KERKELIJKE RONDSCHOUW
HULDE AAN Dr. SNETHLAGE
Zooals men weet, is de zaak van de communistische predikanten, die in preek en lezing de toestanden in Sowjet-Rusland als ideaal voorhielden, bij de Synode van 1936 aan de orde gesteld en ook door haar behandeld. De Synode heeft zich niet door allerlei redeneering — waarin zeker elementen van waarheid zaten — van de zaak zelve laten afleiden en zij heeft de kwestie aanhangig gemaakt bij de Kerkelijke besturen, waaronder dr. Snethlage (Class. Bestuur van 's-Hertogenbosch) en ds. Boers (Class. Bestuur van Leeuwarden) ressorteeren. Het Classicaal Bestuur van Leeuwarden (in meerderheid vrijzinnig) heeft ds. Boers voor drie maanden geschorst en het Classicaal Bestuur van 's-Hertogenbosch heeft op dr. Snethlage het eerste tuchtmiddel, genoemd in artikel 7 Regl. Kerkelijk Opzicht en Tucht, toegepast en heeft hem een berisping gegeven.
Wij zijn over de handelwijze van de Synode en van onze Kerkelijke Besturen in deze tevreê. Wat gedaan kon worden, is gedaan, en het is op waardige wijze gedaan èn in Den Haag èn in Leeuwarden èn in 's-Hertogenbosch.
Wat dr. Snethlage betreft wordt in de Pers nu meegedeeld, dat deze een brief geschreven heeft aan het Classicaal Bestuur, waarin hij het volgende bericht (gedateerd 30 November '36) :
„Naar aanleiding van ons onderhoud op 18 November j.l. en uw mij toegezonden brief no. 186, heb ik de eer u mede te deelen, dat ik zooveel mogelijk aan uw wenschen en bezwaren tegemoet zal komen. Daartoe heb ik de volgende maatregelen getroffen : 1. heb ik bedankt voor het eere-praesidium van de Vereeniging „Vrienden der Sowjet-Unie" ; 2. heb ik verzocht mij niet langer als woordvoerder der Vereeniging te beschouwen en als zoodanig aan te kondigen; 3. heb ik opdracht gegeven, mijn naam af te voeren van de lijst der vaste medewerkers van het weekblad dezer Vereeniging, getiteld : Rusland van heden, ook wel verschijnend onder het hoofd „dit of dat") ; zal ik mij in het vervolg zeer matigen in het aantal spreekbeurten, dat ik op mij neem. Een groot aantal spreekbeurten heb ik reeds afgezegd. Ik heb uit uw brief niet opgemaakt, dat het uwe bedoeling zou zijn, mij geheel het zwijgen op te leggen aangaande de groote brandende vraagstukken van onzen tijd, hetgeen — naar ik meen — ook al te zeer in strijd zou zijn met het karakter en de beginselen der Ned. Hervormde Kerk. Wel spreek ik den wensch uit, dat, indien ik in het vervolg nog publicaties mocht laten verschijnen, deze niet meer als propaganda zullen worden beschouwd, doch uitsluitend naar haar innerlijk waarheidsgehalte beoordeeld zullen worden.
Overigens blijf ik te allen tijde bereid, met elke aanwijzing, die u te mijner kennis mocht brengen, nauwkeurig rekening te houden”.
Wij willen hier een woord van hulde spreken aan dr. Snethlage voor zijn royale houding in deze aangelegenheid. Men mag niet vergen, dat hij in eens al z'n principia loslaat. En daarover valt natuurlijk op rustige wijze nog wel een en ander te zeggen. Maar dat hij zich zóó gedraagt nu in deze kerkelijke procedure, vinden we prijzenswaardig. Eere wien eere toekomt.
Dat de inrichting van ons kerkelijk leven spoedig zóó worde, dat deze en dergelijke dingen op kerkelijke wijze zullen kunnen behandeld worden, waarnaar eigenlijk ieder in de Hervormde Kerk begint te verlangen, gelijk ook bij de breede polemiek over de zaak van de communistische predikanten openbaar geworden is. Want deze zaak viel in een tijd — zooals ds. Touw van Eerbeek schrijft — „waarin allerwege de Kerk zich begint te schamen over haar karakterlooze Kerkorde en zich opnieuw gaat bezinnen op haar inrichting. Het wordt in deze jaren snel Communis opinio, dat de Kerkorde gewijzigd moet worden. Terwijl nog niet zoo lang geleden leidende figuren alle leertucht afwezen, schijnen de zaken een keer te nemen. Er komt nu schot in de reorganisatie". Zoo is het !
ZIJN DE MODERNEN NOG MODERN?
Op het Congres van Vrijz. Hervormden, te Utrecht gehouden, waar verschillende stemmen gehoord werden vóór de reorganisatie, schijnt dr. Horreüs de Haas, de vrijzinnige predikant van Zwolle, die zich nauw verwant voelt aan de S.D.A.P., op 't laatst heftig te hebben gefulmineerd, om de vrijzinnigen te bezweren zich toch niet op sleeptouw te laten nemen door de orthodoxen en zichzelf te blijven. Hij stelde tenslotte voor een eigen Commissie te benoemen om de reorganisatievoorstellen te bestudeeren en met een eigen plan straks te komen. Hij beriep zich daarbij op een besluit van de Vreeniging van Vrijz. Hervormden, op de jaarvergadering van 1923 te Arnhem genomen. In die resolutie van 1923 kwam men op voor : een Volkskerk met vrijheid van godsdienstige overtuigingen.
Dr. O. Noordmans, de scherpzinnige dominé van Laren (G.), die onlangs honoris causa (als een zaak van eer) tot doctor in de theologie is bevorderd, neemt in „Kerkopbouw" eigenlijk een beetje een loopje met die motie-Horreüs de Haas. Hij zegt : het is om een concentratie van de Vrijzinnigen te doen ; maar dat zal waarschijnlijk in dit geval heel moeilijk, misschien wel onmogelijk zijn ; wie de debatten op 't Congres te Utrecht en daar buiten gehouden, gevolgd heeft, zij mij in deze misschien gelijk willen geven. Maar dan zegt hij verder : nu is een resolutie opgehaald uit het jaar 1923. En nu leven we in 1936. Hier tusschen liggen dertien jaren, die tot de meest bewogene uit de wereldgeschiedenis mogen worden gerekend. De Kerk is daarbij aan alle kanten zoozeer betrokken geweest. Hoe is het mogelijk, dat de Vrijzinnigen, van wie men toch niet kan zeggen, dat ze met de geschiedenis van den dag niet meeleven, de resolutie van Arnhem in 1923 nu pas „uit het vergeetboek" ophalen ?
Heel „modern" is het niet, om net te doen alsof de laatste dertien jaar er niet geweest zijn. De modernen gaan toch niet terug naar een verouderd wereldbeeld ? Gelukkig is er óók bij vele modernen een bezinning op Kerkorde.
Dr. Noordmans zegt daarvan : „Dat deze dingen niet stilgelegen hebben in het vrijzinnige kamp, blijkt uit niets zoo duidelijk als uit de referaten en discussies op het Utrechtsche Congres van dit jaar. Er heeft sedert 1923 een geweldige opschuiving plaats gehad. Ik zal niet zeggen „naar rechts", want daar gaat het niet om. Maar van het genootschap, de vereeniging, naar de Kerk”.
„Wel werd ook daar nog de opvatting vernomen, dat de Kerk-als-instituut een vereeniging is, maar dit geluid ging bijna verloren. Voor ds. Klaar ligt het Kerkrecht tenslotte gefundeerd in het mysterie der Kerk, in Christus. Ds. Klein Wassink hoort in het woord „handhaving" de groeiende vastberadenheid om getrouw te blijven aan het wezen der Kerk. Ds. Los legt er nadruk op, dat de Kerk een karakter heeft en vraagt om een belijdenis met handhaving door tucht. En ds. Vink wil den socialen en cultureelen arbeid der Kerk onder diaconaal gezichtspunt zien en dit verankeren in de transcendente deel van het Koninkrijk Gods". „Uit dit alles lijkt, dat de ideeën marcheeren. Sedert 1923 in versnelden pas". „Men mag misschien verhoeden" — en ik hoop het — „dat de vrijzinnigen bezig zijn den overgang van het genootschap naar de Kerk met ons te voltrekken. Veel radicaler dan op zuiver dogmatisch gebied heeft hier een principieele verandering plaats gehad”.
Dr. Noordmans zegt dan verder, dat juist in de laatste dertien jaar zich allerlei geweldige dingen ten opzichte van de wereld en van de Kerk hebben voorgedaan. „We staan midden in een wereldbrand, waarvan we vermoedelijk nog maar de eerste symptomen aanschouwden. En nu doet het ons zoo vreemd aan als de genootschapsidee nog eens in ons midden verschijnt. Een Volkskerk zonder mysterie, zonder wezen, zonder belijdenis, zonder diaconaat. Waarin iedere wind van leer, uit welken hoek ook, vrij spel heeft. Wij meenden, dat onze tijd grondig opgeruimd had met de absurde gedachten, dat onze Kerk een stichting zou kunnen zijn van Willem I". „Wij hadden gedacht, dat de dertien eschatologische jaren, die achter ons liggen, ons althans van zulke oppervlakkigheden hadden bevrijd”.
„Dat onze Hervormde Kerk voorbestemd zou zijn om in de genootschapsgedachte onder te gaan en zich op te lossen in een godsdienstige vereeniging, kan ik niet gelooven. Ook de ontwikkeling der ideeën in het vrijzinnige kamp wijst in andere richting. Er is een teruggrijpen op Christus als het eenig fundament”.
Aan het slot van zijn artikel zegt dr. Noordmans : intusschen blijft het verwonderlijk, dat de vrijzinnigheid een heelen winter juist een motie-Horreüs de Haas gaat overwegen. Het besluit van het Congres kan ik niet anders zien dan als een reactie in pregnanten zin : een crisis. De genootschapsgedachte wordt nog eenmaal wakker om dan, naar we hopen, tot haar 19de eeuwsche vaderen vergaderd te worden. „Ik hoop niet, dat de vrijzinnigen zich dezen winter slechts op één, maar op twintig eeuwen Kerkgeschiedenis zullen bezinnen”.
HET BEGINSELLOOZE COMMUNISME EN SOCIALISME
We leven in een merkwaardige tijd. De levenszee is in beroering. De golven gaan hoog. Gevaren dreigen van alle kanten. En de bewijzen zijn voor 't grijpen, dat alleen hechte, vaste beginselen waarde hebben. Anders slaan we telkens uit de koers en er komt niets van terecht. Daarom is het zoo aan te bevelen, om te zoeken naar de eeuwige beginselen, welke God ons geopenbaard heeft in Zijn Woord, ook voor ons politieke leven en voor onzen maatschappelijken arbeid van 't grootste gewicht !
Zie eens op de Communisten en de Socialisten hoe ze in de moeite komen en hoe ze nu 't eene na het andere maar over boord werpen om te redden, wat er nog te redden is !
Het Fascisme grijnst hen aan. En nu worden ze onrustig. Ze zoeken naar hulp en bijstand. Ze willen vriendschap sluiten met allen, van wie ze maar eenigszins beveiliging mogen verwachten tegen het fascistisch gevaar. Anders gaan ze er aan ! Zie maar op Duitschland en op Italië. De groote bezem wordt daar gehanteerd en de communisten en socialisten worden als een hoop vuil op één hoop geveegd en dan : in 't vuur. Weg er mee! David Wijnkoop, de jood-atheïst-anarchistcommunist-bolsjewist, is een held op sokken. Als er gevaar dreigt vraagt hij, de groote schreeuwer, om „een glaasje water'*. Dat herinneren we ons van vroeger nog. De nacht van 3 op 4 December 1936 voegt weer een lauwerkrans toe aan zijn eereteekenen als held in de benauwdheid. Toen heeft hij deze merkwaardige verklaring afgelegd in de Tweede Kamer :
„Nu de Minister in de Memorie van Antwoord mededeelt, dat de concentratie-commissie binnenkort met haar rapport gereed zal zijn — misschien is het gereed — acht mijn partij het moment gekomen om harerzijds een verklaring af te leggen in verband met het bijzonder onderwijs. Ik wil vaststellen, dat wij te allen tijde en overal zijn opgekomen voor volledige godsdienst-en gewetensvrijheid en dat wij tegenstanders zijn van iedere geloofsonderdrukking en vervolging.....
Bedreigd wordt de godsdienst-en gewetensvrijheid, ook in Nederland, door het fascisme. Op grond van dit feit lijkt het ons noodig uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ten aanzien van deze quaestie stelling te nemen. Wij zijn voorstanders van gemeenschappelijken strijd, zoowel van de geloovige als van de niet-geloovige deelen
der Nederlandsche volksmassa's tegen het fascisme ; ook omdat het de vrijheid van godsdienst en overtuiging met vernietiging bedreigt
M. de V. ! Ten einde dezen gemeenschappelijken strijd tegen het fascisme van alle democratische groepeeringen, ongeacht godsdienstige of andere overtuiging, onzerzijds te bevorderen en om mede te werken alle belemmeringen daartoe uit den weg te ruimen, hebben wij besloten onze houding ten opzichte van de wet betreffende de financieele gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs te herzien, en van verderen strijd tegen die wet af te zien”.
Aldus de communist David Wijnkoop in het middernachtelijk uur van 3 op 4 December 1936 in de Tweede Kamer betoogend.: dat de communisten ten allen tijde en overal zijn opgekomen voor volledige godsdienst-en gewetensvrijheid en dat zij tegenstanders zijn van iedere geloofsonderdrukking en vervolging.
Wat een held op sokken ! Om zóó z'n eigen beginsel en langdurige practijken te verloochenen, om maar hulp te krijgen in het verweer tegenover het fascisme ! De communisten zullen „den verderen strijd tegen de financieele gelijkstelling in zake het lager onderwijs afzien" — om maar hulp te krijgen in het verweer tegenover het fascisme !
In het verkiezingsprogram van 1933 (waarlijk nog niet zoo lang geleden) stond : „verbod van godsdienstonderwijs in de scholen aan leerlingen beneden de 18 jaar" — wat èn voor de Openbare Scholen, maar óók voor de Christelijke Scholen gold !! En in het politieke program van de Communistische partij in Nederland staat als eisch : „verplicht, kosteloos openbaar onderwijs" en verder : „geen enkele financieele of andere steun aan het Bijzonder onderwijs". Wat een houding dan nu ! Nu geen strijd meer over de pacificatie op onderwijsgebied. Wat treurige helden zijn die communisten, die hun beginsel verkoopen als hun positie gevaar dreigt.
Wij behoeven zeker niet te zeggen, dat niemand, zegge niemand aan deze „bekeering" ook maar één oogenblik geloof hecht en dat er geen enkele politieke partij ook maar in 't minst vertrouwen in stelt.
Naast de Communisten staan de Socialisten. Die zien óók het gevaar van het Fascisme. Die zijn niet bang voor Rusland. De Bolsjewisten zouden heimelijk en misschien ook wel in 't openbaar worden gesteund en blij begroet, hoewel men natuurlijk z'n fatsoen ook nog wel een klein beetje wil dekken. Maar Duitschland ! Als de geesel van het Nationaal-Socialisme eens kwam over Nederland ! De Socialisten hier krijgen reeds kippenvel. En handhaven ze nu hun beginsel inzake de nationale ontwapening ? Zeggen ze nu ook, dat Nederland geen leger, geen militairen noodig heeft ? Dat we wel kunnen volstaan met politieposten ? Zeggen ze nu nóg : „Geen man en geen cent voor leger en vloot ? " Dat is eigenlijk hun beginsel. Maar ja — wat zijn beginselen ! Een, twee, drie gaat het beginsel over boord. „Albarda's bekeering" stond met groote letters in de courant. Een Socialistisch rapport is verschenen. En de meerderheid is nu vóór bewapening, voor nationale bewapening ! Wel zal ditmaal de stem nog niet gegeven worden aan de Defensiebegrooting, maar voor de bewapening van Indië zal men reeds medewerking verleenen. Zoo „verburgerlijkt" ook de Socialistische Democratische Arbeiders Partij ! Vanwege de veiligheid en vanwege de eventueele samenwerking met de burgerlijke partijen, om samen een Volksfront te maken tegen het Fascisme.
Met het Communisme schermt de een, met het Fascisme schermt de ander. Maar een eigen Christelijk-nationaal beginsel heeft men niet. Een Christelijk-historische actie wil men niet. Van een Christelijke, antirevolutionaire politiek wil men niet weten. Men komt met allerlei dingen aandragen, waarachter en waarin geen beginselen zitten, dan die van de Revolutie. En men redeneert egoïstisch, uitziende naar wat eigen partij voordeel kan brengen. Een beginsel daarbij op te offeren en over boord te werpen is een kwestie van tactiek. Maar we zijn niet zoo dwaas, dat we zoo'n „bekeering" ernstig nemen. Straks, als de stukken op het schaakbord weer anders komen staan, keert men tot z'n revolutionaire, antichristelijke beginselen en practijken weer terug ! Let er maar eens op !
Neen, noch het Communisme, noch het Socialisme, noch het Fascisme kan ons Volk en Vaderland het goede brengen. We zullen moeten handelen en wandelen naar de oude, beproefde beginselen en we zullen een Antirevolutionaire of Christelijk-historische politiek moeten voeren, als mannen en vrouwen van sta-vast ! Tot de Wet en de Getuigenis. Ook nu !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's