HET DOOPSFORMULIER
INLEIDING.
I. Liturgie. (Vervolg).
In de oud-Christelijke Kerk was onderscheid tusschen den dienst der prediking en den dienst van het Avondmaal. Zij, die in de gemeenschap der gemeente begeerden opgenomen te worden door belijdenis des geloofs en doop, mochten niet alleen niet aan het Avondmaal deelnemen, maar het was hun zelfs niet geoorloofd bij de bediening van het Avondmaal tegenwoordig te zijn. Wanneer de predikdienst afgeloopen was en de dienst van het Avondmaal zou aanvangen, sprak de voorganger : it, missa est. Deze woorden beteekenden, dat de samenkomst ten einde was en de catechumenen moesten heengaan.
Later heeft men dit woord missa (een zelfstandig naamwoord, gelijk aan missio = heenzending) toegepast op den dienst als zoodanig en sprak men van de missa catechumenorum, waarin ook de aanstaande lidmaten een plaats hadden, en van de missa fidelium, de dienst, waarin alleen de geloovigen tegenwoordig waren.
Nadat de heidenwereld, waarin de Christelijke Kerk aanvankelijk verscheen, gekerstend was, viel dit onderscheid weg. Er waren geen catechumeni meer in den ouden zin van het woord, heidenen, die den doop begeerden en door den doop in de gemeente wenschten opgenomen te worden. Maar met de missa catechumenorum verviel helaas ook de predikdienst; alleen de Avondmaalsdienst bleef over, en wijl meer en meer de offergedachte in het Avondmaal op den voorgrond trad, kwam in dezen dienst het eigenlijke Avondmaal op den achtergrond en ontwikkelde zich deze dienst tot den misdienst, zooals die nu nog in de Roomsche Kerk gevonden wordt.
Onze Heid. Catechismus verstaat onder de paapsche mis bepaaldelijk het opofferen van de in het lichaam en bloed van Christus veranderde teekenen van brood en wijn op het altaar in dezen dienst, maar eigenlijk moet onder dit woord ook heel den dienst verstaan worden, waarin deze offerande een plaats heeft.
Zoo alleen kan verklaard worden, dat Luther niet tot afschaffing van de mis wil overgaan, maar tot een hervorming, een reiniging daarvan. Wijl Luther van de Roomsche offergedachte niet weten wil, verwerpt hij dus ten eenenmale de mis, zooals onze Catechismus daarvan spreekt, en toch behoudt hij de mis en blijft van de mis spreken, omdat hij onder dit woord den dienst verstaat, zooals die rondom de mis geordend was.
Het geschrift, waarin Luther tot een liturgische ordening van den Protestantschen eeredienst overgaat en dat hij in de herfst van 1523 uitgeeft, draagt daarom tot titel: Formula missae et communionis pro ecclesia Vittebergensi, d. i. formulier van de mis en het Avondmaal voor de gemeente van Wittenberg. Overeenkomstig de methode van Luther, sluit hij zich zooveel mogelijk bij den Roomschen dienst aan, zuivert alleen den afgodischen zuurdeesem uit, ruimt opnieuw in den dienst een plaats voor de prediking in, ofschoon hij het evenmin afkeurt, als men een predikdienst aan de mis wil laten voorafgaan en laat het Avondmaal weer in het centrum getrokken worden, dat het in de Roomsche Kerk had moeten inruimen voor de offerande van Christus' lichaam en bloed. Behalve voor de prediking, is het Latijn in dezen dienst behouden.
De ontwikkeling van de Protestantsche Kerk schrijdt echter voort. Luther kon bij het voorgaande niet blijven staan. In 1526 komt het tot de uitgaaf van zijn Deutsche Messe, waarin het Latijn uit den dienst verwijderd wordt en de landstaal ook bij het zingen der liederen in eere komt. Maar zoó groot is de gehechtheid van Luther aan het oude, dat een Latijnsche dienst niet alleen in de week gehandhaafd blijft, maar ook de inrichting van de Duitsche dienst zich zooveel-mogelijk bij den Roomschen misdienst aansluit.
Ten gevolge van deze methode van Luther ter reformatie van den eeredienst, heeft Luther er in zekeren zin geen behoefte aan gehad zich rekenschap te geven van den zin van dezen eeredienst om in overeenstemming daarmede tot een nieuwe liturgische oriënteering ten opzichte van den eeredienst te komen.
Het verschil tusschen het Luthersche en het Gereformeerd Protestantisme treedt hier duidelijk aan den dag. Dit laatste is veel radicaler te werk gegaan; het heeft zich niet tevreden gesteld met een uitzuivering van afgodische elementen, maar is tot nieuwen opbouw van den eeredienst overgegaan. Zwingli heeft hier den stoot gegeven. Het kenmerkende van deze beweging is, dat de prediking des Woords het centrale punt van den dienst wordt. De liturgische ordening van den misdienst vervalt nagenoeg geheel. Aan de prediking gaat bij Zwingli slechts het votum met het gebed vooraf, terwijl na de prediking de algemeene schuldbelijdenis met absolutie, het slotgebed en de zegen volgt. Het Avondmaal is door Zwingli naar enkele afzonderlijke diensten in de lijdensweek verschoven.
De ordening van den eeredienst door Calvijn verschilt slechts in onderdeden van die van Zwingli, want ook voor hem staat de prediking des Woords in het centrum. Bij hem gaat echter de belijdenis van zonde en schuld aan de prediking vooraf, terwijl de absolutie in Geneve is weggelaten, anders dan in Straatsburg, waar deze wel een plaats had in den eeredienst. Calvijn voert echter in onderscheiding van Zwingli een Zondagsavondmaals viering in, vier keer in het jaar, ofschoon hij een maandelijksche Avondmaalsviering niet verwerpelijk vond.
Hoe eenvoudig echter deze grondlijnen van den Protestantschen eeredienst der Gereformeerde Kerk ook zijn, duidelijk komt in het stellen van vaste lijnen aan den dag, dat men den eeredienst niet aan den willekeur van den voorganger wil overgegeven zien. Men wenscht een vaste orde, een vaststaande liturgie voor den dienst, maar eene, die geheel in overeenstemming is met den zin en het doel van dien dienst. Vandaar, dat alles, wat in dien dienst een plaats vond, meer en meer liturgisch werd geordend. Voor Doop en Avondmaal en huwelijk, voor de bevestiging van de ambtsdragers en de bediening van de christelijke ban, zocht men naar vaste vormen. Zonder zich op die vormen blind te staren en vasthoudende aan de vrijheid van de Christelijke Kerk, heeft men nochtans ook in die vaste vormen een uitdrukking gezocht voor de eenheid der Christelijke Kerk. Voor de opbouw der nationale Kerk is een blijvende vaste liturgie van den eeredienst onmisbaar gebleken.
In de eerste eeuw der Hervorming was men echter zoó door den strijd ter handhaving van de Schriftuurlijke waarheid in beslag genomen, dat er voor een aparte bezinning op het wezen van den Protestantschen eeredienst en op den bouw van een daarmede overeenstemmende liturgie geen plaats was. Daarna heeft men schijnbaar weinig de behoefte daaraan gevoeld, want om nu maar in ons Vaderland te blijven, de eeredienst heeft de grondlijnen bewaard, die in de Reformatie zijn getrokken, maar van een verdere opbouw of uitbouw was geen sprake.
Trouwens, er zouden ook spoedig stroomingen doorbreken, voor wie de liturgie van den eeredienst een onbeduidende zaak was. Van het Oosten kwam het piëtisme, van het Westen het methodisme ons Vaderland binnen. Deze beide stroomingen hebben hier elkander de hand gereikt en zijn meestal samen versmolten. De Kerk en het kerkelijk leven zijn hierdoor meermalen in de verdrukking gekomen. Van de Kerk had men hier een andere opvatting dan de Hervormers. Meestal zag men haar als een bekeeringsinstituut. Heel de dienst ging op in de prediking. Tusschen een kerkelijken dienst en wat men tegenwoordig een evangelisatiesamenkomst zou noemen, zag men geen verschil. De prediking diende om de menschen ernstig te vermanen tot bekeering en geloof. De ware geloovigen behoefden eigenlijk niet ter kerk te gaan. Maar 't was beter dat zij het deden, om der wille van de anderen, die buiten waren, opdat deze nog onder het net kwamen. Velen hebben echter de conclusie getrokken, dat de geloovigen vruchtbaarder samen konden komen, wanneer zij onderling vergaderden. De kerk was voor de groote massa ; het gezelschap voor de bekeerden. Er zijn nog tal van plaatsen in ons Vaderland, waar deze gedachte in de Kerk bij kerkelijk meelevende menschen sterk nawerkt. En als tal van onkerkelijke personen erkennen, dat zij onder de prediking in de kerk tot bekeering zijn gekomen, dan moet men hen niet van inconsequentie beschuldigen, wijl zij die Kerk verlieten, want dat verlaten van de Kerk hangt ten nauwste samen met de bovengenoemde stelling, dat de Kerk er is om de onbekeerden tot bekeering te roepen, maar dat daarmede haar taak ook is afgeloopen.
Na deze stroomingen kwam het rationalisme en het supranaturalisme het kerkelijk leven ondermijnen. De vruchten daarvan waren gelijk aan die van het modernisme, waardoor ook het kerkelijk leven in verachting gekomen is bij een groot deel van ons volk. Waardoor onderscheiden zich toch de modernen van de andere groepen ? Waren zij vromer of rechtzinniger dan de anderen ? Neen, maar zij gevoelden zich de verlichten tegenover degenen, die in allerlei bekrompen gevoelens een schuilplaats zochten. Maar zulke verlichte menschen kunnen ten slotte beter een wetenschappelijk boek lezen of een dagblad, dat op de hoogte is, dan altijd naar een preek te luisteren. Voor een eeredienst is hier geen plaats. Liturgie wordt hier niet dan sleurdienst, die men beter kan laten vallen. Onnoemelijke schade is door deze stroomingen aan den kerkelijken zin van ons Protestantsche volk toegebracht.
In de vorige eeuw zijn velen overtuigd geworden van de geestelijke armoede, die het rationalisme en het intellectualisme hebben gebracht. Het gevoel vroeg opnieuw zijn rechten, ook het religieus gevoel, en herkreeg het. Zelfs het modernisme is aan deze wending des geestes niet geheel ontkomen. Allerwege wordt thans de behoefte gevoeld aan een nieuwe oriënteering ten opzichte van den eeredienst en de liturgie van den eeredienst. Een liturgische beweging zelfs brak door. Maar de voorzichtigheid moet hier betracht worden. Want het subjectivisme, dat met Schleiermacher in theologie en Kerk overheerschend is geworden, oefent nog zijn kracht en doet zich ook in de beschouwing van den eeredienst en de liturgie gelden. In den eeredienst krijgt het subject, de gemeente, een overheerschende plaats; heel de dienst is dienst der gemeente. De liturgie wordt een symbolische uitdrukking van het geloof en de aanbidding der gemeente.
Hiertegenover moeten wij vasthouden aan de reformatorische gedachte, dat in den eeredienst de Gemeente komt voor Gods aangezicht en dat de Heere der Gemeente daar met Zijn Gemeente samenkomt. In den dienst, waartoe men samenkomt, dient de Gemeente haar Heere en Meester. Hij is de eerste, en wijl wij gelooven, dat Hij in het midden Zijner Gemeente zich vertegenwoordigt en openbaart, moet den nadruk op die stukken van de liturgie vallen, die door het geloof erkend worden als openbaringsvormen des Heeren, d.i. de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten. De erkenning van de ambten, door welke de ambtsdragers in den naam des Heeren hun werk doen, is hier onmisbaar.
Breeder mogen we in een inleiding hier niet op ingaan. Maar voor een recht verstaan van den Doop en het doopsformulier is het noodig zich weer in het kerkelijk bewustzijn der Hervormers te verplaatsen. De inhoud van dit formulier wordt gedragen door een bepaalde beschouwing van den eeredienst en zijn liturgie.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's