geest. Nu zij tegen deze voorstelling tweeërlei opgemerkt,
a. dat van een verbond tusschen de Personen in het goddelijk Wezen geen sprake kan zijn, en b. dat nooit één rechtzinnige de Heilige Geest heeft uitgesloten, zoo ds. Woelderink meent te moeten constateeren. Van elk een kort woord.
a. Van een verbond tusschen de Personen in het Goddelijk wezen kan geen sprake zijn.
Elk waar verbond is een overeenkomst tusschen partijen. Ds. Woelderink meent blijkbaar van niet en schermt dan er mede, dat het verbond monopleurisch is. Doch eenzijdig is het verbond alleen te noemen in dien zin, dat de sluiting des verbonds in den tijd, als de uitverkorenen dadelijk in het verbond worden ingelijfd, van God alleen uitgaat en al de voorwaarden des verbonds alleen door Hem zijn vervuld met uitsluiting van alles wat des menschen is. Dit eenzijdige van het verbond raakt de dadelijke opneming erin van de uitverkorenen, maar hét wezen des verbonds is dipleurisch (tweezijdig). Zonder dit te stellen, kan van een eigenlijk verbond geen sprake zijn. En wij hebben bij de bespreking van het verbond der genade, hetzij men denkt aan de sluiting in de eeuwigheid of in den tijd, steeds vol te houden, dat in dezen niet een zinnebeeldige voorstelling gegeven wordt, daar de Schrift een wezenlijke verbondssluiting leert. Maar dan zijn in die verbondssluiting ook twee partijen. Zoo hebben dan ook onze godvruchtige vaderen steeds geleerd.
Welnu, daaruit volgt, dat de drie Personen in het wezen Gods onder elkander geen verbond sluiten kunnen, eenvoudig omdat in God geen partijen zijn". (Cursiveering van ds. Kersten).
Allereerst zij opgemerkt, dat ik volgens ds. Kersten de vaderen dus wel goed gelezen heb, als ik beweer, dat zij uitsluitend gewag maken van een verbond tusschen Vader en Zoon (prof. Visscher kan zich dit voor gezegd houden), maar mijn critiek daarop was geheel ongegrond. Zij hebben zich terecht zoo uitgedrukt, want van een verbond tusschen de drie Personen in het goddelijk Wezen kan zelfs geen sprake zijn.
Hier keert zich dus ds. Kersten niet alleen tegen mij, maar ook tegen de voorstelling van Bavinck, van prof. Visscher en van ds. Kievit, die allen gesproken willen zien van een verbond der drie Personen in het goddelijk Wezen. Het blijkt, dat zij er allen ook niets van afweten en al wordt prof. Visscher er een oogènblik bijgehaald, als het er om gaat Ouderkerk's predikant te bestrijden, wanneer de oude waarheid naar de opvatting van ds. Kersten wordt uiteengezet, worden ook prof. Visscher en ds. Kievit buiten de deur gezet als dwalende profeten, die de grondstukken des geloofs niet eens kennen en nog niet eens weten, dat een verbond tusschen de drie Personen op zich zelf genomen een onmogelijkheid is.
Niettegenstaande het apodictische van deze verklaring van ds. Kersten, waag ik het echter zijn beweren wat nader aan critiek te onderwerpen.
Waarop grondt zich de stelling van ds. Kersten, dat de drie Personen in het goddelijk Wezen niet gedacht kunnen worden als een verbond met elkander sluitende ? Omdat voor een verbondssluiting volgens ds. Kersten twee partijen noodig zijn en in God geen partijen zijn.
Het is wel jammer, dat ds. Kersten niet een nadere definitie van het woord partij geeft, want thans is niet geheel duidelijk, wat hij daaronder verstaat. Een oogènblik krijgt men den indruk, alsof hij bij partijen denkt aan twee personen of groepen, die tegenover elkander staan. Natuurlijk kan men zich zoo de drie Personen in het goddelijk Wezen niet denken, maar zoo staan toch ook Vader en Zoon niet tegenover elkander, als de laatste in het verbond optreedt als vertegenwoordiger der uitverkorenen.
Zoo blijft het gansch duister, waarom er geen verbond kan vallen tusschen de drie Personen in het goddelijk Wezen (wijl in God geen partijen zijn) en waarom er wel van een verbond tusschen Vader en Zoon, de laatste als vertegenwoordigende de uitverkorenen, sprake kan zijn. Is de Zoon, met wien de Vader het verbond alsdan opricht, geen Zoon des Vaders meer ? Heeft Hij in die hoedanigheid van vertegenwoordiger der uitverkoren menschheid opgehouden de tweede Persoon in de drieëenheid te zijn ? Ds. Kersten wil toch niet zeggen, dat de Zoon in dit verbond een oogenblik buiten het wezen Gods treedt ? Want volgens hem zijn in God geen partijen en toch zijn in dit eeuwige verbond Vader en Zoon partij ? De Zoon moet dan toch gedacht worden de plaats der uitverkoren menschheid zoo in te nemen, dat Hij buiten het wezen Gods valt en op één lijn met de menschheid komt te staan. Maar dit is tegen Schrift en belijdenis, die leeren, dat de Zoon van God, ook als Hij ons vleesch en bloed aanneemt, nimmer ophoudt de waarachtige Zoon van God te zijn, zelve God, deelhebbend aan het goddelijk Wezen.
Ds. Kersten verstrikt hier zich zelf in een warnet van redeneeringen, die misschien een schijn van wijsheid hebben, maar die op den duur de hoofdstukken van de Christelijke religie aantasten.
Ook wanneer iemand er den nadruk op legt, dat ds. Kersten zou bedoelen, dat in een verbond altijd twee partijen zijn en niet drie, komt men niet verder. Want weer mag de vraag gesteld worden: Op welke gronden zou zulk een redeneering rusten? Een verbond tusschen drie partijen is toch in het aardsche leven eveneens mogelijk ? In het begrip verbond ligt toch de gedachte aan twee partijen niet besloten, want dan zou voor een overeenkomst tusschen drie volkeren b. v. nooit den naam verbond gekozen kunnen zijn.
Trouwens in dezen drukt ds. Kersten zich duidelijk genoeg uit, dat het niet om het getal van twee of drie allereerst gaat, maar dat volgens hem in God geen partijen zijn en dat juist voor een verbond partijen noodig zijn.
Wanneer wij echter van het verbond der verlossing spreken als van een verbond der drie Personen tot redding en behoud van het menscheiijk geslacht, dan denken wij ons natuurlijk niet de drie Personen als tegen elkander overstaande, door een klove van elkander gescheiden en nu door het verbond tot elkander gebracht. Integendeel, als wij hier van een verbond spreken, dan is het juist om de algeheele eenheid der drie Personen tot uitdrukking te brengen, in het bizonder hun eenstemmigheid ten opzichte van het werk der verlossing. Als de Vader van zijn besluit tot verlossing van het menschelijk geslacht verhaalt — wij spreken natuurlijk op menschelijke wijze hier — dan verklaart de Zoon zich volkomen bereid te doen, wat er gedaan moet worden ter verlossing en eveneens neemt de H. Geest op zich te volbrengen, hetgeen hier zijn taak is. Deze volkomen overeenstemming tusschen de drie Personen in het goddelijk Wezen ten opzichte van het verlossingswerk wordt nu in de theologie als een verbond tusschen hen gezien, een overeenkomst, waarin zij zich als wederkeerig aan elkander verbinden om het overeengekomene te vervullen. Het verbond der verlossing is dan die theologische figuur, waardoor ons klaar wordt voorgesteld, hoe vast het verlossingswerk ligt in het besluit van een eenig en drieeenig God, wijl Vader, Zoon en H. Geest ieder voor zich en allen te zamen op zich genomen hebben, zich verbonden hebben te doen, wat hier te doen is.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's