Rondblik buiten de Grenzen
Wat kan men op „officieele dementies" toch weinig staat maken. Toen we vorige week Dinsdagvond over de mogelijkheid van een Duitsch-Japansche overeenkomst schreven, moesten we dat nog onder voorbehoud doen. Er was immers officieel vanuit Tokio medegedeeld, dat de geruchten dienaangaande, alle grond misten.
En den volgenden dag kwamen de dagbladen met de niet minder officieele btoevestiging van de geruchten : Duitschland en Japan hadden een anti-bolsjewistische overeenkomst gesloten.
Het wantrouwen, waarvan in het vorig overzicht blijk werd gegeven, was dus niet ongegrond. En wat we daarbij over eventueele samenwerking van Japan en Duitschland opmerkten, kan nu dienen als toelichting van het tusschen beide landen gesloten verdrag.
De overeenkomst richt zich, althans volgens de gepubliceerde tekst, tegen de communistische internationale, de Komintern, die niet alleen den binnenlandschen vrede en de sociale welvaart, maar ook den wereldvrede in het algemeen bedreigt. En om daartegen nu gemeenschappelijk te kunnen optreden, zijn Duitschland en Japan nu o.m. overeengekomen „elkaar op de hoogte te houden van de actie der communistische internationale, te overleggen over de noodzakelijke afweermaatregelen en die maatregelen in nauwe samenwerking ten uitvoer te leggen”.
Volgens deze formuleering bedoelt de nieuwe overeenkomst dus uitsluitend wederzijdsche hulpverleening bij een anti-communistische actie. En zoo bezien, schijnt de samenwerking tusschen Japan en Duitschland slechts een voor beide landen interne aangelegenheid te betreffen. Bij de bekendmaking van de overeenkomst is er zelfs „van officieele zijde" de nadruk op gelegd, dat deze niet tegen Rusland, doch enkel tegen de Komintern gericht is.
Desondanks bleek men niet van zins om dezen onschuldigen schijn van het Japansch-Duitsche als het eigenlijke wezen er van te aanvaarden. Daarvoor zijn, we wezen er vorige week reeds op, ernstige redenen aan te wijzen.
Het valt reeds aanstonds te verstaan, dat de Sovjet-Unie ongerust is. „Het verdrag van het fascistische Duitschland en het militairistische Japan" - aldus een Russisch dagblad - „werd niet alleen tegen de Sovjet-Unie, doch ook tegen andere landen gesloten”.
En de bekende Russische diplomaat, Litwinoff, heeft in een groote redevoering voor het Sovjetcongres gehouden, de verzekering gegeven, dat „het Japansch-Duitsche militaire bondgenootschap het resultaat is van vijftien maanden onderhandelen tusschen den Japanschen militairen attaché te Berlijn en de Duitsche diplomaten". Hier wordt dus de volle nadruk gelegd op de militaire beteekenis van de gesloten overeenkomst, terwijl er nog de mededeellng aan werd toegevoegd, dat ook Italië zich er bij zou willen aansluiten.
En een Engelsch blad, de „Evening Standard", ist zelfs reeds te vertellen dat, bij geheime overenkomst, Nederlandsch Oost-Indië tusschen Duitschland en Japan verdeeld was. Een sensatineele onthulling, die we waarschijnlijk niet geheel serieus behoeven te nemen.
Desondanks neemt men ook „in Britsche kringen" aan, dat het Japansch-Duitsche verdrag is als een ijsberg : er wordt meer onder water verborgen gehouden dan er boven uit steekt.
Deze voor de hand liggende veronderstelling wordt gelogenstraft door een verklaring, die de Engelsche minister van buitenlandsche zaken in het Lagerhuis deed. Eden zeide van Duitschland de verzekering te hebben gekregen, dat tusschen Duitschland en Japan geen militair of ander bondgenootschap van welken aard ook is gesloten, terwijl de Japansche minister van buitenlandsche zaken verklaarde, dat er geen geheim verdrag bestaat.
Eden heeft op geen enkele wijzie laten blijken, of hij deze officieele verklaringen betrouwbaar acht. Wel heeft hij nogmaals herhaald, dat Engeland van die anti-communistische-blokvormerij niets hebben moet. De Britsche regeering, aldus Eden, keurt uitdrukkelijk iedere neiging om de wereld in twee kampen te verdeelen, inzonderheid wegens ideologische motieven, af.
In tegenstelling met Duitschland, en meer nog dan Frankrijk, wil Eden blijven pogen om tot internationale samenwerking met allen te komen. En ter gelegenheid van het bezoek dat de Belgische premier, de heer Van Zeeland, dezer dagen aan Londen bracht, heeft Eden de van zekere zijde gevoerde gewelds-politiek krachtig veroordeeld.
Als alternatief tegenover het stichten van oorlog op aarde zag deze Engelsche minister „een algemeen begrijpen, dat de arbitrage van het brute geweld een dierlijke instelling is, en dat de algeheele inspanning der beschaving er naar uit moest gaan ons boven het peil der dieren te verheffen. Bij hun voortdurend streven naar de handhaving van den vrede zoeken de Britsche en Belgische volkeren een grootere glorie dan die van den veldslag, een verfijnder inspiratie dan die van het kanon”.
Dat is andere taal dan we b.v. van den Italiaanschen dictator gewend zijn.
Maar helaas spelen dergelijke leiders een niet onbelangrijke rol in de internationale politiek.
Er wordt door sommige bladen de aandacht op gevestigd, dat het Duitsch-Japansche accoord niet door den ervaren Duitschen minister van buitenlandsche zaken, Von Neurath, is onderteekend, doch door den veel jeugdiger Duitschen ambassadeur te Londen, Von Ribbentrop. In dat verband wijst men er dan op, dat de overeenkomst het Derde Rijk, diplomatiek bezien, geen goed doet. Engeland is er niet over te spreken en Polen al evenmin. En dat het tegenwoordige Duitschland toch al niet de algemeene sympathie van de andere landen geniet is bekend. Dit kwam ook nog weer uit bij de toekenning van den jaarlykschen Nobelprijs voor den vrede. Deze werd toegekend aan een zekeren Von Ossietzki, die op 't oogenblik in een der tallooze Duitsche concentratiekampen gevangen zit. Men ziet in Duitschland deze benoeming als een opzettelijke beleediging van het Derde Rijk.
En als men er rekening mede houdt, dat de Nobelprijswinnaar reeds voordat Hitler aan de regeering kwam. wegens hoogverraad veroordeeld werd, en overigens als schrijver „in het belang van den vrede" niets buitengewoons schijnt gepresteerd te hebben, maakt deze benoeming inderdaad een eigenaardigen indruk.
De Nobelprijs werd immers niet ingesteld om te demonstreeren tegen een of ander, al dan niet terecht als oorlogszuchtig beschouwd land, doch als erkenning van positieven arbeid in het belang van den vrede.
De verklaring van Litwinoff, als zou ook Italië tot het bovenbesproken accoord toetreden, wordt door niets bevestigd. Maar toch hebben Italië en Japan elkaar een pleziertje gedaan. Op indirecte wijze heeft Italië het zeer sterk onder Japanschen invloed staande Mandsjoekwo als zelfstandig keizerrijk erkend, en heeft Japan op zijn beurt de nieuwe Italiaansche bezitting, Abessynië, als zoodanig aanvaard. Vanuit Japan gaan officieele vertegenwoordigers naar Abessynië, en Mussolini zal een paar officieele mannetjes naar Mandsjoekwo zenden.
Behalve politieke, spreken ook economische belangen bij deze wederzijdsche vriendelijkheid een woordje mee.
Japan en Abessynië deden en doen namelijk goede zaken met elkaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's