De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

JAKOBS GOD

8 minuten leestijd

Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn hulp heeft!
Welgelukzalig, 'n veelzeggend woord; een woord van geestelijke hoogconjunctuur ; een woord dat vreemd aandoet in dezen tijd, nu alles ineenkrimpt van pijn en vrees. O, maar dan is dit woord nu juist aan de orde, want het is een woord van God, en het woord van God roemt altijd tegen den schijn der dingen in.
Dat wordt duidelijk, als gij dit Schriftwoord tot u spreken laat; immers hier is sprake van hulp, den God Jakobs tot z'n hulp hebben.
En hulp hoort bij onheil. Maar hoe nu ? Hulp-behoeven, onheil, laat zich toch moeilijk rijmen met de gedachten, die gewekt worden door het woord welgelukzalig ; inderdaad, daar schijnt weinig tegen in te brengen. En toch. God rekent en oordeelt zoo heel anders dan wij; wat wij verlies achten, dat noemt Hij dikwijls gewin, en ook omgekeerd.
En zooals Hij 't zegt, zoo is het ook, want de waarheid woont bij God alleen. Hoevelen mochten 't reeds ervaren, uit verlies groeit voor 'n mensch zoo vaak gewin. Het heil is dikwijls, neen, het is altijd gekomen in een weg, die scheen te voeren naar den ondergang. Ook voor Paulus kwam de tijd, dat hij den doorn in zijn vleesch heeft gezegend.
En hebt gij, mijn lezer, nooit met instemming mogen, meezingen : 't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, opdat ik dus Uw godd'lijk recht zou leeren ? Gods weg is altijd de weg van het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, opdat het leven zal. Gods weg is altijd : uit verlies winst.
Het is waar : tegenwoordig zijnde, lijkt dit geen vreugd, maar daarna geeft het een vreedzame vrucht der gerechtigheid voor allen, die door de kastijding geoefend worden.
In 't hulpeloos-worden onzer ziel daagt Gods dag, rijst Zijn heilzon boven de kim, want onze God sloopt om te bouwen en slaat om te heelen.
Op onzen weg door 't leven ontmoeten wij echter zoo veel nood, waartegen geen afdoende hulp te bieden is. Wij hebben zoo vaak 't gevoel: het weinige, dat wij doen kunnen, is absoluut ontoereikend.
Onze hulp, hoe goed ook bedoeld, is soms bijna een bespotting van den nood, die om leniging roept; dat is zoo ellendig en maakt alles zoo schrijnend en droef. Maar gij vreest toch niet, lezer, dat er voor dit schrijnen der ongenoegzaamheid van 't helpen gevaar bestaat als een arm, ellendig, hulpeloos menschenkind den God Jakobs tot zijn hulp heeft ? Is Jakob niet afdoende door zijn God geholpen ?
Denk aan Bethel, Pniël, Mahanaïm ! Woorden, die vroolijk vlammen als vreugdevuren ; woorden, die liefelijk ruischen als volle lofakkoorden ; woorden, die zijn als altaren, vanwaar de welriekende geur van ootmoedig erkennen opwolkt naar den hooge. Staan wij een wijle stil!
Bethel; 't was er maar woest en eenzaam, verlaten en stil in de steppen van het oude Luz, waar tegen 't vallen van den avond een moede zwerver neerzonk op een steen in het wijd-verlaten veld. 't Was een vluchteling, zijn naam was Jakob. Hij heeft zijn ouden vader misleid. zijn eenigen broer tot zijn vijand gemaakt. Hij was ongeduldig geworden; 't verdroot hem een hulp-behoevende te zijn, als een hulpelooze op hoogeren bijstand te moeten wachten; hij zal zich zelf wel helpen aan den vurig begeerden zegen der eerstgeboorte. Menschenhulp, eigen hulp ging hem boven de hulp van zijn God. Dat eindigt in een smadelijk vluchten voor de wraak van Ezau; dat eindigt in de woeste steppen van Luz, alleen en verlaten, van God en de menschen. Neen, niet van God ; de nacht is gedaald, de wildernis huivert onder den bloed-roep van het gedierte, dat uitging op roof. De moede zwerver is in slaap gezonken op den harden grond.
Zie, daar openen zich de hemelen! God breidt over den eenzame Zijn lichtende vleugelen; straks staat de vluchteling op, zinkt weer op zijn knieën neer en van zijn lippen klinkt de lof van zijn door Gods vertroosting verzadigd gemoed.
Bethel! dit is niet dan pen huis van God en een poort van den hemel, een gouden poort! En lang nog, dagen lang nog ruischt door zijn verlatenheid de psalm van Gods dierbare hulp ; Bethel, huis Gods!
Wat dunkt u, is de hulp van Jakobs God toereikend? Mahanaïm, dubbel-heir! Na jaren is de vluchteling van weleer weergekeerd.
Gods beloften falen niet; de getrouwe Helper van alle ellendigen heeft Jakob rijk gezegend. Runderen en schapen zonder tal, zijn 's mans eigendom ; een kring van kloeke zonen omstuwt den gelukkigen vader. En als zijn oog geopend wordt voor het treffend verschil tusschen voorheen en thans, roept hij uit: Mahanaïm, dubbelheir ! met mijn staf ben ik over deze rivier getogen, als een door onweder voortgedrevene, achtervolgd door de wraak van een verbolgene, en zie nu, hoe de Heere, de God mijns Vaders, met mij was : nu ben ik tot een dubbel heir geworden; Mahanaïm, God is groot, geprezen zij Zijn machtige hulp !
En eindelijk Pniël: Schapen en runderen, zonen en knechten, maken nog een mensch niet voluit gelukkig. Dat leefde diep in 't hart van den rijk-gezegende ; en des nachts, als 't rondom stil geworden is, en de tijd om God te ontmoeten in de groote, diepe stilte van den Oosterschen nacht is gekomen, worstelt deze zoo rijk-gezegende man met zijn God, om meer nog van Diens liefde te mogen smaken, om alles in en van zijn God te mogen hebben. De heilige worsteling van het bidden klom en duurde tot het aanlichten van den gulden morgenstond; Heere, ik laat U niet gaan of Gij moet mij zegenen met den vollen schat van Uw goddelijk helpen, en Jakob wordt Israël, de gebedsworstelaar die won, en van zijn lippen zingt het blijde woord: Pniël! 'k Heb God gezien en mijn ziel is gered, diep en voor eeuwig gered, want in God is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke Rots en tegenweer. Hij is mijn toevlucht, te allen tijde !
Of Jakobs God afdoende helpt? Wat dunkt u, lezer. Bethel, Pniël, Mahanaïm, ja waarlijk. God is Israël goed.
Want eenmaal uw Helper geworden, laat deze God nooit meer varen wat Zijn hand begon en daarom werd Jakobs sterfbed gespreid in den zachten glans van een open hemel: op Uwe zaligheid wacht ik, Heere.
Maar, zoo vreest gij wellicht, om.in zulk een volheerlijke hulp u te mogen verheugen, moet gij meer zijn dan een zwak, ongeduldig, dwalend zondaar als ik ben. Dat heeft de Heere zien aankomen, dat gij zóó spreken zoudt, en zóó de lieflijke troost en 't zalige aanbod van Zijn hulp zoudt afwijzen, en daarom stelde Hij er prijs op nadrukkelijk genoemd te worden
de God van Jakob, ofschoon dit wèlbezien een weinig-eervolle combinatie lijkt voor den hoogen God, die den hemel heeft tot Zijn troon. De naam Jakob toch houdt weinig goeds in, en herinnert beschamend aan den zondigen aard van dezen begenadigden mensch.
Straks moet deze tot-deemoed-manende naam plaats maken voor een anderen, beteren naam, voor den nieuwen naam Israël, maar niettemin bleef de Heere zich Jakobs God noemen, want als Jakob zocht en vond en hielp God dezen mensch, en ons bedoelt Hij aldus te bemoedigen, te troosten, te verzekeren : wie gij ook zijt, en welke uw aard ook is, Ik wil uw Helper zijn. Al waren uwe zonden ook als karmozijn zoo rood. Ik maak ze als wol zoo wit. Immers Ik doe 't niet om u, wat Ik voor u doe, maar om mijns lieven Zoons, om Mijns grooten Naams wille.
In dezen wónder-bemoedigenden Naam, Jakobs God, schijnbaar zoo onteerend voor den hoogen God, roemt de barmhartigheid tegen het welverdiende oordeel, raken Heilige Handen den armen melaatsche reddend en reinigend aan.
Melaatschen werden vèr-gehouden en van elk vermeden, maar Jezus raakte den geschuwde aan en schonk hem sieraad voor asch en vreugdeolie voor treurigheid, ja, 't gewaad des lofs voor zijn benauwden geest.
Jakobs God ; ziet gij, lezer, hoe in dezen Naam zich Helpende Handen uitstrekken naar ellendigen om hen rein en rijk te maken. O, hoe groot is 't goed van een mensch, die dezen God tot zijn Hulp heeft.
En hoe wijd worden hier de deuren van 't genade-huis opengezet voor alle arme, ellendige zondaren, terwijl rijken ledig worden weggestuurd. Hier wellen Gods fonteinen, van genade en erbarming vol. Hier spreidt Immanuël Zijn disch om aan te zitten met tollenaren en zondaren; in alle Farizeërs kookt de ergernis, maar in den hemel juichen Gods engelen, want: God is 't verbroken hart, 't Verbrijzeld en
verdrukt gemoed. Ten allen tijd nabij en goed In fegenheid en smart.
Heil u, die in uwe hulpeloosheid tot den God Jakobs leert vluchten, want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en Wiens naam heilig is : Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Ja, zalig hij, die in dit leven, Jakobs God ter hulpe heeft; Hij, die door den nood gedreven Zich tot Hem om troost begeeft Die zijn hoop in 't hachlijkst lot Vestigt op den Heere, zijn God.
Amsterdam

Remme

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's