De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Dan was het op „Lucht en Veld" ruimer. Daar kon je den wind door je haren laten spelen en het linnen op het grasveld te bleeken leggen of over de lijn hangen, om te drogen en vrij en blij rondom de geheele boerderij loopen, zonder door een mensch lastig te worden gevallen.
Hè, daar vloog zoo'n wilde fietser haast tegen haar aan. 't Scheelde maar weinig. Nu liep het door een vlugge zwenking van zijn stuur nog goed af, hoewel tot vermaak van een paar kameraden, die het wel leuk vonden, dat hun makker daar bijna in de armen van zoo'n boerermeid terecht kwam.
„Je moet altijd rechts houden en goed om je zien", vermaande de boerin.
Maar wat wist Pleuntje van rechts houden. Bovendien had zij oogen te weinig, om alles op te nemen, hetgeen aan haar blikken voorbijging. Verbazend, wat een winkels ! Bijna huis aan huis, de een al grooter en fraaier dan de ander. En dan, wat hingen daar een lampen ! Dat zou des avonds een zee van licht geven. De vrouw moest eens kijken, wat een vreemde soorten van groenten. Zouden de menschen die eten ? 't Leek wel klaver. Maar het stadsvolk had altijd van die vreemde dingen. Zij had liever aardappels met spek of een bord pap. En mooi, dat die menschen Mer alen gekleed waren ! 't Leek wel Zondag. Men zou zeggen, hoe komen die menschen allen aan den kost ? Of de vrouw dat begreep ? Dat was iets anders dan bij hen op het dorp, waar men op klompen en in een blauwe kiel liep, en de vrouwen een gehaakte muts droegen. Uitgezonderd natuurlijk de boerinnen of een enkel renteniersterke, die een breed gouden oorijzer droeg, waarover dan bij bijzondere gelegenheden, zooals voor vrouw Siderius thans, de floddermuts kwam. 't Zou Pleuntje niet lijken, hier te gaan wonen. Foei, neen. Dan liever in het vrije veld, waar 's morgens in de vroegte de hanen kraaiden en de duiven koerden en het vroolijk gejubel van den leeuwerik ook den mensch tot dankbaarheid steme en met frisschen moed aan den arbeid deed gaan.
„Hier moesten wij maar eens binnen gaan !" sprak de boerin, opeens Pleuntje storend in haar mijmering bij het maken harer vergelijking tusschen de stad en het platteland.
Geweldig, wat een gebouw ! Zij daar in ? Gelukkig, dat de vrouw bij haar was ; alleen zou zij niet gedurfd hebben. Wat stonden daar een fijne dames achter de ruiten, 't Waren maar groote opgemaakte poppen, maar als men niet beter wist, zou men denken, dat zij zóó zouden beginnen te praten. En duur, dat ze gekleed waren ! Hoe durfde de vrouw hier in te loopen ; zij wist toch ook wel dat haar meid niet zooveel geld had.
Voeten vegen was hier niet noodig; daar lag niet eens een mat voor de deur, laat staan van een dweil, zooals op „Lucht en Veld", vooral wanneer de straat pas geschrobd was. Hier werd zeker niet geschrobd, ten minste zoo leek het wel. De straat was zoo vuil. Maar daar ging ook van alles over.
„Toe, kom maar verder", lachte vrouw Siderius, toen zij merkte, dat Pleuntje ietwat verlegen bij de deur bleef staan.
Geen wonder ook; 't leek hier wel een paleis met al die beschilderde ramen en prachtig gekleurde wanden en blinkend koper-en nikkelwerk, en met die mooie, groene planten tusschen de fraaie kleeren of op trappen en zullen. Voor 't eerst in haar leven zag Pleuntje zoo iets van nabij en nooit had zij kunnen denken in zulk een prachtzaak haar voet te zullen zetten. En vriendelijk, dat de menschen hier waren! Dat was iets anders dan in de dorpswinkeltjes. Wat een jonge juffers, die de menschen bedienden. Allen in het zwart, alsof zij in den rouw waren ; dat zou er zoo wel bij hooren. Precies zooals de vrouw gezegd had, meest van die bleeke meisjes, zonder kleur op de wangen, maar toch erg voorkomend.
„Mevrouw", zeiden zij tegen de boerin. „Hebt u een eenvoudige, donkere japon voor dit meisje ? " vroeg deze. Of de vrouw ook met de stadslui praten kon ! En toen kwam het nog. Weldra lag de toonbank vol en nu werd het een uitzoeken, en een passen en meten, een rekken en trekken, een wijzen en prijzen, waaraan geen eind scheen te zullen komen.
Het overweldigde Pleuntje geheel. Zoo iets had zij nog nooit beleefd. De dorpsnaaister, die eens in de week op de boederij kwam, had lang die drukte niet. As zij alléén was geweest, had zij zoo niet gedurfd. En hoe moeilijk viel de keus. Het ééne had dit voor en het andere weer iets anders. Toch moest tenslotte besloten worden.
„Met een paar uur klaar wezen, hoor", had do boer gezegd, want er viel nog meer te doen. In een winkel was een half uur zóó om. De mannen hadden daar zoozeer geen begrip van, maar als de boer op de veemarkt of in de korenbeurs was, dan zag hij ook niet op een kwartier. Jammer, dat de koeien op tijd riepen, om gemolken te worden ; anders kon men zich met dit mooie weer nog wel een paar uurtjes langer ophouden.
Daarom ging het nu verder winkel uit, winkel in, en toen, ongeveer een half uur over den afgesproken tijd, naar het punt van uitgang werd teruggekeerd, waar Siderius intusschen met een paar kennissen een praatje maakte, waren daar ai heel wat doozen en pakjes gebracht, waaronder ook, die aan Pleuntje hoorden, en nu in den wagen moesten worden geladen.
„’t Lijkt wel, of jullie naar Amerika moet", lachte de boer, toen hij den berg inkoopen zag.
„En hoe staat het nu met de beurs, Pleun ? " „Platzak", zei Pleuntje, haar woord met een handbeweging bevestigend.
Daarop volgde nog een tractatie, waarop de stalknecht den bles weer inspande.
Toen ging het in linken draf op huis aan, waar Bouke bij aankomst niet zonder verwondering, ook niet zonder jalouzie, zag, hoe de meid met haar vrouw een heelen middag was uitgeweest en beladen met allerlei pakken thuiskwam. Pleun stond maar in den pas, evenals die manke Murk, wien hier in den laatsten tijd ook een onthaal te beurt viel, alsof hij een prins was.
Zoo naderde de Zondag.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's