MEDITATIE
Het rijsje uit den afgehouwen tronk van Isai.
Want daar zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen en op Hem zal de Geest des Heeren rusten: de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des Raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heeren.
In bovenstaand tekstwoord wordt allereerst aangewezen de diepe vernedering, die de Zone Gods bij de vleeschwording zou ondergaan.
Zijn verschijning op aarde zou zijn als een rijsje, dat voortkomt uit een afgehouwen tronk, als een scheute uit een wortel.
Het geslacht, waaruit de Messias zou geboren worden, zou van alle uitwendige heerlijkheid beroofd zijn. Dit wordt nog nader aangeduid door het feit, dat niet David genoemd wordt, maar Isaï. David was de groote koning van Israël, maar wie was Isaï: een onbekende in het Israël van zijn dagen.
Eens was het geslacht van David een fiere ceder gelijk, toen het rijk zich uitstrekte van de beek van Egypte tot ver in Syrië, toen de pracht van Salomo tot ver over de grenzen bekend was geworden. In de volheid des tijds zou het zoo echter niet zijn. Dan zou het geslacht van David gelijk zijn aan een afgehouwen tronk, zonder eenige koninklijke waardigheid of glorie.
Hoe treffend is dit woord der profetie in vervulling gegaan. De geheele geboortegeschiedenis spreekt van eenvoud niet alleen, maar zelfs van grenzenlooze armoede. Denk het u eens in, wat het zeggen wil, dat een vrouw, die moeder zal worden, in de bange ure een onderdak moet zoeken in een stal, enkele uren te voren door de kudde verlaten.
Onaanzienlijk voor het oog zou de verschijning van den aan de vaderen Beloofde zijn. Diep, ja zeer diep moest de Zone Gods zich vernederen. Maar juist in die diepe vernedering ligt zulk een lieflijk evangelie, door Paulus ons beschreven : „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden”.
Hij, de Zone Gods, was rijk: een voedsterling bij God, dagelijks spelende voor Zijn aangezicht. Rijk was Hij in goddelijke glorie, eer en aanbidding. Maar al die heerlijkheid heeft Hij vrijwillig verlaten. Hij is arm geworden. Zoó zelfs, dat de vleeschwording in de nederigste omstandigheden moest plaats vinden. En later moest Hij klagen : De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet om het hoofd op neder te leggen. En aan het eind van Zijn leven had Hij zelfs geen doodsbed: het kruis was Zijn stervenssponde.
Zoo arm moest Christus worden om ons te verlossen van onze armoede en ons met rijkdom te vervullen. Hoe ernstig moet onze zonde dan wel voor God zijn, dat zulk een diepe vernedering van den Zone Gods noodig was om ons daarvan te kunnen verlossen. Maar hoe groot is dan ook onze wereldschgezindheid, als wij op zulk een zaligheid zoo weinig acht geven!
Naast de beschrijving van de diepe vernedering van den Zone Gods, treffen we in bovenstaand woord nog een aanduiding aan van de Geest, die op Hem zou rusten.
Het is ons als worden we hier geplaatst voor de zevenarmige gouden kandelaar, die eens in het heilige van den tabernakel en later van den tempel was geplaatst. Uit de middelste arm van den kandelaar, spruiten de drie andere armen voort. En zoo wordt ons nu ook hier geteekend hoe de Geest des Heeren op den Christus rustte. Die Geest wordt ons dan nader geteekend in de drie paar geestesgaven, die den Christus sierden: de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der^kennis en der vreeze des Heeren.
Werd in het eerste gedeelte van het tekstwoord geteekend de nederige afkomst naar het vleesch van Christus, thans wordt beschreven hoe Christus naar Zijn menschelijke natuur zou worden toegerust, om als volkomen Middelaar Zijn volk met God te verzoenen.
Op Hem zal de Geest des Heeren rusten. Van de profeten des Ouden Verbonds lezen we herhaaldelijk, dat de Geest des Heeren over hen kwam. Hij sprong als 't ware op hen, dreef hen eenigen tijd voort. Maar met den Christus zou het zoo niet zijn. De Geest des Heeren zou op Hem rusten, niet maar voor korten tijd, maar gedurende Zijn gansche omwandeling. De aankondiging van de geboorte door Gabriel aan Maria sprak er reeds van: „De Heilige Geest zal over u komen en kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen". Van de eerste ontwikkeling van het kind Jezus lezen we : „En het kindeke wies op en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid en de genade Gods was over Hem". Duidelijker nog is van de zalving met den Heiligen Geest sprake bij den doop in de Jordaan. Daar daalde de Geest Gods op Hem neder, terwijl de stem des Vaders uit den hemel klonk: „Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb". Voorwaar, de Geest Gods rustte op Hem. Daarom wordt Hij ook de Christus, de Gezalfde genaamd. Hij is gezalfd tot Zijn drievoudig ambt van profeet, priester en koning, om hierin als Middelaar en Zaligmaker Zijn Kerk te dienen en te verlossen.
We willen nu echter ook eens letten op de aanduiding van Jesaja aangaande de werkingen van den Geest Gods in Christus. Daar wordt dan allereerst genoemd: de Geest der wijsheid en des verstands. Met dien Geest der wijsheid wordt bedoeld de gave om tot het wezen der dingen door te dringen. Dat kunnen wij menschen sedert de zondeval in het paradijs niet meer. Wij zien aan, wat voor oogen is. God ziet het hart aan. Bij Christus is de Geest der wijsheid : daarvan getuigen alle woorden, door Hem gesproken. Maar bij Hem is ook de Geest des verstands: dat is het onderscheidingsvermogen, waarmede Christus alle dingen gadeslaat. Wat Hij op grond van Zijn wijsheid als het wezen der dingen ziet, beoordeelt Hij naar den Geest des verstands. Deze beide Geesteswerkingen zijn dus wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. Christus wordt hier dus aangeduid als de kenner der harten en de oordeeler der gedachten. Welk een rijkdom, zulk een Christus te kennen, die zich niet door uitwendig: vertoon laat misleiden, maar die Zijn gekenden recht zal doen wedervaren!
Het tweede paar Geesteswerkingen wordt door Jesaja genoemd : de Geest des raads en der sterkte. Christus heeft ons den Raad Gods tot redding van zondaren verkondigd, zoowel door de woorden, die Hij tijdens Zijn omwandeling zelve sprak als door den mond van de Godsmannen onder Oud-en Nieuw Verbond. Bij Hem is echter niet alleen de Geest des Raads maar ook der Sterkte. Dat heeft Hij getoond door de wijze, waarop Hij het kruis heeft gedragen en de schande veracht. Maar dat toont Hij nog, wanneer Hij niet alleen een onkundig volk onderwijst in den weg des levens, maar hen met onwederstandelijke kracht al weenend en smeekend doet komen voor Zijn Troon : den genadetroon.
Ten slotte wordt ons nog gemeld, dat op Hem zal zijn de Geest der kennis en der vreeze des Heeren. In Christus zijn alle schatten van wijsheid en kennis verborgen. Niemand heeft ooit God gezien: „De eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders was, heeft Hem ons verklaard." Hij zegt het geweldige woord : „Gelijkerwijs de Vader mij kent, ken Ik ook den Vader. Bij Christus is ook de Geest van de vreeze des Heeren. Steeds was Hij vervuld met diep ontzag voor de majesteit en de aanbiddelijke goedheid des Heeren. Daarom kon Hij in het Hoogepriesterlijk gebed zeggen : „Ik heb U verheerlijkt op de aarde, Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.”
Een helder licht scheen onder het Oude Verbond van de Kandelaar in het heiligdom. Maar veel heerlijker schijnt het licht van Christus in het midden van de gemeen; te des levenden Gods. Geve God, dat wij iets van het ware licht des levens uit Christus mogen zien stralen op den heerlijken Kerstdag!
Nijkerk
V. d. Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's