DE VOLHEID DES TIJDS
II.
De Joodsche Messiasverwachting.
In ons vorig artikel wezen wij op verschillende symptomen in het Romeinsche rijk ten tijde van keizer Augustus, die van beteekenis geweest zijn voor de verbreiding van het Evangelie. Zonder het in aanmerking nemen van deze dingen zijn vele plaatsen uit het N. Testament niet te verstaan.
Wanneer wij ons telkens opnieuw verbazen over de snelheid, waarmede het Christendom zich een weg baande door de wildernis van die dagen, dan moet worden vastgesteld, dat de oorzaak daarvan allereerst school in de wereldoverwinnende kracht van het Evangelie en in de onweer standelijkheid des Heiligen Geestes. Maar dat ook de verhoudingen op alle gebied en de geestesgesteldheid dier dagen krachtig aan een en ander hebben medegewerkt, kan niet worden ontkend. De drang naar vrijheid en verlossing, naar vrede en orde, kon in de verschijning van den Heere Jezus Christus bevrediging vinden.
Naast de verwachting van een Messias in de heidenwereld, leefde er in zeer bijzonderen zin in het volk Israël de idee van een komenden Verlosser. Dit verlangen was daarom in Israël anders, omdat dit volk de bedding is, waardoor de rivier der Godsopenbaring vele eeuwen heeft gestroomd. Israël is als volk profetie, die heenwijst naar den Christus. Als zoodanig is het levend getuigenis, dat God gedachten des vredes heeft tot heil der menschheid. In Israël is de toekomst van den komenden Messias in bijzonderheden en op alleen juiste wijze geopenbaard. Dit volk alleen heeft de concrete toezegging inzake de Messiaansche toekomst ontvangen, terwijl een teekening in onderdeden niet heeft ontbroken. Of het de profetie ook altoos in haar juiste strekking heeft verstaan, is een andere zaak, waarop wij in het volgend artikel nog terugkomen.
De Messiasverwachting, zooals die in Israël leefde, is niet ineens en plotseling tot stand gekomen. Zij heeft een geschiedenis en sluit zich aan den gang der historie en de persoonlijkheid der profeten aan. Naarmate de Oud-Testamentische profetie echter zwijgen ging, naar die mate werd de Messiaansche verwachting in de ziel des volks levendiger en werd zij door de Joodsche Schriftgeleerden uitgebouwd. Daardoor verkreeg zij het karakter eener dogmatiek. Terwijl de schildering in de oogen des volks een nieuwe en bepaalde kleur verkreeg. Dat de Messiasverwachting in e laatste eeuwen vóór Christus uit het bewustzijn des volks bijna geheel zou zijn verdwenen, is een ongegronde meening. Ook is het niet zoó, dat zij door de prediking van en Christus weer is opgewekt en nieuw leven is ingeblazen. Nog voordat de Christus eén woord gesproken had, leefde zij krachtig in de ziel des volks, hetwelk uit het Evangelie zelf kan worden aangetoond en door de geschiedenis wordt bevestigd.
In een omstreeks 140 vóór Christus ontstaan geschrift heet het, dat God een koning al zenden, die aan allen oorlog op aarde een einde maken zal, den een doodend, den andere gegeven beloften vervullend. Hij zal dit niet doen op eigen initiatief, maar in gehoorzaamheid aan Gods bevel. De koningen der heidenen zullen Jeruzalem en zijn tempel belagen, en rondom die stad afgoderijen bedrijven. Maar met geweldige stem zal God tot hen spreken, en zij zullen omkomen door de hand des Onsterfelijken De aarde zal beven ; bergen en sneuvelen zullen wankelen ; de heidenen zullen door oorlog, zwaard en vuur omkomen, wijl zij den euvelen moed hebben genade hun wapenen tegen den tempel op te heffen. Dan zullen echter Gods kinderen in rust en vrede leven. Gods hand beveiligt hen. En de heidenvolkeren, die dit zien, zullen elkander opwekken om God te loven en te prijzen. Zijn wet zullen zij aannemen. Onder alle koningen der aarde zal vrede heerschen en God zal een eeuwig rijk oprichten over alle menschen. Uit alle einden der aarde zullen voor den tempel geschenken worden aangedragen, en de Allerhoogste zal in Jeruzalem (het theocratisch middelpunt) eeuwig wonen. Ook in het boek Henoch (± 2e eeuw vóór Christus) treffen wij gegevens aan, die van belang zijn voor ons onderwerp. God zal de pogingen der heidenen verijdelen, en Hij zal de Zijnen in een nieuw Jeruzalem doen wonen. Eerst na het gericht zal de Messias verschijnen, en alle heidenen zuilen in aanbidding zich tot Hem bekeeren. Een lang en gelukkig leven op aarde wordt verwacht.
Positiever en meer omschreven zijn de Psalmen van Salomo (63—48 vóór Christus). Daar toch wordt gewaagd van een koning uit het huis van David, die zal heerschen over Israël en alle vijanden van Jeruzalem verpletteren zal. Het verlangen naar dezen koning IS nier zeer sterk. Een rechtvaardig, door God geleerd koning zal hij zijn. Niet op paard en ruiters zal hij zijn vertrouwen stellen, want de Heere zelf is zijn koning. Met het woord van zijn mond (niet met het zwaard) zal hij de aarde slaan. Het volk des Heeren zal hij zegenen met wijsheid. Zonden zal hij niet kennen, en door Gods Heiligen Geest zal hij sterk zijn . Zeer sterk wordt men hier herinnerd aan Jesaja 11 vers 4. Het beeld van den Messias wordt hier in hoofdzaak in overeenstemming met het boek Daniël geteekend, terwijl men onder den „Menschenzoon" den persoon van den Messias verstond, die uit den hemel naar de aarde komt.
Meer voorbeelden van de juistheid der bewering, dat lang voor Christus' komst in het vleesch de verwachting naar Hem levendig was, zouden zijn aan te halen. Dit behoeft echter niet, omdat reeds nu voldoende bleek, dat vele ongewijde geschriften voor de kennis van het toenmalige Jodendom en van den geest, die het bezielde, van belang zijn. Men vindt hier in het volk den neerslag van de prediking der profeten.
Thans willen wij nog een beknopt overzicht geven van de Messiaansche dogmatiek, zooals die ten tijde van Christus' verschijning bestond. In hoofdzaak is de stof van dit artikel ontleend aan : dr. Emil Schürer, Geschichte des Jüdischen Volkes im Zeüalter Jesu Christi, 2er Band, 4e Aufl., Leipzig, 1907, § 29 Die messianische Hoffnung, S. 579—651. De hoofdtrekken van de Messiasverwachting, zooals die leefde in Israël, zijn de volgende :
1. Aan de komst van den Messias zal een tijd van verdrukking en verwarring voorafgaan. Alleen via ellende zal het geluk komen. In Hosea 13 vers 13 wordt gesproken van barensweeën, die met Zijn komst zullen gepaard gaan. Zon en maan zullen verduisterd worden; allerlei voorteekenen zullen dreigend onheil verkondigen. Heel de natuur zal in de war zijn : de zon zal 's nachts, de maan overdag schijnen. Uit het hout zal bloed druipen ; steenen zullen spreken, enz. Men zie 4 Ezra 5 vers 1—13 en 6 vers 18—28. Onder de menschen zullen zonde en goddeloosheid welig tieren. Oorlogen, aardbevingen en hongersnood richten een groote slachting onder de menschen aan.
2. Op grond van Maleachi 4 vers 5 en 6 verwacht men Elia als voorlooper van den Messias, die Zijn weg bereiden zal. Hij zal vrede en orde brengen op aarde. Ook in het Nieuwe Testament is deze gedachte bij degenen, die den Heere Jezus Christus als den Messias miskennen, nog levendig. (Zie b. v. Markus 9 vers 11).
3. Na deze voorbereidingen zal de Messias verschijnen, teneinde gericht te houden over Zijn vijanden. Hij is de van God Gezalfde, de Zoon des menschen, Gods uitverkorene, Gods Zoon, die uit het geslacht van David zal geboren worden. Hij wordt weliswaar als menschelijk koning en heerscher gedacht, maar ook kent men Hem goddelijke gaven en krachten toe. Hij is mensch, maar rechtvaardig, zonder zonde, den Heiligen Geest deelachtig, toegerust met macht, wijsheid en gerechtigheid, zoodat men in Hem een boven de menschen verheven Wezen ziet. Hij was verborgen bij God eer de wereld geschapen was. Zijn aangezicht stelt men zich voor als dat van een der heilige engelen. Zijn heerlijkheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid, en Zijn macht van geslacht tot geslacht. In Hem woont de geest der wijsheid, enz. Ook uit plaatsen als Micha 5 vers 1 en Daniël 7 vers 13 en 14 heeft men de prae-existentie van den Messias kunnen opmaken. Dat over de verschijning van den Messias ook allerlei spitsvondige berekeningen in omloop zijn geweest, spreekt vanzelf. Over deze fantasieën der Rabbijnen spreken wij hier echter niet. Algemeen was echter de beschouwing, dat Hij eerst komen kon, wanneer het volk boete doet en de wet vervult. Zijn komst werd beschouwd als een plotselinge. Als kind in Bethlehem geboren, zou Hij langen tijd in verborgenheid leven, om daaruit dan plotseling te voorschijn te treden. (Zie Johannes 7 : 27). Ook hield men het er voor, dat Zijn optreden door groote wonderen, die Hij doen zou, gepaard zou gaan.
4. Nadat de verschijning van den Messias heeft plaats gehad, zullen de heidensche machten zich tot een laatsten aanval tegen Hem verzamelen, terwijl de leiding van dit offensief zal uitgaan van den „antichrist". Zijn tegenstander bij uitnemendheid.
5. De vernietiging der vijandige machten geschiedt door een geweldig gericht, dat God over degenen, die Hem weerstreven, brengen zal. De meest voorkomende beschouwing is, dat Hij zulks door Zijn Messias doen zal. Die slechts met het woord van Zijn mond Zijn vijanden vernietigen zal (Jesaja 11 vers 4). Dit gericht zal ten aanzien van allen plaats hebben. Gezeten op den troon Zijner heerlijkheid, zal Hij als Rechter der gansche aarde de vierschaar spannen over allen, die de zonde en de ongerechtigheid hebben lief gehad, en die niet hebben willen leven naar Zijn wil en wet. Met ketenen zal Hij hen, die niet gewild hebben, dat Hij Koning over hen zijn zou, binden. Bij de voorstelling van den Messias als een machtig krijgsman, dacht men aan Jesaja 10 vers 27 en Genesis 49 vers 11. Want eerst na de algeheele vernietiging der vijanden Gods kan de Messiaansche tijd aanbreken.
6. Jeruzalem zal vernieuwd worden, welke vernieuwing men op verschillende wijzen verwachtte. Eenerzijds denkt men slechts aan de verwijdering van elementen, die er niet hooren ; anderzijds gelooft men, dat het aardsche Jeruzalem voor een hemelsch zal plaats maken. De nieuwe stad zal de oude in pracht en heerlijkheid verre overtreffen.
7. Het verstrooide volk zal verzameld worden. Alles wat Israël is zal naar Palestina terugkeeren. Uit alle windstreken zullen de verstrooiden Israels naar Jeruzalem trekken, opdat zij zullen deelen in de glorie van het Messiaansche rijk.
8. Over het nu staande aan te breken rijk oefent God door Zijn Messias de heerschappij uit. De idee van Gods Koningschap over Israël is dan in werkelijkheid en in waarheid hersteld, want vanwege de zonden des volks en de machten, die het belagen, kan er nu niet in absoluten zin van een „Godsrijk" sprake zijn. Dat zal pas het geval zijn, wanneer het volksbestaan van binnen en van buiten gereinigd is van alles, wat met Gods gerechtigheid in strijd is. Het nationale rijk van het volk Israël zal niet beperkt zijn tot de grenzen van Palestina, al zal dit zijn middelpunt vormen. De heele wereld zal er bij betrokken worden. Ook de heidenvolkeren zullen de heerschappij van den Messias erkennen, en zij zullen zich tot Hem bekeeren, opdat Jehova over de gansche aarde Koning zij, en Zijn banier wappere onder alle volken. (Jesaja 11 vers 10). Vrede en welvaart zullen alom heerschen, en de Messias zal onder de menschen wonen. De eeredienst in den tempel zal op luisterrijke wijze hersteld worden, en de wet allerwegen betracht worden. Niet alleen de uit de verstrooiing teruggekeerde Israëlieten zullen in de heerlijkheid dezes rijks deelen, maar ook zij, die gestorven zijn. Dezulken zullen uit hun graf verrijzen en mede het genot smaken van de zegeningen der Messias-regeering, want de hoogste gelukzaligheid is aller deel. De aarde is een stuk hemel geworden Somtijds werd de duur van dit rijk wel als lang, maar niet als eeuwig gedacht. In dit geval verwachtte men aan het einde der tijden een wereldvernieuwing en het laatste gericht.
9. De gedachte eener vernieuwing der wereld steunt o.m. op Jesaja 65 vers 17. Deels „liet" men de nieuwe wereld aan het begin, deels aan het einde van den Messiaanschen tijd aanbreken. Over de wijze, waarop de oude wereld zou „vergaan", liet men zich in den regel niet uit. Aan een vernietiging door vuur heeft men in later tijd wel gedacht.
10. Vóór het laatste gericht zal de opstanding der dooden plaats hebben. Over het algemeen stond het geloof in de opstanding onomstootelijk vast ; alleen de Sadduceën loochenden haar. Met betrekking tot den „tusschenstaat" nam men in den regel een scheiding tusschen rechtvaardigen en onrechtvaardigen aan. Beiden verkeerden in een voorloopigen toestand : van zaligheid of van ellende. Evenals bij verschillende andere onderwerpen, zijn ook hier zooveel variaties en bijzonderheden, dat wij daarop hier niet nader kunnen ingaan.
11. Het laatste oordeel zal of een eeuwige zaligheid, of een eeuwige verdoemenis brengen. Zulks uiteraard alleen naar de beschouwing van hen, die het laatste oordeel na beëindiging van het Messiaansche rijk verwachtten, en die dit rijk een begrensden duur toeschreven. Men zie hetgeen werd opgemerkt bij punt 8. Bij de overigen valt het gericht saam met de vernietiging der Gode vijandige machten, welke vóór het aanbreken van het rijk van den Messias geschiedt.
Na deze beschouwing zal bij vergelijking met die in ons vorig artikel het verschillend karakter van beide opvallen. De verwachting in het heidenland was weinig concreet en niet écht profetisch georiënteerd. Het nieuwe werd daar wel „aangevoeld", maar het verlangen daarnaar wortelde niet in Gods bijzondere openbaring. Bij Israël daarentegen was de verwachting theologisch gericht. Dit volk had God Zijn Woord gegeven. Derhalve kon het weten, wat er in de toekomst gebeuren en wat Hij wrochten zou. Dit neemt echter niet weg, dat dit volk Gods openbaring veelal heeft misverstaan, en dat de verschijning van den werkelijken Messias tot een conflict leiden moest, waarover wij in het volgend artikel iets hopen te zeggen.
D.
d. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's