De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VOLHEID DES TIJDS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VOLHEID DES TIJDS

13 minuten leestijd

Het Romeinsche rijk ten tijde van Augustus.

I.
Niets is er in dit leven, dat niet onderworpen is aan de wet van het opgaan, blinken en verzinken. Op alle dingen is het woord van den dichter van het 102den Psalm van toepassing :
Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt.
Ook de tijd zelf staat in het teeken der vergankelijkheid. Hij is er niet altijd geweest en met opzicht tot zijn toekomst lezen wij in Openbaringen 10 vers 6, dat er geen tijd meer zijn zal.
In het licht van Gods Raad verschijnt de tijd in diverse stadia. Hij heeft een begin, groeit uit tot en zekere maat, en komt, wanneer Gods doel is bereikt, tot zijn einde. De tijd is er om de eeuwigheid. Hij is dienstbaar aan de komst van het Koninkrijk Gods. „Deze eeuw" is er om de „toekomende". Onze tijden zijn derhalve in Gods hand. Dit zij niet alleen persoonlijke belijdenis, maar het is ook een algemeene waarheid, wanneer wij heel het leven zien in Gods licht.
Zoo hebben wij dus in de uitdrukking : de volheid des tijds, die ontleend is aan Galaten 4 vers 4, te doen met een tijdstip, waarop een bepaalde tijd geheel voorbij is. Gods openbaring, die tot op heden zeer in 't bijzonder geschied was in en door het volk Israël, trad nu een nieuwe phase in, omdat naar Zijn bestel de wereld tot zulk een toestand van rijpheid voortgeschreden was, dat zij door God geschikt geacht werd om Zijn Koninkrijk te ontvangen. De akker der wereld was er rijp voor.
Door alle eeuwen heen had God op velerlei wijze openbaring gegeven aangaande Zichzelf en de verwezenlijking van Zijn Raad. Op grond van deze gegevens, der menschheid verstrekt, was er een Messias-verwachting geboren, die in Israël weliswaar apart was uitgegroeid, maar die ook leefde in de algemeene bewustwording der heidenwereld, zij het in ge wijzigden vorm.
Dit artikel zal handelen over den toestand, waarin het Romeinsche rijk verkeerde ten tijde van Christus' komst in het vleesch. In het tweede hopen wij den lezer te bepalen bij de Messiaansche verwachting, zooals die leefde bij 't volk Israël. Terwijl daarna nog o. m. het conflict en de beteekenis van de vleeschwording des Woords aan de orde kunnen komen.
Geven de dichters over het algemeen weer, wat zich weerspiegelt in het leven der natie, dit is vooral het geval in de periode, die thans het onderwerp van ons onderzoek uitmaakt. Ook hier vertolken zij wat daar leefde in het hart van duizenden, zoodat de dichtwerken der poëten uit Augustus' dagen een bron zijn, die in overvloed inlichtingen verschaft inzake de toestanden, die op maatschappelijk en godsdienstig gebied heerschten
Na een viertal burgeroorlogen, die van 88 —31 vóór Christus hebben gewoed, stort de Romeinsche republiek ineen. Het was een tijd van verschrikking, waarin vele lasten de menschheid drukten. De roekelooze burgertwisten gaan weerzin wekken, zoodat men uitroept : „schamen moeten wij ons over de litteekens, over de bedreven gruwelen, en over onze vermoorde broeders". De goden worden aangeroepen, opdat zij op een nieuw aanbeeld het in de burgeroorlogen stomp geworden zwaard omsmeden tot een scherp wapen tegen buitenlandsche vijanden. ^) Er is alle reden om de goden aan te roepen, want zij toornen schrikkelijk over 's menschen goddeloosheid. Een bewijs daarvoor ziet men in den smadelijken afloop der buitenlandsche krijgsverrichtingen. Hierbij komt, dat een alle-denkbare-maat-te-buiten-gaande zedeloosheid heerscht : in huisgezin en huwelijk. Vroeger heerschte een strenge tucht, maar alles is, helaas ! vervankelijk, en steeds dieper zinkt het volk. De goden, wier dienst verwaarloosd wordt en wier tempels en godshuizen vervallen zijn, hebben vele rampen over Italië gebracht ; zij hebben het in diepen rouw gedompeld. Aldus dicht men: „Wat heeft de allesvernielende tijd niet verzwakt en ontzenuwd ? Het geslacht onzer ouders, slechter dan dat onzer grootvaders, verwekte ons als een nóg slechter geslacht, dat weldra een nog meer verdorven kroost zal voortbrengen". In enkele woorden schildert de dichter hier de kracht en de decadentie van vier menschengeslachten. Hij is door Mommsen dan ook wel de profeet der monarchie genoemd. De goden zullen niet eer tevreden zijn, voordat de tempels hernieuwd en hersteld zijn. 2)
Gebeden wordt, dat Augustus als de Vader des Vaderlands een einde zal maken aan de goddelooze moordlust en razernij, en dat hij de onbeteugelde losbandigheid bedwinge, want zedelijkheid en tucht brengen geluk, en een goed staatsman behoort de losbandigheid te betoomen. 3)
Vergilius zegt ergens, dat er oorlogen en misdaden komen, zoodra de goddelijke orde omgekeerd wordt. Aan de ploeg wordt dan geen eer meer bewezen, en de akkers liggen braak. Wanneer de goddelooze Mars (de god van den oorlog) over de geheele aarde woedt, worden de kromme sikkels omgesmolten tot een koud zwaard. *) De vloek, die rust op het Romeinsche rijk, wordt in verband gebracht met den broedermoord, die plaats had bij de stichting der stad Rome in 753 vóór Christus. De goddelijke gerechtigheid wreekt zich. Zoo voelt men het. 5)
Men kan zich niet ontworstelen aan den indruk, dat alle goden de wereld verlaten hebben. De mensch voelt zich aan zichzelf overgelaten. Zoozeer had 't gevoel van schuld zich opgedrongen, dat men den ondergang der wereld ais ten tijde van den zondvloed verwachtte. Behalve de burgeroorlogen, worden sneeuwstormen en overstroomingen beschouwd als straf voor den moord op Julius Caesar. °) In zijn Metamorphozes schildert Ovidius achtereenvolgens de gouden, de zilveren, de koperen en de ijzeren eeuw, die de aarde heeft gekend. In schrille kleuren besctirijft hij de laatste. Wezenlijk geeft hij daarin zijn eigen tijd weer : ieder leeft van roof ; niemand is veilig voor zijn naasten ; moord en doodslag zijn aan de orde van den dag ; de godin der rechtvaardigheid heeft de aarde verlaten.7)
Van al deze dingen wordt de menschheid zóó moede, dat Horatius in een zijner oudste gedichten aan Rome, dat bezig is aan zijn burgeroorlogen te gronde te gaan, voorstelt liet land te verlaten, en elders nieuwe woonplaatsen te zoeken. „Laten wij" — zoo zegt hij ongeveer — „met het vaste voornemen om nooit meer terug te keeren, gaan naar de eilanden der gelukzaligen, waar zooveel heerlijks ons wacht, waar de aarde zonder te ploegen vruchten geeft, waar de wijnstok eeuwig bloeit, waar de geitjes vanzelf naar den melkemmer komen, waar geen adders gif geven, waar geen stormwind buldert en waar vochtigheid en hitte door den koning der hemelgoden worden gematigd en getemperd. H. beschouwt zichzelf en de zijnen als de vromen der ijzeren eeuw. 8)
Uiteraard is deze dichterlijke ontboezeming zeer overdreven, maar zij geeft, ontdaan van alle franje, weer, wat er in de volksziel leeft. Met een zeer sterk verlangen zag de vermoeide en uitgeputte menschheid uit naar vrede.......
In Augustus begroette men dus zijn redder en heiland. Sedert zijn overwinning op Amonius bij Actium in het jaar 31 v. christus maakt een ware vredesstemming zich van de gansche mensenheid meester. Dat ook hij zijn heerschappij veroverd heeft langs den weg van ongerechtvaardigd bloed vergieten, vergat men. Ook zag men den revolutionairen oorsprong van zijn macht over 't hoofd, wijl men alleen oog had voor de ongetwijfeld betere maatschappelijke verhoudingen, welke hij schiep. Vol enthousiasme zong men, dat hij de machten der revolutie had bedwongen, zooals eens Jupiter de Giganten met zijn bliksem had getroffen en onschadelijk gemaakt. ") Op verschillende plaatsen trekken de dichters een parallel tusschen Juppiter en Augustus. Na Juppiter is Augustus de tweede in macht. Hij wordt beschouwd als een god, die op aarde het regiment uitoefent, zooals Juppiter dat doet in den hemel. Als Vader en Heerscher worden beiden in één adem genoemd.10)
Men ziet Augustus als door den hemel uitgezonden om hulp te bieden aan het menschelijk geslacht, dat zijn ondergang nabij is.") Vurig hoopt men, dat hij niet spoedig weer naar de hemelsche sferen zal terugkeeren, want het paleis des hemels misgunt hem reeds lang aan de aarde, omdat hij zich zoo bijzonder inlaat met de aangelegenheden der stervelingen.^^) Augustus is het, die ein­delijk de bloedschuld heeft weggenomen. Hij is de vredevorst, wiens daden des vredes alom worden verheerlijkt.") Den tempel van Janus sloot hij, wat alleen geschieden mocht in vredestijd. Ook stichtte hij de ara pacis, het altaar des vredes. Alles bijeen deed bij de Romeinen de gedachte postvatten, dat het thans gevestigde imperium zou overgaan in een rijk van eeuwigen vrede. De wederkeer van een paradijstoestand werd verwacht, een aurea aetas, een gulden eeuw, waarin alle losbandigheid en onrecht voor goed uit den weg zouden zijn geruimd. Het bestuur van Augustus beteugelde immers alles, wat de perken van orde en recht te buiten ging, en wekte hij niet weer de deugden en de tucht der voorvaderen tot nieuw leven ? Een tijd van vrede en vreugde was in het oog van den Romein aangebroken. De aloude godheden der Trouw, des Vredes, der Eer en der Eerbaarheid keeren weer naar de aarde terug, die zij in tijden van decadentie hadden verlaten. Het is alles te danken aan het zegenrijk bestuur van Augustus, die de guldene eeuwen van weleer weer in Latiums velden zal doen leven, i^) Het kan dan ook niet worden ontkend, dat Augustus den staat orde en vrede geschonken heeft. Het was overal rustig ; allerwegen heerschte nijverheid, terwijl de in 18 voor Christus uitgevaardigde wetten tegen echtbreuk en schending der eerbaarheid het zedelijk leven inderdaad bevorderden. 15)
Een zeer merkwaardig teeken des tijds hebben we in de vierde ecloga van Vergilius, waarover zooveel geschreven is, dat het geheel een kleine bibliotheek vormt. 16)
De dichtregels, die hier in het geding zijn, zijn geschreven onder het consulaat van C. Asinius Pollio, ongeveer 40 voor Christus, juist na den vrede van Brundisium, die gesloten werd tusschen Antonius en Octavianus. De dichter ziet hierin na de verwarring der burgeroorlogen het aanbreken van een aera des vredes. Als een profeet verkondigt hij de geboorte van een knaap, die het ijzeren tijdperk, waaronder men thans leeft, zal doen ophouden, en die over de gansche wereld het goudene zal inluiden en stichten. Onder zijn leiding zullen de nog aanwezige sporen van wrevel verdwijnen, en met vaderlijke deugd zal hij over de vredige aarde regeeren. Dan volgt een heerlijke schildering van het gouden tijdperk, dat aanstaande is, waarin ook de natuur betrokken wordt.
Tot op den huldigen dag hebben vele theologen en philologen zich afgetobt om uit te vorschen, wien de dichter met dezen knaap toch wel mag hebben bedoeld. Uit historisch oogpunt is het of een zoon van Pollio, öf een van Augustus, want beiden verwachtten een kind. Mede omdat den laatsten een dochter geboren werd (de later zoo beruchte Julia), waardoor het gewijde karakter van Vergilius' uitspraak aan waardij dreigde in te boeten, heeft men zich gewaagd aan de onderstelling, dat hier sprake is van de toekomstige geboorte van den Christus. In dit licht moet het dan ook verklaard worden, dat men van Vergilius als van een voorlooper van het Christendom spreekt. Men heeft in hem een christelijke ziel gezien, die de brug vormt tusschen den ouden en den nieuwen geest. ^^) Al ontkennen wij het eigenaardig en typisch karakter van een en ander niet, — deze conclusie gaat o.i. veel te ver. Zij is historisch tot op heden niet voldoende gefundeerd en ook theologisch niet verantwoord. „Ahnung" van iets hebben is nog wat anders dan het bezit en kennen eener zaak zelf. Vergilius op zichzelf inderdaad treffend getuigenis moge dienen als bewijs, dat er op den bodem der menschheidsziel nog iets leeft van een heimwee naar het verloren paradijs en een verlangen naar een betere toekomst, — dat hier welbewust zou worden heengewezen naar Jesaja 11 en den komenden Messias, is vooralsnog niet bewezen. Wel karakteriseert het de stemming van Augustus' dagen.
Nog een eigenaardigen trek vertoont deze tijd in de z. g. n. keizer vergoding, welke in oorsprong Perzisch en Grieksch is, en welke is overgenomen door het Romeinsche keizerrijk : eerst voorzichtig door Augustus, later veel sterker, b. v. door Diocletianus (285— 305), die zich „dominus et deus" (heer en god) noemt. Al heeft ook Augustus zich de hem gebrachte goddelijke eer laten welgevallen, — in Rome schijnt hij een openlijke eeredienst ter zijner verheerlijking niet toegestaan te hebben. Anders stond het in de verschillende provincies van zijn uitgestrekt gebied, waar hij vele tempels gesticht en opgebouwd had. Daar had hij zijn eigen cultus, waarin met name zijn persoon en zijn heerschappij werden aangebeden. De tekst van een feestkalender uit een Augustus-tempel dier dagen toont de juistheid dezer bewering aan. 18)
Over het algemeen kan gezegd worden, dat de vereering van Augustus' goddelijkheid door de dichters sterk is overdreven. Doch het principe, dat elders en later alom gehuldigd werd, was toch óók bij hem aanwezig. Het karakter en het bestek van dit artikel laten helaas geen breeder betoog over deze belangrijke kwestie toe. Niettemin mag hier vastgesteld, dat óók de keizervergoding als zoodanig den weg voor het Christendom mede heeft geplaveid.
Door alle hier opgesomde factoren waren de maatschappelijke toestanden en de geestelijke situatie van het Romeinsche rijk van dien aard, dat het Christendom ingang vinden kón, want wij zeggen natuurlijk niet, dat dit altoos het geval geweest is.
De boodschap en de terminologie des Christendoms waren der wereld niet vreemd ; zij werden begrepen, al was er niet algemeen de aanvaarding. Want al moge er tot op zekere hoogte eenige overeenstemming in de wijze van uitdrukken zijn tusschen Christendom en zekere heidensche verwachtingen, — de inhoud van het Evangelie was in oorsprong en doel gansch nieuw. Het vond aansluiting in de wereld van dien tijd, doch het was niet van deze aarde, doch dalende uit den hemel. Bij zekere overeenkomst was er een principieel onderscheid. Het Koningschap van den Christus immers zou straks raken aan „den gedachtencyclus en het politieke en religieuse denkschema van de wereld van Rome en van het heidendom". Juist op deze wijze kon de consequentie getrokken, het conflict ontstaan, en de kloof tusschen het Koninkrijk der hemelen en dat van deze wereld verdiept worden. Juist in Christus' verschijning op het forum der gansche menschheid ligt de beteekenis van „de volheid des tijds”.
Ook het feit, dat het Evangelie der wereld is voorgezongen in de Grieksche taal, die alom verbreid was, is van machtige beteekenis geweest voor den gang van Gods Woord door de toenmalige wereld. Ook in het toebeschikken van dit taalorgaan wordt de voorzienigheid Gods openbaar.
1) Horatius, Carmina, I. 35.
2) Horat., C. III. 6.
3) Horat., C. III. 24.
4) Georgicon, I. 505 v.v.
5) Horat., Epod. 7. Vgl. Livius, Ab Urbe Condita, I. 7.
6) Horat., C. I. 2.
7) I. 144 v.v. Vgl. 200 v.v.
8) Epod. 16.
9) Horat., C. III. 4. De Giganten zijn in de mythologie aardreuzen, die met de
Titanen eens den Olympus bestormden. Bij die gelegenheid werden zij door Zeus  en zijn helpers op verschillende manieren onschadelijk gemaakt.
10) Horat., C. I. 12 ; IV. 2 ; III. 5. Ovid., Met. XI. 224 ; XV 858. Horat., Epist. II. 1. 17.
11) Vergil., Georg. I. 500.
12) Ovid., Met. XV 838 ; 868. Vergil., Georg. I. 503. Horat., C. I. 2 ; III. 3.
13) Horat., C. IV. 15 ; I. 2.
14) Vergil., Aen. VI. 792 v.v.; I. 291. Horat., C. IV. 2  Saec. 57.
15) Horat., C. IV. 5. Övid., Met. XV. 832.
16) Zie b.v. de literatuuropgave in : Martin Schanz, Geschichte der Römischen Litteratuur, 2er Teil, Ie Halfte: Die augustische Zeit, 3e Aufl., München 1911, S. 46 ff.
17) Dr. H. M. V. Nes, De volheid des tijds, Amsterdam 1890, blz. 22. En : De adventstijd der wereld, Rotterdam 1893, blz. 87 V.
18) Kurt Latte, Die Religion der Romer und der Sgnkretismus der Kaiserzeit, Tubingen 1927, S. 25.
D.

d. Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE VOLHEID DES TIJDS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's