MEDITATIE
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijnen schouder, en men noemt Zijnen Naam: „Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst!" Jesaja 9 vers 5.
„Het komt, het lang-verwachte heil! De eeuw des heils breekt aan!" Zoo heeft het eene geslacht der heidenen tot het andere geroepen. Maar wat er eigenlijk komen zou en hoe het zou komen, zie, dat wist het Heidendom niet. Alleen hoopte dat Heidendom, dat het zou brengen den sleutel der mysteriën in ons, rondom ons en boven ons. Zoo heeft het Heidendom eeuw in, eeuw uit gehoopt, al dieper wegzinkend in den zwarten nacht van de donkere schaduwen des doods.
„Hij komt, de Silo, de Heiland! De eeuw des heils breekt aan!" Dat is te midden van vloek en dood, van weedom en smart de kreet der hope geweest, die het eene geslacht van Israël nog stervend overgaf aan het andere geslacht.
De profeten hebben Hem gezien in hun geest en Hem voorzegd in hun profetie! Israels verwachting was op den toegezegden Persoon gevestigd in tegenstelling met die van het Heidendom, dat wel iets verbeidde, doch niet wist, hoe 't zou zijn.
Lezer of lezeres, de adventsklokken luiden in deze donkere dagen voor Kerstmis en in hun luiden klinkt de Naam van Jezus, den eenigen Verlosser van dood en van graf, van zonde en van schuld. Zijn Naam is de sleutel voor de bange mysteriën van hoofd en van hart; in Hem alleen is het heil voor uw bange ziel. Zijn Naam is de sleutel tot het ontfermende hart van den Almachtigen God; Dat zeggen u de namen. Hem van ouds reeds gegeven.
Dat zeggen u ook de namen, in het tekstwoord boven onze meditatie genoemd. Een Kind is ons geboren, maar dat Kindeke is toch „Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid en Vredevorst". Denk niet, dat die geboorte als hulpeloos Kindeke u niets heeft te zeggen. Het heeft troost voor uw hart, als ge met David leerdet klagen : „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen”.
Het heeft troost voor uw ziel, als ge waarlijk belijdt met de Schriften, dat de vloek en het doemvonnis Gods nog teruggrijpen tot achter uw geboorte, ja, tot de ure van uw ontvangenis toe. Als de zwarte schaduwen van uw erfzonde uw ziel benauwen, dan ligt er vertroosting in het feit, dat de Heere Jezus Christus als een hulpeloos Kindeke tot deze aarde kwam. Want daardoor is alle zonde en schuld van Gods kind bedekt, al klaagt ook zijn hart:
’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf, Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren ; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toorn, Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af. Gelooft ge dat ? Zoo ja, dan word' opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd en in uw geest de ware rust herboren.
Maar dan moet ge dat Kindeke, dien gegeven Zoon, ook waarlijk kennen als Wonderlijk en Raad, als sterke God, als Vader der eeuwigheid en Vredevorst. Zijn Naam zal wezen „Wonderlijk". „Wonderlijk" ! Reeds om de wijze Zijner verschijning op aarde. Hij, God uit God en Licht uit Licht, als een hulpbehoevend Kindeke in een schamele beesten-kribbe.
Wie Zijn verlossende macht aan de ziel heeft ervaren, komt niet uitgedacht over de diepte Zijner ontferming en den rijkdom Zijner genade, die Hem bewoog zulk een vernedering in te gaan en zulk een smaad te dragen. Die ziet in de wondere geboorte van zijn Heiland een even diep mysterie van onvolprezen liefde als in het zwijgen van dien zelfden Christus onder den hoon van Zijn tegenpartijders.
„Wonderlijk"! Dat juicht in uw ziel, dat schreit in uw hart —doch alleen, wanneer gij u zelf als een dood-en doemwaardig zondaar door dien Christus weet gered. „Wonderlijk"! — dat belijdt uw mond, als het u een onbegrepen wonder is, dat diezelfde Heiland, temidden van uw ontrouw, trouw bleef en de hand niet van u aftrok, als ge vielt en Hem oorzaak gaaft door uw zonden om u voor eeuwig te verstooten.
Zijn Naam zal ook zijn „Raad". „Men zal Hem zoo noemen", zegt Jesaja. Wie is die „men", die Hem zoo heeten zal ? Dat is niet de mensch, die nog meent zichzelven te kunnen redden. Wie ten opzichte van de zaligheid zijner ziel nog eenige wijsheid of kracht vindt bij zichzelven, gaat Jezus voorbij.
Zoo noemt Hem ook niet het hart, dat nog om wijsheid vraagt aan de kinderen der wereld, aan de zonen en dochteren onzer verlichte eeuw. Er is geen raad voorhanden voor de nooden uwer ziel dan bij Jezus alléén. Geen raad tegen de zonde, die den wortel van uw leven heeft aangetast en vergiftigd, dan bij Hem alleen.
Hij is van alle eeuwigheid geweest in den Raad Gods en daarom kan Hij alleen raad geven aan het fel-geprangde hart. Hij raadt u, als uw hart door schuld en zonde is verslagen, om hulp te zoeken bij Zijn kruis en in Zijn handen te zien de teekenen der nagels en het teeken van den speerstoot in Zijn zijde. Hij geeft raad, maar Hij volvoert ook dien raad. Hij geeft u den raad om den Booze te wederstaan, maar Hij geeft u ook de kracht, als ge naar Zijn raad die kracht biddend van Hem verwacht. Hij geeft u raad naar ziel en lichaam beide, raad voor den tijd, raad voor de eeuwigheid, die ge tegenreist.
Hij geeft u ook kracht en wil uw kracht zijn. Want Zijn Naam is ook: „sterke God". „Sterke God"! Kent ge Zijn sterkte, de sterkte Zijner verlossende macht ? Hij is zoo sterk, dat graf noch dood iets vermogen tegen een iegelijk, die in Hem gelooft. Wel werd Hij door den Dood voor een korte wijle neergedrukt, maar niet overweldigd.
De Dood kon Hem niet houden, omdat Hij Zich vrijwillig gaf aan den Dood. Hij is de sterke God, Die al Zijn volk dwars door een leger van machtige vijanden voert tot den vrede en de rust van het hemelsch Kanaan. Sterke God, want Hij heeft den Satan zijn vang ontnomen en niemand zal één der Zijnen rukken uit Zijn hand.
Hij is ook de Vader der eeuwigheid, en daarom ligt de verlossing Zijns volks vast in de eeuwigheid en niet in den tijd. Het plan hunner verlossing is reeds vastgelegd in den eeuwigen Raad des Heeren. Maar daarom is ook dit aardsche aanzijn, hoe kort het moge zijn, voor een ieder van Zijn volk lang genoeg om behoudenis te vinden voor zijn arme ziel. Ik wil er dit mede zeggen, dat niemand bang behoeft te zijn, dat de Heere te laat zal komen met Zijn heil, want Hij behoeft het besluit niet meer te nemen tot redding en verlossing. De reddende genade — wij zeiden het reeds in den aanvang onzer meditatie — strekt zich uit tot achter het moment der geboorte, ja tot achter het tijdstip der ontvangenis. Toch was reeds de naam van een ieder der verlosten geschreven in het boek des Levens des Lams.
Hij is ten laatste ook de Vredevorst. Van dien vrede zong reeds in Ephrata's velden het lied van de Engelen. Van dien vrede zingt nog Zijn volk in den hemel, ook als de wijzer van de wereldklok het middernachtelijk uur voor deze wereld zal aanwijzen. Dan zal het vrede zijn voor al Zijn volk. Vrede onder een nieuwen hemel op een nieuwe aarde. Hier verdrukking, daar zaligheid. Hier het zwaard, daar de kroon. Dan gaat ten volle het Koninkrijk in van vrede en recht, waarvan Hij de eeuwige Vredevorst is. Dat Koninkrijk, waartoe de ellendigen behooren, die door Zijn arm uit hun lijden zijn gerukt.
Dat Koninkrijk, waarin allen Hem zullen brengen de lof, de dankzegging en de aanbidding tot in alle eeuwigheid toe.
Harderwijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's