De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VOLHEID DES TIJDS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VOLHEID DES TIJDS

11 minuten leestijd

IV. DE VLEESCHWORDING DES WOORDS.
„En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond „(en wij hebben Zijne heerlijkheid „aanschouwd, eene heerlijkheid als „des Eeniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid". Johannes 1 vs. 14.
Cur Deus homo? Waarom werd God mensch? Bij de beantwoording van deze vraag zullen wij ons niet begeven in scholastieke speculaties, doch ons wenden tot de Heilige Schrift, die alleen een antwoord op deze vraag geven kan. Alleen in het licht van Gods openbaring is het ons mogelijk iets te zeggen over het mysterie van de vleeschwording des Woords. Allicht overschrijdt het menschelijk verstand de streep, die God het gesteld heeft. Vandaar, dat wij het veiligst gaan, wanneer wij ons houden bij de gegevens, die de Heilige Schrift biedt. Maar die zullen dan ook tot zijn recht moeten komen.
Wanneer wij ons met de vraag, die ons bezig houdt, wenden tot velen, dan zal het eerste en dikwijls het éénige antwoord zijn, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.
Uiteraard mogen wij hiertegen geen bezwaar maken, want het antwoord is gefundeerd op des Heeren Woord, zooals het in 1 Timotheüs 1 vers 15 luidt. Bij deze beantwoording mogen we echter niet blijven staan. De Schrift zegt méér.
Zij zegt elders, dat de Zoon des menschen gekomen is om zalig te maken, dat verloren was (Mattheüs 18 vs. 11 en Lucas 19 vs 10). God heeft geen zondaar, die inderdaad verloren is, verloren, maar door de zonde is Zijn werk in zijn heerlijkheid aangetast. En daarnaar blijft Gods liefde uitgaan. Vandaar, dat Gods Woord op zoovele plaatsen spreekt over de wereld. In Johannes 4 vers 42 wordt de Christus de Zaligmaker der wereld genoemd. Elders heet Hij het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. (Johannes 1 vs. 29). God heeft Zijn Zoon niet gezonden, opdat Hij de wereld veroordeelen zou, maar opdat de wereld zou behouden worden door Hem. Hij is gekomen om de wereld zalig te maken. Men zie Johannes 3 : 17 en 12 : 47). En Johannes 6 vs. 33: Want het brood Gods is Hij, die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft”.
Wij zouden deze opsomming kunnen uitbreiden, maar genoegzaam moge het uit de aangehaalde Schriftwoorden blijken, dat de vleeschwording des Woords geenszins uitsluitend en alleen betrekking heeft op het zalig maken der Zijnen, maar dat Zijn werk ook beteekenis heeft voor de wereld als zoodanig. Hij is niet alleen een verzoening voor de zonden der Kerk (met een hoofdletter). Hij is ook een verzoening voor de zonde der geheele wereld. Dat zegt de Heilige Geest in 1 Johannes 2 vers 2.
Wordt dus de geheele wereld zalig? Gered? Verlost?
In de beteekenis, die wij meestal aan het woord „zalig" hechten : neen!
Overeenkomstig den zin, dien de Heilige Schrift er aan geeft : ja ! Dit moge aan de hand van het volgende duidelijk worden.
Dat al het geschapene in Christus is gefundeerd en zonder Hem er niet zijn zou, wordt zeer duidelijk uitgesproken in Colossensen 1 vs. 16 en 17. Er is een relatie tusschen het heelal en Hem, Die het geschapen heeft. Het bestaande is niet alleen door Hem, maar heeft ook in Hem zin en doel. Onmis­kenbaar is de beteekenis van den Zoon voor de wereld, voor den kosmos, zooals er in het Grieksch staat. In zijn Kommentaar op deze plaats zegt prof. Van Leeuwen: „Dat het geschapene bestaat zóó als het bestaat, dat het niet wegzinkt in het niet, is om Zijne betrekking tot het geschapene ; dat de geschapen wereld niet een zinneloos, onsamenhangende veelheid van verschijnselen is, niet een chaos, omgeven van eeuwige duisternis, een chaos die zichzelf vernietigt, maar een kosmos, waarin orde, verband en wet is, dat is omdat het alles in Hem zijn bestand heeft ; niet slechts blijft het in aanzijn, maar het bestaat als systeem, als geordend geheel in Hem Dit zijn geen kosmische speculaties, maar uitspraken, die beteekenis hebben voor het leven des geloofs”.
God, de Heere heeft de schepping, die goed door Hem geformeerd is, lief. Zooals de kunstenaar iets van eigen wezen legt in zijn werk, zoo had God iets van Zichzelf uitgedrukt in Zijn schepping, welke als geheel bestemd was om des Makers heerlijkheid alom uit te stralen en te doen schitteren.
In die schepping vormde de mensch als beelddrager Gods het hoogtepunt. „Onder alle schepselen dezer aarde vermag alleen de mensch in Gods gemeenschap ook kennisse Gods te doorleven. Hij alleen kan zich verkoren weten tot een priesterschap, dat hem op het altaar der liefde Gods het offer zijns levens doet brengen". 1)
Schepping en mensch beide had God lief, omdat Hij er in de vervulling van Zijn Raad een grootsche bedoeling mede had. Alles moest juichen tot Zijn eer.
Omdat niet de mensch, maar God regeert, daarom zal de zondedaad van den mensch Gods doel niet verstoren. Dat zou te veel macht zijn toegeschreven aan een schepsel. God handhaaft Zijn Raad en zal dien vervullen, ondanks het feit, dat de mensch in Zijn werk trachtte in te grijpen. Krachtens de liefde, die God heeft voor eigen werk, kon Hij de schepping niet aan het verderf prijs geven, maar overeenkomstig Zijn bestel zal Hij de verstoorde harmonie herstellen, opdat eenmaal gansch de menschheid instemme met het lied, dat ter Zijner verheerlijking wordt aangeheven. Den dichter van den ouden dag was het reeds vergund in de onbewegelijkheid en onwankelbaarheid van Gods Raad te blikken, toen hij zong:
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Zijne gunstbewijzen. Naar Zijn gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.
Strekt dus Gods liefde zich in het algemeen uit tot dé schepping als geheel, in zeer bijzonderen zin is dit het geval tot degenen, die Christus van den Vader gegeven zijn. Zij zijn de schat, die zich in den akker der wereld bevindt. Zoodat de Christus den geheelen akker koopen moet om dien schat te verkrijgen. In het licht van Gods Raad heeft de wereld dus wel degelijk beteekenis, omdat zij draagster is van Gods uitverkoren gemeente. 2)
Teneinde aan de Goddelijke gerechtigheid genoeg te doen, werd God in Christus mensch. Wijl de zonde der menschheid alleen kon worden weggenomen door zulk een, die waarachtig en rechtvaardig mensch was (Zondag 6, Heidelb. Catech.), daarom kon alleen de tweede Adam, de hemelsche mensch, deze taak, die voor geen schepsel mogelijk was. op Zich nemen. Als Hoofd van alle dingen rustte op den Christus de taak de zonde der wereld weg te nemen. Hij alleen kon dat. Gods gerechtigheid kon Zijn werk niet laten varen, zoodat God zelf moest ingrijpen, opdat schepping, menschheid en Kerk hun doel niet missen zouden.
Al wordt dus door Christus' vleeschwording, door Zijn lijden en sterven, de zonde der wereld weggenomen, Gods wil genoeg gedaan en de voltooiing van Gods Raad veilig gesteld, — dan wil dit nog niet zeggen, dat nu ook alle menschen zalig worden. De straf op de zonde voltrekt zich en het oordeel der gerechtigheid blijft gehandhaafd.
Gods Raad zal dus door de zondedaad van den mensch in eeuwigheid niet zijn verstoord. De zonde, die Zijn bestel trachtte te verijdelen, zal teniet gedaan worden. Door Christus' gehoorzaamheid aan den wil des Vaders zal de gemeente des Heeren, Christus' lichaam. Zijn Bruid, in eeuwigheid verkondigen de deugden Desgenen, Die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Doch óók zij, die niet begrepen zijn onder degenen, die in Christus Jezus zijn uitverkoren, vóór de grondlegging der wereld, zullen, alhoewel verloren. Zijn majesteit erkennen en Zijn gerechtigheid eeren. 3)
Ja, elk der vorsten zal zich buigen En vallen voor Hem neer, Al 't heidendom Zijn lof getuigen, Dienstvaardig tot Zijn eer !
Ter verwezenlijking dezer harmonie werd God mensch.
De vleeschwording des Woords staat niet op zichzelf. Al is de verschijning van den Heere Jezus Christus het centrale feit der wereldgeschiedenis, dit neemt niet weg, dat zij in de voorafgaande historie door allerlei middelen en langs velerlei wegen is voorbereid.
Reeds in de schepping is de Logos, naar het Johannes-evangelie, de uitvoerder van het Goddelijk bestek.
Voorts is Hij aller menschen licht en leven.
Ook na den val verlicht Hij een iegelijk mensch, komende in de wereld.
In 't bijzonder openbaart Hij Zich in Israël, dat bij den Sinaï als Gods volk wordt geinstitueerd en van andere volken afgescheiden wordt. Door theophanie,
profetie en wonder verschijnt Hij hen.
Ook de profetische arbeid is door Hem gewrocht, wijl Hij Zich gestalte gaf in het bewustzijn der profeten. Hier neemt de Logos de menschelijke natuur niet aan, zooals bij de vleeschwording, hoewel toch de Geest van Christus zich woning maakt in een menschenhart.
Uit al deze factoren bemerken wij, dat de Christus in het Oude Testament reeds komende is. De vleeschwording is dan ook een feit, dat niet los van het verleden plaats vindt. Ook in de schemering openbaart God Zijn Raad. Ook in de schemering is het lichtend spoor van Hem, die geschaduwd was op Israels altaren. Ook is in de schemering de sprake van den dag, waarop de zon eeuwig staan zal in haar zenith.
Van het begin der tijden af aan was Christus komende en Hij kwam eindelijk in „de volheid des tijds" voor goed in de menschheid, en maakte door Zijn vleeschwording woning in haar. Ook op dit laatste dient in onze dagen sterk de nadruk gelegd te worden.
Het Woord heeft onder ons gewoond! Letterlijk staat er eigenlijk: in een tent gewoond. Hetgeen wijst op de vertrouwelijke betrekking die Het met het menschelijk geslacht heeft onderhouden. Iemand zegt ergens : „Het is alsof Johannes zeide : „Wij hebben aan dezelfde tafel gegeten en gedronken, onder hetzelfde dak geslapen, tezamen gewandeld en gereisd. Wij hebben Hem gekend als zoon, broeder, vriend, gast, burger. Hij is tot aan het einde getrouw gebleven aan den weg, dien Hij door vleesch te worden betreden had”.
Wanneer men tegenwoordig óók met opzicht tot den Christus wel het accent wil ïaten vallen op het Oud-Testamentisch getuigenis: „God is in den hemel en gij zijt op de aarde", dan miskent men de beteekenis van de vleeschwording des Woords, die juist daarin gelegen is, dat Hij met Zijn Goddelijke heerlijkheid present geweest is in de historie. Dagelijks heeft Hij in den tempel gezeten en ons God, dien wij uit onszelf niet kennen kunnen, verklaard. Het Woord heeft onder ons niet maar geflikkerd, doch gewoond ; Het heeft een katheder bezet en ons God geëxegetiseerd. 4)
Geen wonder, dat niemand aan het feit van de vleeschwording des Woords kan voorbijgaan. Ieder zal zijn houding jegens den Christus moeten bepalen. Niemand ontkomt aan den eisch, dien Hij stelt. Geen sterveling zal het antwoord op de vraag : „Wat dunkt u van den Christus" kunnen schuldig blijven. Zoodat ieder, die in welbewust verzet zich van Hem afkeert, de gevolgen daarvan zal hebben te dragen.
Hij was in de wereld ! Daarom kon niemand Hem voorbijgaan en negeeren Zalig echter degenen, die Hem kennen en de kracht Zijner opstanding. Zij ook zullen wel dit Kerstfeest wederom medevieren, doch weten, dat al het uitwendig geschitter dezer dagen ijdelheid is, en dat in de waarachtige kennis van Hem, die niet alleen vleesch werd, doch ook over dood en graf door Zijn opstanding heeft getriumpheerd, het eeuwige leven en vrede is. „Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”.


1) Dit wordt typisch geïllustreerd door het feit, dat alleen in het Evangelie naar Johannes het woord „wereld" 58 maal voorkomt.
2) Dr. H. Visscher, De Schepping I, Zwolle, z. j., blz. 10.
3) Een breedere uitwerking, dezer gedachten kan men vinden bij dr. J. Severijn, Het Profetisme, Kampen, z. j. En : Dood en Opstanding in : Genade voor Genade, 4 April 1928.
4) Dr. K. Schilder, Wat is de hemel? Kampen 1935, blz. 62. En: Bij Dichters en Schriftgeleerden, Amsterdam 1927, blz. 147.
D.
d. Z.

VERBETERING :
De op één na laatste alinea van ons derde artikel leze men aldus :
Bij de apostelen is dan ook later de crisis, waarvan hier sprake was, opgelost, wijl zij de profetie zagen in het Messiaansche licht, dat de Christus ontstoken had.

Op het woordje opgelost, dat uitviel, komt het hier juist aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE VOLHEID DES TIJDS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's