De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het verbond der verlossing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het verbond der verlossing

9 minuten leestijd

III.
De tweede van de beide stellingen van ds. Kersten, die wij de vorige week onzen lezers mededeelden, wordt door hem op deze wijze toegelicht :
„b. In de tweede plaats merken wij op, dat nooit één rechtzinnige de H. Geest heeft uitgesloten in de sluiting des verbonds. Nimmer is door hen gesproken van een verbondssluiting tusschen den Eersten en den Tweeden Persoon, met uitsluiting van den H. Geest, maar tusschen den Vader in dezen handelend voor de drie Personen en den Zoon, als de Gezalfde des Vaders, optredend voor en representeerend de uitverkorenen. Mitsdien is de H. Geest in deze verbondssluiting niet uitgesloten. De voorstelling, door ds. W. van de leer der rechtzinnige theologen gegeven, onwaarachtig. Dezen theologen wordt ten onrechte door ds. W. dwaling verweten en verlaten van Schrift en belijdenis. Die verlating van Schrift en belijdenis is Dij ds. Woelderink, niet bij de oude Gereformeerde Theologen".
De uitwerking van het leerstuk aangaande het verbond der verlossing bij de theologen van de zeventiende en achttiende eeuw heb ik onjuist en verkeerd genoemd ; dat ik ze beschuldigd heb van een verlaten van Schrift en belijdenis, kan ik mij niet herinneren. Het is nog iets anders de Schriftuurlijke lijnen niet op de juiste wijze door te trekken, dan Schrift en belijdenis te verlaten. En waar ik er immer den nadruk op gelegd heb, dat het verbond der verlossing een stuk is, dat in de belijdenis nog geen plaats heeft gevonden, kan ik, naar het mij voorkomt, moeilijk in dit stuk een verlaten van de belijdenis aan de vaderen verweten hebben, al ben ik er ten diepste van overtuigd, dat de scholastieke theologie veelszins den geest der reformatoren mist.
Na deze korte opmerking willen we de verklaring van ds. Kersten wat nader bezien.
De vaderen hebben den H. Geest in de sluiting des verbonds niet uitgesloten, zegt ds. Kersten; ook niet al spraken zij van een verbond tusschen Vader en Zoon. Want in dit verbond tusschen Vader en Zoon treedt volgens ds. Kersten de Vader handelend op voor de drie Personen.
Dat ds. Kersten de waarheid van het verbond der verlossing zoo zou verklaren, heb ik bevroed. Daarom heb ik er vroeger ook op gewezen, dat de vereenzelviging van verbond der verlossing en verbond der genade alleen daaruit voortkwam, dat men in het verbond tusschen Vader en Zoon de Vader de plaats van den drieëenigen God laat innemen en de Zoon de plaats der te verlossen menschheid. Dan is het verbond der verlossing in wezen een verbond van God met den mensch, zooals in de Westminster belijdenis het verbond der! genade genoemd wordt. Toch meende ik, dat hier van een onbewuste verschuiving sprake was, maar thans schrijft ds. Kersten het gansch duidelijk en klaar, dat in het verbond de Vader de drie Personen vertegenwoordigt en dat daarom de H. Geest niet gezegd kan worden hier uitgesloten te zijn, omdat Hij door den Vader vertegenwoordigd is.
Het doet wel heel vreemd aan, hier te hooren van een verbond, in de eeuwigheid gesloten, waarbij de Zoon en de H. Geest afzien van een handelend optreden, en de Vader namens zich laten handelen, maar het vreemdst is toch Wel de situatie, als wij hooren, dat de Vader namens den Zoon met den Zoon een verbond sluit. Dat de Zoon daarbij gedacht wordt als de vertegenwoordiger Zijner uitverkorenen, doet hier niets ter zake; ook als hun vertegenwoordiger is blijft.Hij de eeuwige Zoon van God. Ik kan mij niet indenken, dat een theoloog van professie een dergelijke voorstelling durft verdedigen, dat de Zoon en de H. Geest zich door den Vader laten vertegenwoordigen en dat de Vader vervolgens namens den Zoon en den H. Geest met den Zoon een verbond sluit. Alle bezwaren, die wij in ons vorig artikel hebben opgesomd, komen ook hier weer naar voren. Heel de opbouw van het verbond der verlossing, zooals ds. Kersten zich die denkt, lijdt aan een innerlijke tegenspraak.
We willen echter niet volstaan met een bestrijding, maar tevens trachten een meer positieve verklaring van dit stuk te geven. De vraag wordt toch meer dan eens gesteld, hoe het komt, dat dit verbond der verlossing gezien moet worden als een verbond der drie Personen in het goddelijk Wezen, daar toch in de Schrift zoo dikwijls gesproken wordt van een onderhandeling tusschen den Vader en den Zoon. Ik denk hier aan verschillende Messiaansche psalmen en profetieën, waarin de Vader verklaart den Zoon gezalfd te hebben tot een verlosser des volks, en aan tal van plaatsen in het N. Testament, waar de Zoon zich tot den Vader wendt en verklaart het werk volbracht te hebben, dat Hem van den Vader was opgedragen en op grond daarvan het loon opeischt, dat Hem is toegezegd. Joh. 17 is daarvoor wel zeer sprekend.
De oplossing daarvan is toch werkelijk niet moeilijk. In het antwoord, dat de Schrift geen dogmatiek is, ligt feitelijk heel de verklaring besloten. Men acht toch zeker ook niet, dat dezelfde Schriftuurplaatsen en al de andere, waar alleen van den Vader en den Zoon wordt melding gemaakt, tegen de leer der drieëenheid pleiten ? Of dat het noodig is naast de drieëenheid nog van een tweeëenheid in God te spreken ? Welnu, evenzeer als de genoemde plaatsen niet pleiten tegen de drieëenheid van 'het goddelijk Wezen, evenmin doen zij afbreuk aan de leer, dat het verbond der verlossing een verbond is tusschen de drie Personen in het goddelijk Wezen.
De Schrift levert ons de bouwstoffen ; de dogmatiek verzamelt die en ordent ze tot een systematisch geheel.
De Schrift is volkomen vrij om bizonder het licht te laten vallen op het werk, dat de Zoon in het verbond der verlossing op zich heeft genomen en op de belofte. Hem door den Vader gedaan. Van de inwachting dezer belofte en haar vervulling spreekt bizonder Joh. 17, waar Christus in en onder zijn lijden door deze belofte krachtig ondersteund wordt en te midden van zijn lijden zich in de vervulling dezer belofte verblijdt. Maar er pleit niets voor om dit stuk, dat als het ware een oogenblik uit het verbond der verlossing wordt uitgelicht om bizonder onder onze aandacht .te worden gebracht, nu te maken tot een verbond tusschen Vaderen Zoon, dat of het verbond tusschen de drie Personen vervangt, of naast dit verbond wordt geplaatst als een ander en tweede verbond. Wij loopen dan gevaar aan de eenheid van het goddelijk Wezen te kort te doen.
De groote waarde van het leerstuk van het verbond der verlossing ligt daarin, dat het ons laat zien, hoe de verlossing in Christus niet alleen vastligt in het eeuwig raadsbesluit Gods, maar dat in dit eeuwig besluit van God drieëenig de drie Personen in volkomen eenstemmigheid met elkander overeengestemd hebben en zich als het ware tegenover elkander verbonden hebben om ieder voor zich te doen, wat er gedaan moest worden om een zondig volk te verlossen.
Men zal zich echter uit mijn vorige artikelen herinneren, gelijk ik ook in het eerste van deze artikelen even herhaald heb, dat het mij in de bestrijding van hetgeen door de Synode der Geref. Gemeenten gezegd is, volstrekt niet te doen was om het leerstuk van het verbond der verlossing, maar dat voor mij het zwaartepunt gelegen was in het leerstuk van het verbond der genade. Wat mij dreef in de bestrijding was, naar ik meen, iets van den geest, die Paulus drong tot de bestrijding van de wetleeraars, die in de gemeenten van Galatië waren binnengedrongen en haar het evangelie van Gods genade ontroofden. Mededoogen met de zielen, die onder een juk van knechtelijke inzettingen worden gebracht, drong mij om te protesteeren tegen een systeem van theologische gedachten, dat bet teeken en zegel van het verbond der genade, in den doop ons gegeven, tot een ijdel teeken maakt, dat de toegang tot den troon der genade afsluit voor allen, die niet de klaarblijkelijke kenmerken van het genadeleven kunnen toonen en zoo het evangelie der genade te niet doet.
Daarbij heb ik volstrekt niet alleen aan de Geref. Gemeenten gedacht, gelijk ik meen ook gezegd te hebben, maar voornamelijk in een dergelijke strooming in onze eigen gemeenten. Omdat deze strooming echter schriftelijk en publiekelijk door ds. Kersten wordt vertegenwoordigd, heb ik mij bizonder tegen zijn voorstellingen gekeerd. In het laatste nummer van „De Saambinder" wordt deze strooming dus door ds. Kersten verdedigd: „Elk uitverkorene wordt in den tijd van Gods welbehagen, hetzij in zijn jeugd of bij het klimmen zijner jaren, uit den dood door God opgewekt. Hij wordt wedergeboren : uit Adam afgesneden en in Christus overgeplant. God neemt hem op in die levendmaking in het verbond der genade. En aan deze uit God geborenen komt Christus toe en al Zijn weldaden. Voor hem zijn de beloften Gods, de beloften des verbonds". (Saamb., 22 Oct.).
Het verbond der genade blijkt een burcht te zijn met gesloten poort. Al de genadegoederen en de beloften Gods zijn achter deze gesloten poort. En niemand wordt hier toegelaten, dan die levendgemaakt is en in Christus is ingelijfd.
Dat hier van een contradictio in terminis sprake is en dat Christus zich blijkens deze voorstelling buiten het verbond bevindt, wijl men eerst in Hem moet ingelijfd worden, voordat men in het verbond der genade wordt opgenomen, zullen wij nu maar daarlaten. Het ergste is, dat deze leer voor een mensch, die zichzelf onder den vloek weet, dood in zonden en misdaden, geen troost heeft, want de beloften des verbonds zijn alleen voor hen, die levend gemaakt zijn en Christus toebehooren. Zij, die waarlijk hongeren en dorsten naar Gods genade, worden hier ledig weggezonden ; de huichelaars en hypocrieten daarentegen worden gevoed met een ijdele hoop, dat de poort, die thans nog voor hen gesloten is, nog eens voor hen mocht worden opengedaan, terwijl de onbekeerden met hun letterwijsheid achter het ware Godsvolk staan als de drijvers van den Pharao achter de kinderen Israels om hen te verdrukken en te benauwen. Maar al te goed heb ik in onze gemeenten gezien, tot welk een heerschappij onder dit systeem de dood komt en welk een gedaante van godzaligheid er gekweekt wordt, terwijl men van de ware vreeze Gods niet meer het flauwste begrip heeft.
Het is om Sions wille, dat ik besloten heb niet stille te zwijgen, maar te blijven waarschuwen tegen een gevaar, dat ons bedreigt, en al is het dat men mij door allerlei verdachtmaking den mond tracht te snoeren, zoo hoop ik toch met Gods hulp voort te varen onder kwaad gerucht en goed gerucht. Zoo de Heere wil, zal ik in een verhandeling over het doopsformulier, waarmede ik de volgende week een aanvang hoop te maken, op deze dingen nader terugkomen.
O. a. d. IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het verbond der verlossing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's