De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

HET KERSTFEEST
Het Kerstfeest is bij ons — en onder alle christenvolkeren — het meest ingeburgerd. Bijna in alle huizen wordt aan het Kerstfeest gedacht of althans de naam van dit feest genoemd. Door de Kerstboom, en de laatste jaren door de radio, komt het Kerstfeest bijna in ieder huis, ja op straat ; op de pleinen en de grachten ; ook tegenwoordig in de groote stations en postkantoren, op de beurs en in de kroeg. De Kerstliederen worden gespeeld op het carrillon van stadhuis en kerktoren, en zoo klinken ze door de straten en over de boulevards. En kleinen en grooten, armen en rijken, luisteren er naar ; velen neuriën de liederen mee. „Stille Nacht", „Hoe zal ik U ontvangen", „O, Kerstnacht, schooner dan de dagen" ; „Daar is uit ^s werelds duist're wolken" en „Eere zij God in den hooge" — zijn welbekende liederen, die nu door velen met graagte worden gehoord, óok door velen, die overigens niet zooveel aan den godsdienst „doen" — zooals zij zeggen. Met Paschen en Pinksteren staat dat inderdaad anders. Dat zijn voor talloos velen uitgaansdagen, vrije dagen, feestdagen als vacantiedagen — maar over het Paaschfeest en 't Pinksterfeest hoort men dan onder de volksmenigte weinig praten. Het Kerstfeest is veel meer „populair" dan eenig ander feest.
Typisch is, dat nu juist het Kerstfeest het jongste van de feesten is. Paaschfeest is veel ouder en Pinksteren ook. In den eersten tijd van het Christendom werd over het Kerstfeest niet gesproken. En hoe wonderlijk dit, op het eerste aanhooren, wellicht velen aandoet, toch is het, wanneer we den loop der dingen nagaan, wel te begrijpen.
Wanneer „men" zegt, dat het niet vieren van het Kerstfeest in de eerste Christengemeenten een bewijs is, dat men toen niet geloofde in de geboorte van Jezus Christus uit de maagd Maria, dan voelen we dadelijk, dat dit de grootste dwaasheid is. Want de eerste Christengemeente is niet pas later dat verhaal van Bethlehem gaan fantaseeren. Neen, als er één ding van den beginne afaan vaststond, dan was het de geschiedenis van Lukas 2. „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en we hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den ééniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid", was van het begin afaan en altijd weer de inhoud van de Evangelie-prediking.
Maar we kunnen ons toch wel voorstellen, dat voor de jonge Christelijke Kerk het feit van de opstanding uit de dooden, het feit van het lijden en sterven van den Heiland, als Verlosser, en Zijn wondere verrijzenis uit het graf aan den morgen van den derden dag — dat dat feit het groote, het geweldige, het heerlijke feit was, dat alles overtrof ; en dat de Kerk èn voor zich zelf én tegenover de wereld daaraan 't meest vasthield. Hij, die dood geweest was, was uit de dooden opgestaan en daarin was Hij krachtiglijk bewezen Gods Zoon te zijn.
De opstandingsdag werd dan ook dadelijk de groote dag ; de zevende dag moest wijken voor den eersten dag. De Zondag kwam als van zelf voor héél de Christenheid. En met Paulus predikte men overal : Jezus Christus en die gekruisigd ; Jezus Christus, die dood geweest is, maar die nu leeft en nu zit aan de rechterhand des Vaders, vanwaar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden !
De menschheid van den Heiland kende men algemeen. Aan de Godheid werd door ieder buiten de Gemeente getwijfeld. En daarom kwamen Golgotha en Jozefs hof meer vóóraan te staan dan Bethlehem. Midden in den geloofsstrijd ging het voor den christen om Zijn waarachtige Godheid, om Zijn opstanding uit het graf, waarin Hij krachtiglijk bewezen was Gods Zoon te zijn. En algemeen leefde de Christelijke Gemeente bij Zijn goddelijke heerlijkheid, voor 't heden èn voor de toekomst !
Daarom kunnen we ons best voorstellen, dat de eerste christenen er veel eer toe kwamen om jaarlijks te gedenken met Paschen de opstanding van den Heiland ; en dat zóó het Opstandingsfeest het eerste en het voornaamste christelijke feest is geworden bij de eerste christenen.
Maar langzamerhand, toen de Godheid van Christus geloofd en beleden werd, begon men aan Zijn menschheid te twijfelen of daaraan tekort te doen. Is Hij, die waarachtig God is, wel echt mensch geweest? Bij Zijn hoogheid en heerlijkheid als Gods Zoon paste dat niet — meenden sommigen. En zoo is niet de eerste ketterij en dwaling geweest, dat, men leerde, dat de Heiland niet waarlijk God is geweest, maar dat Hij niet waarachtig mensch is geweest. En toen was er reeds lang het Paaschfeest, dat ook bij de Joden het groote feest was. Maar het Kerstfeest was er nog niet. Dat is van veel lateren datum.
Er kwam nog iets bij, dat de viering van het Paaschfeest des te gemakkelijker maakte en dat aan de viering van het Kerstfeest in den weg stond. Men wist de juiste datum van de geboorte niet.
Over de opstanding was geen verschil. De opstanding van den Heiland, die op Golgotha gestorven was op den Vrijdag vóór 't Pascha, was opgestaan aan den morgen van den derden dag. En dus was de eerste dag der week de opstandingsdag. Daarover heerschte geen verschil. Maar met de geboorte van den Heiland stond het anders. Wanneer was dat geweest ? In welke maand van het jaar en op welken dag ? Men wist het niet.
Er werden dan ook verschillende datums genoemd, toen het Kerstfeest aan de orde kwam. De een sprak van 28 Maart, een ander van 3 April, een derde van 20 April, weer een ander van 20 of 21 Mei, zelfs werden 18 of 19 November genoemd. Maar het juiste wist men niet en een gangbare datum was er niet.
Onze Kerstdatum, 25 December, ontbreekt onder de oudste datums die genoemd werden. En er zijn er velen tegenwoordig, die der zake kundig zijn en zeggen, dat 25 December zeer stellig niet de goede datum is. Want we lezen in onzen Bijbel — en daaraan hebben we ons te houden — dat de herders in het veld waren, dag en nacht ; de herders met hun kudde ! En dat zal wel niet 't geval zijn geweest in den regentijd, wanneer in 't Oosten de regen bij stroomen neervalt ; niet in den wintertijd, wanneer het veel te koud is ; maar in het voorjaar of den zomer.
Wanneer wij dus met Kerstfeest spreken van „besneeuwde landschappen" en van „lieve kerkjes met verlichte vensters temidden van dwarrelende sneeuwvlokken", dan weten we zeker, dat het zóó in Efratha's velden niet is geweest, toen de Heiland geboren werd.
De oude Kerk heeft dan ook meest datums gezocht in het voorjaar, dat zich veel beter laat rijmen met het Kerstverhaal van Lukas 2.
De datum van 25 December werd reeds in 221 na Christus genoemd, maar die dag zelf gaat dan zonder eenige feestviering voorbij. Paaschfeest was er wel. Kerstfeest nog niet. Het Kerstfeit was er wel, maar het Kerstfeest was nog niet ingeburgerd.
Zoo is het gebleven tot het jaar 354 na Christus. De strijd tusschen Arius, die de Godheid van Christus loochende, en Athanasius, die de Godheid van Christus verdedigde, ligt dan achter ons. Het Concilie van Nicéa heeft in 325 een beslissing genomen, welke ons in de Belijdenis van Nicéa bewaard is gebleven, waar van den Heiland getuigd wordt : „God uit God, Licht uit Licht, geboren en niet gemaakt”.
En dan krijgen we, dat in 354 te Rome voor het eerst Kerstfeest gevierd wordt, waarbij dan óók komt „het Kerstkindje in het kribje in de beestenstal" ; wat Bisschop Liberius zeer heeft bevorderd.
Noch de Kerk in het Oosten, noch de Kerk in het Westen heeft de eerste eeuwen het Kerstfeest gevierd. Nog eens, niet omdat men niet geloofde de Kerstgeschiedenis van Lukas 2. Want dat alles stond voor de Gemeente des Heeren van den beginne afaan vast en was boven allen twijfel verheven. Maar men had er geen behoefte aan. Het Paaschfeest leefde, en dat was genoeg.
Bisschop Liberius heeft het Kerstfeest in 354 in het Westen, in Rome, gevierd. En in het Oosten is het Chrysostomus, de „gulden mond" of „de welsprekende" geweest, die.te Constantinopel als de pleitbezorger voor het Kerstfeest is opgetreden in 386 na Christus. In een opzettelijk daaraan gewijde prediking beval hij de viering van des Heilands geboorte op 25 December aan, in navolging van Rome.
Zóó werd dus pas in de 4e eeuw na Christus' geboorte het Kerstfeest door Zijn Gemeente gevierd. En toen stond de Kerk met „het overwinnend Christendom" midden in een wereld, waar de heidensche feesten werden gevierd, ook „het lichtfeest" in den donkersten tijd van het jaar, met de vreugd van „het overwinnend licht, dat sterker is dan de duisternis". Het feest, als „de zon zich wende" en de kortste dag voorbij was en de dagen weer begonnen te lengen. En voor dat heidensche „lichtfeest", dat aan de zon gewijd was, is in de plaats gekomen, in den donkersten tijd van 't jaar, het Kerstfeest, het feest van het Licht der wereld ; het feest van de Zonne der gerechtigheid ; het Licht van Jesaja 9 ; het Licht der wereld, dat komt tot de volkeren :
Daar is uit 's werelds duist're wolken Een Licht der lichten opgegaan, Komt tot zijn schijnsel, alle volken ! En gij, mijn ziele, bid het aan ! Het komt de schaduwen beschijnen. De zwarte schaduw van den dood. De nacht der zonde zal verdwijnen. Genade spreidt haar morgenrood !
Wat heil ! Een Kind is ons geboren, Een Zoon gegeven door Gods kracht ; De heerschappij zal Hem behooren. Zijn last is licht, Zijn juk is zacht. Zijn naam is Wonderbaar, Zijn daden Zijn wond'ren van gena alleen. Hij doet ons, hoe met schuld beladen, Verzoend voor 't oog des Vaders treên !
O Vredevorst I Gij kunt gebieden Den vreed' op aard en in mijn ziel; Doe alle zondaars tot U vlieden, Dat al wat ademt voor U kniel' ! De God des heils zal vast bewerken, Dat Hij den zetel, U bereid, Met recht en met gericht zal sterken, Hem zij de lof in eeuwigheid !

HET GEBED VóóR DE PREDICATIE IN DE CONSISTORIEKAMER.
Wij hebben het altijd gewaardeerd, in al de gemeenten waar we zelf predikant waren of waar we een predikbeurt waarnamen, als in de consistoriekamer de broeders van den Kerkeraad bij elkaar kwamen om dan samen in 't gebed te gaan vóór dat de dienst des Woords een aanvang nam. Natuurlijk zijn er dan soms eigenaardigheden, waaraan men, vooral als jong dominé, eerst wennen moet ; maar de hoofdzaak is, dat men het in den Kerkeraad met elkaar vinden kan en dat men saam één doel en één streven voor oogen heeft : om voor de Gemeente het goede te zoeken naar uitwijzen van Gods Woord. Want als dat ontbreekt, dan is het soms onbehagelijk in de kerkekamer, wat vooral hinderlijk is, als men gereed staat den kansel te beklimmen om het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen of het Sacrament te bedienen. Dan moet alle „geharrewar" verre blijven.
Daarom moet het vlak vóór de preek ook niet zoo'n echt „kletscollege" worden, waarbij 't over alles en nog wat gaat en deze en gene nog eens even over de tong gaat. Er gaan verhalen, dat de uitslag van een voetbal wedstrijd nog niet voldoende besproken was, toen de dominé helaas ! naar de preekstoel moest, omdat het méér dan tijd was.
Wij laten dat alles nu verder liggen. Een voorrecht achten wij het, als men in de consistoriekamer vóór de preek samenkomt „als broeders één". Dan kunnen we ook samen in 't gebed gaan. Waarbij het de meest aangewezen weg is, als een van de broeders ouderlingen vóórgaat. Het komt dan 't meest uit, dat we het dan samen doen en wel als raad der Kerk, waarin de ambtsbroeders zitting hebben om saam de nooden en de behoeften van de Gemeente aan den Heere op te dragen. En dan des Zondags saam bijzonder te gedenken aan de Kerkedienst, aan den dominé, aan de Gemeente, aan de prediking, aan de Sacramentsbediening. Wat kan dat voor den dienaar des Woords en der gebeden tot sterking zijn ! Om met ootmoed vervuld, in diepe afhankelijkheid, vertroosting en bemoediging te ontvangen in den kring der broederen, wat straks tot zegen voor de Gemeente is !
Nu moeten we natuurlijk bedacht zijn op allerlei misvattingen en verkeerde neigingen. Zoo mag een „broeder" ouderling het gebed in de kerkekamer niet gebruiken, om den dominé onaangenaam te zijn en hem te treffen met allerlei hatelijkheden. Dat is zóó onwaardig, dat we er eigenlijk geen woord verder over behoeven te zeggen. Het gebed mag niet misbruikt worden, noch aan 't adres van den dominé, noch aan 't adres van een „broeder" van den Kerkeraad enz.
Zoo mag een ouderling 't gebed niet misbruiken om eens goed te laten voelen dat hij „bekeerd" is, maar dat de dominé „onbekeerd" is. Verschrikkelijk is dat !
Een ander gevaar is, dat het gebed te lang gemaakt wordt. Dan wordt alles veel te laat en loopt in de war. Bovendien worden dan dikwijls allerlei dingen in 't gebed gebracht in de kerkekamer door den ouderling, die in het „groote gebed" in de kerk thuis hooren ; b.v. het bidden voor de zieken, voor de Zending, voor de onverschilligen die niet ter kerk gaan, enz. enz. Dat hoort in het gebed in de kerkekamer, hoe goed ook bedoeld, niet thuis. Dat hoort thuis in het gebed, dat de Dienaar des Woords, die ook dienaar der Sacramenten en der gebeden is, straks in het midden der Gemeente doen zal.
Wat dan wèl in 't gebed in de kerkekamer thuis hoort ?
Het behoort een kort, ernstig en hartelijk gebed te zijn namens al de broeders voor den dienst des Woords, die gereed staat aan te vangen. En aangezien de predikant daarbij de gansche leiding zal hebben, zal het gebed zich moeten samentrekken op den dienstknecht des Heeren, die gereed staat het Woord te ontsluiten en het Evangelie te prediken, waarbij gedacht moet worden aan de Gemeente, die wachtende is, dat de knecht des Heeren, met den Kerkeraad, zal binnentreden. Onder broeders, die recht staan voor God en voor elkander, zal dus het gebed in de consistoriekamer kort, ernstig en hartelijk moeten zijn, levend in de behoefte en sprekend uit de vervulling, om dan niet voor allerlei te bidden (wat straks komt in de kerk), maar alléén voor den dienst des Woords.
Dan zal men danken voor de groote voorrechten, die de Gemeente mag genieten, en men zal bidden voor den dienaar des Woords om opening te vragen van de Schriften en ontsluiting des harten voor de waarheid ; biddende, dat het Woord op de rechte wijze mag worden gebracht met overtuiging en liefde, met ernst en met duidelijkheid ; biddende, dat het Woord, dat gebracht zal worden, ingang moge vinden in de harten der hoorders, tot vermaning en vertroosting, tot ontdekking en tot verzadiging, tot bekeering en tot volmaking ; biddende om den opbouw der Gemeente en om een Kerk, die staan mag als een pilaar en vastigheid der waarheid, als een kaars op de kandelaar, als een stad op een berg ; biddende om 's Heeren nabijheid in Zijn huis, waar de Gemeente vergaderd is ; biddende, dat alles mag uitloopen tot eer van Gods Naam !
Als dat kort, ernstig, hartelijk gedaan wordt, is het gebed in de consistoriekamer een groot voorrecht.
Wij hebben er zelf meer dan eens een zegen door ontvangen.
En we denken maar niet aan die enkele keeren, dat we ons geërgerd hebben. Om 't kwade moeten we het goede niet verachten, verwerpen of nalaten.

DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (8)
In het boekje „Wezen en taak der Kerk", een bundel opstellen van Vrijzinnige predikanten in de Hervormde Kerk, komt vervolgens (hoofdstuk 9) een artikel voor van de hand van ds. D. Bakker over „De Eenheid der Kerk in haar Christus-belijdenis". Het is merkwaardig wat deze (links)moderne dominé over Christus en de Christus-belijdenis schrijft. Hij zegt ongeveer :
„Er moet éénheid zijn in de Kerk bij al de verscheidenheid ; aan de verscheidenheid moeten grenzen zijn ; er is voor ongelegitimeerd subjectivisme geen plaats in de Kerk. De Kerk is christelijk van karakter ; orgaan niet van een vage universeele religie, maar zeer speciaal van de christelijke godsdienst. Wie zich tot de Kerk rekent te behooren, heeft dus een keuze gedaan. En dat raakt het diepste geheim van onze persoonlijkheid. Maar het Christendom is geen statische grootheid, maar zijn wezen is dynamisch van aard. Dat een Middeleeuwer onder het wezen van het Christendom iets anders verstond dan de moderne mensch thans doet, spreekt vanzelf.
Maar wat is nu de éénheid bij de verscheidenheid ?
De belijdenissen' verschillen nog al en de moraal eveneens. Daarom moeten we terug naar de Oorsprong, en dat is : een persoonlijk levensbeeld, Jezus Christus. Maar ook het N.-Testamentische Christusbeeld is geen éénheid. De eerste drie Evangeliën en dat van Johannes verschillen nog al. Alles moet zéér kritisch worden beschouwd. De wetenschap heeft hier het laatste woord. Wat voor een groot deel der orthodoxie niet aanvaardbaar is. Daar bouwt men z'n geloof op „heilsfeiten", die „eenmaal geschied zijn". Verliezen ze die, dan verliezen ze den grond van hun geloof.
Er zijn ook theologen, die hier een dubbelslachtige houding aannemen ; die wel historische kritiek aanvaarden, maar van te voren het feit van de historiciteit van Jezus daaraan onttrekken. Dat is een hinken op twee gedachten. Men geeft het inspiratie-geloof. prijs en wil toch het geloof laten steunen op historische overlevering. Een minimum van gegevens wordt voor de kritiek veilig gesteld. Maar men verwaarloost dan de grenzen van weten en gelooven, als men op gronden van innerlijke, geestelijke ervaring concludeert tot het vaststellen van een historisch feit. Zoo wil men vaststellen het feit van de opstanding van Jezus, dat voor 1900 jaar zou geschied zijn !
Nu hebben wij, modern-geloovige menschen (aldus ds. Bakker) een steviger grondslag voor ons geloof, dan een te betwijfelen historisch feit; wij hebben het getuigenis van den Heiligen Geest in onze eigen geest. Daar ligt de vastheid en de verzekerdheid, die geen mensch in zijn leven kan missen. Maar daardoor kunnen wij ook veel meer onbevangen staan tegenover de vraag der historiciteit ; want hoe ons antwoord na wetenschappelijk onderzoek ook uitvalle, ons geloof wordt er niet anders door.
Zoo kan het ook gebeuren, dat er moderne theologen zijn (aldus ds. Bakker), die de historiciteit afwijzen en in Jezus Christus een volslagen mythische figuur zien. Anderen zeggen weer, dat waarheid en verdichting dooreen gemengd is ; waarbij sommige woorden en feiten voor vaststaand worden aangenomen.
Nu is de vraag : hoe kan men in de Kerk bij alle verschil van opvatting bij de vraag naar den historischen Jezus z'n éénheid vinden in de Christus-belijdenis ? Dan moet men niet naar feiten vragen, maar naar een geestelijke werkelijkheid, met welke men geestelijke gemeenschap kan hebben. In de Christusgestalte — het Christusbeeld — van het N. Testament, als totaalbeeld genomen (los van de vraag wat echt is of onecht), wat waarheid en wat verdichting is) is ons een bijzondere gave Gods geschonken. En het is door bemiddeling van deze gestalte dat God ons bewust maakt van ons hoogste heil, van de zin van ons leven en van de wereld. Wie zich openstelt voor dit levende beeld, krijgt deel aan de geest, de er achter staat, de Christusgeest — en komt op die manier in een zeer bijzondere relatie tot God te staan. En daar gaat het in het christelijk geloof om. Wie zich toevertrouwen aan de Christusgeest van de Nieuw-Testamentische Jezusgestalte, die worden gebracht in één-en-dezelfde sfeer van heiligheid en liefde, waarin zij ondanks alle verschillen, zich één gevoelen”.
Dat noemt ds. Bakker dan „de Christusbelijdenis", waarin de Kerk haar éénheid van geloof en taak vindt.
Hier naast moet men eens leggen den Bijbel en onze Belijdenis !!
(Wordt voortgezet.)

KOHLBRUGGE EN DA COSTA (3)
Da Costa heeft de brief van Kohlbrugge slechts aan enkele vrienden laten lezen. Zij wisten er weinig mee aan te vangen. De Clercq noemde deze brief : „ een chaos van geleerheid en van teksten. Aan het eind vraagt men zich af, wat de man eigenlijk wil". Al kon hij ook geen dwaalleer bij Kohlbrugge constateeren — toch bezorgde dit schrijven van Kohlbrugge hem eenige onaangename uren. Klonk het niet heerschzuchtig ? Was hier eigenlijk niet iemand aan het woord, die de nieuwe opwekkingsbeweging met kracht wilde onderdrukken ? Was het niet volkomen te begrijpen, dat da Costa vooral diep getroffen was door het eind van de lange brief ? „En daar Gij mijn naam en mijn arbeid in den Heere stinkend gemaakt hebt, hoewel het U niet zal gelukken, zoo bezweer ik U, dat Gij deze brief met de copie van Uw eigen schrijven aan allen laat lezen, die tegen mij vooringenomen zijn. Gij weet wel, wat de Heere zegt over het ergeren van de kleinen. God zij met U, met Uw vrouw en Uw kinderen en stelle U weer spoedig op het fundament Christus, want gij zijt van dit fundament afgegleden”.
Da Costa meende zulk een behandeling van Kohlbrugge niet verdiend te hebben. Hij twijfelde ernstig aan de oprechtheid van Kohlbrugge en daarom trok hij zich meer en meer terug.
Ook de andere leden van de Amsterdamsche kring klaagden over het afstootelijk karakter van hun vroegere kameraad. Een van hen had aan Kohlbrugge gevraagd of hij nader zijn meening wilde uitspreken over de Catechismus. Hij ontving daarop een kort, scherp antwoord. „Mijnheer ! God zal vergelding doen aan degenen, die op kromme wegen wandelen.”
Ook aan dr. Cappadose had Kohlbrugge op een hooghartige en minachtende wijze geschreven, zoodat deze het niet over zich kon verkrijgen hem ook maar met één regel te antwoorden. Door al deze dingen werd de bestaande vriendschap ernstig geschokt ; Kohlbrugge heeft er onder geleden, zooals alleen een teerbesnaard mensch, die de dingen diep aanvoelt, lijden kan. Maar hij heeft het terwille van de waarheid op zich genomen.
Zoo wordt de gerechtvaardigde aangevochten om zijn rechtvaardigheid. Vreemd klinkt hem de beschuldiging van zelfverheffing, van geestelijke hoogmoed, van aanmatiging alsof hij behoort tot de onrechtvaardigen Door zulk een aanklacht, dat hij niet recht wandelt voor God, wordt hij hevig getroffen en geslagen. En daar hij geen middel heeft om zich te verweren en zich niet verdedigen kan, wendt hij zich in de benauwdheid zijner ziel tot God en roept tot Hem om vertroosting en reiniging door het plaatsbekleedend lijden van Christus. Neen, mijn hart is niet hoogmoedig en mijn oogen zijn niet trotsch. Wat beschuldigt gij mij van overmoed en van trotsch ? Neen, ik wandel niet in dingen, die mij te hoog zijn, nóch in wonderen, nóch in overdrevenheid, nóch in hooggeestelijke sofisterij of idealisme, maar in eenvoudigheid en in waarheid, in werkelijkheid, in dingen van gezond verstand. Ik heb van de onvervalschte melk gedronken ; de borsten zijn hier : El Saddai, God, de Algenoegzame !”
Wij beweren niet, dat wij dezen man, zijn karakter en zijn manier van handelen begrijpen. Wij begrijpen het ook niet, waarom Kohlbrugge, die toch zoo zeker was van zijn roeping, zich tegenover zijn vrienden beriep op de instemming van Krummacher in Elberfeld of op Bilderdijk. Wij zijn stom verbaasd over de wijze, waarop hij zijn vroegere vrienden behandelde. Het zou zeker verkeerd zijn, wanneer wij deze manier van handelen wilden verdedigen. Men zou een blik moeten kunnen slaan in het verborgen zieleleven van een man als Kohlbrugge, die zich door God zelf geroepen weet tot de verkondiging van Zijn Waarheid en de aanval op zijn prediking als verzet tegen den Heere Zelf beschouwt, om hier iets te kunnen bijdragen tot een recht verstaan en een juiste beoordeeling van de verschillende gebeurtenissen. Beslissend schijnt ons het zoowel door zijn tegenstanders als door zijn vrienden destijds gesproken woord : „Kohlbrugge heeft een heerlijk en diep inzicht in de vrije genade”.
Zij die nader ingelicht wenschen te worden over den strijd tusschen Kohlbrugge en da Costa, kunnen de briefwisseling tusschen Kohlbrugge en da Costa nalezen in de brochure, die na den dood van Kohlbrugge en da Costa door eenige vrienden van Kohlbrugge in 't licht gegeven is : „Hoogst belangrijke Briefwisseling tusschen dr. H. F. Kohlbrugge en Een van de meest beroemde Tijdgenooten over de Leer der Heiligmaking. 2e druk. Utrecht 1880. 4e druk Amsterdam 1933. In de laatste druk wordt de „meest beroemde Tijdgenoot" met name genoemd : Isaac de Costa.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's