De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET GEBED VóóR DE PREDICATIE IN DE CONSISTORIEKAMER.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GEBED VóóR DE PREDICATIE IN DE CONSISTORIEKAMER.

12 minuten leestijd

Wij hebben het altijd gewaardeerd, in al de gemeenten waar we zelf predikant waren of waar we een predikbeurt waarnamen, als in de consistoriekamer de broeders van den Kerkeraad bij elkaar kwamen om dan samen in 't gebed te gaan vóór dat de dienst des Woords een aanvang nam. Natuurlijk zijn er dan soms eigenaardigheden, waaraan men, vooral als jong dominé, eerst wennen moet ; maar de hoofdzaak is, dat men het in den Kerkeraad met elkaar vinden kan en dat men saam één doel en één streven voor oogen heeft : om voor de Gemeente het goede te zoeken naar uitwijzen van Gods Woord. Want als dat ontbreekt, dan is het soms onbehagelijk in de kerkekamer, wat vooral hinderlijk is, als men gereed staat den kansel te beklimmen om het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen of het Sacrament te bedienen. Dan moet alle „geharrewar" verre blijven.
Daarom moet het vlak vóór de preek ook niet zoo'n echt „kletscollege" worden, waarbij 't over alles en nog wat gaat en deze en gene nog eens even over de tong gaat. Er gaan verhalen, dat de uitslag van een voetbal wedstrijd nog niet voldoende besproken was, toen de dominé helaas ! naar de preekstoel moest, omdat het méér dan tijd was.
Wij laten dat alles nu verder liggen. Een voorrecht achten wij het, als men in de consistoriekamer vóór de preek samenkomt „als broeders één". Dan kunnen we ook samen in 't gebed gaan. Waarbij het de meest aangewezen weg is, als een van de broeders ouderlingen vóórgaat. Het komt dan 't meest uit, dat we het dan samen doen en wel als raad der Kerk, waarin de ambtsbroeders zitting hebben om saam de nooden en de behoeften van de Gemeente aan den Heere op te dragen. En dan des Zondags sa& m bijzonder te gedenken aan de Kerkedienst, aan den dominé, aan de Gemeente, aan de prediking, aan de Sacramentsbediening. Wat kan dat voor den dienaar des Woords en der ge^ beden tot sterking zijn ! Om met ootmoed vervuld, in diepe afhankelijkheid, vertroosting en bemoediging te ontvangen in den kring der broederen, wat straks tot zegen voor de Gemeente is !
Nu moeten we natuurlijk bedacht zijn op allerlei misvattingen en verkeerde neigingen. Zoo mag een „broeder" ouderling het gebed in de kerkekamer niet gebruiken, om den dominé onaangenaam te zijn en hem te treffen met allerlei hatelijkheden. Dat is zóó onwaardig, dat we er eigenlijk geen woord verder over behoeven te zeggen. Het gebed mag niet misbruikt worden, noch aan 't adres van den dominé, noch aan 't adres van een „broeder" van den Kerkeraad enz.
Zoo mag een ouderling 't gebed niet misbruiken om eens goed te laten voelen dat hij „bekeerd" is, maar dat de dominé „onbekeerd" is. Verschrikkelijk is dat !
Een ander gevaar is, dat het gebed te lang gemaakt wordt. Dan wordt alles veel te laat en loopt in de war. Bovendien worden dan dikwijls allerlei dingen in 't gebed gebracht in de kerkekamer door den ouderling, die in het „groote gebed" in de kerk thuis hooren ; b.v. het bidden voor de zieken, voor de Zending, voor de onverschilligen die niet ter kerk gaan, enz. enz. Dat hoort in het gebed in de kerkekamer, hoe goed ook bedoeld, niet thuis. Dat hoort thuis in het gebed, dat de Dienaar des Woords, die ook dienaar der Sacramenten en der gebeden is, straks in het midden der Gemeente doen zal.
Wat dan wèl in 't gebed in de kerkekamer thuis hoort ?
Het behoort een kort, ernstig en hartelijk gebed te zijn namens al de broeders voor den dienst des Woords, die gereed staat aan te vangen. En aangezien de predikant daarbij de gansche leiding zal hebben, zal het gebed zich moeten samentrekken op den dienstknecht des Heeren, die gereed staat het Woord te ontsluiten en het Evangelie te prediken, waarbij gedacht moet worden aan de Gemeente, die wachtende is, dat de knecht des Heeren, met den Kerkeraad, zal binnentreden. Onder broeders, die recht staan voor God en voor elkander, zal dus het gebed in de consistoriekamer kort, ernstig en hartelijk moeten zijn, levend in de behoefte en sprekend uit de vervulling, om dan niet voor allerlei te bidden (wat straks komt in de kerk), maar alléén voor den dienst des Woords.
Dan zal men danken voor de groote voorrechten, die de Gemeente mag genieten, en men zal bidden voor den dienaar des Woords om opening te vragen van de Schriften en ontsluiting des harten voor de waarheid ; biddende, dat het Woord op de rechte wijze mag worden gebracht met overtuiging en liefde, met ernst en met duidelijkheid ; biddende, dat het Woord, dat gebracht zal worden, ingang moge vinden in de harten der hoorders, tot vermaning en vertroosting, tot ontdekking en tot verzadiging, tot bekeering en tot volmaking ; biddende om den opbouw der Gemeente en om een Kerk, die staan mag als een pilaar en vastigheid der waarheid, als een kaars op de kandelaar, als een stad op een berg ; biddende om 's Heeren nabijheid in Zijn huis, waar de Gemeente vergaderd is ; biddende, dat alles mag uitloopen tot eer van Gods Naam !
Als dat kort, ernstig, hartelijk gedaan wordt, is het gebed in de consistoriekamer een groot voorrecht.
Wij hebben er zelf meer dan eens een zegen door ontvangen.
En we denken maar niet aan die enkele keeren, dat we ons geërgerd hebben. Om 't kwade moeten we het goede niet verachten, verwerpen of nalaten.

DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (8)
In het boekje „Wezen en taak der Kerk", een bundel opstellen van Vrijzinnige predikanten in de Hervormde Kerk, komt vervolgens (hoofdstuk 9) een artikel voor van de hand van ds. D. Bakker over „De Eenheid der Kerk in haar Christus-belijdenis". Het is merkwaardig wat deze (links)moderne dominé over Christus en de Christus-belijdenis schrijft. Hij zegt ongeveer :
„Er moet éénheid zijn in de Kerk bij al de verscheidenheid ; aan de verscheidenheid moeten grenzen zijn ; er is voor ongelegitimeerd subjectivisme geen plaats in de Kerk. De Kerk is christelijk van karakter ; orgaan niet van een vage universeele religie, maar zeer speciaal van de christelijke godsdienst. Wie zich tot de Kerk rekent te behooren, heeft dus een keuze gedaan. En dat raakt het diepste geheim van onze persoonlijkheid. Maar het Christendom is geen statische grootheid, maar zijn wezen is dynamisch van aard. Dat een Middeleeuwer onder het wezen van het Christendom iets anders verstond dan de moderne mensch thans doet, spreekt vanzelf.
Maar wat is nu de éénheid bij de verscheidenheid ?
De belijdenissen verschillen nog al en de moraal eveneens. Daarom moeten we terug naar de Oorsprong, en dat is : een persoonlijk levensbeeld, Jezus Christus. Maar ook het N.-Testamentische Christusbeeld is geen éénheid. De eerste drie Evangeliën en dat van Johannes verschillen nog al. Alles moet zéér kritisch worden beschouwd. De wetenschap heeft hier het laatste woord. Wat voor een groot deel der orthodoxie niet aanvaardbaar is. Daar bouwt men z'n geloof op „heilsfeiten", die „eenmaal geschied zijn". Verliezen ze die, dan verliezen ze den grond van hun geloof.
Er zijn ook theologen, die hier een dubbelslachtige houding aannemen ; die wel historische kritiek aanvaarden, maar van te voren het feit van de historiciteit van Jezus daaraan onttrekken. Dat is een hinken op twee gedachten. Men geeft het inspiratie-geloof. prijs en wil toch het geloof laten steunen op historische overlevering. Een minimum van gegevens wordt voor de kritiek veilig gesteld. Maar men verwaarloost dan de grenzen van weten en gelooven, als men op gronden van innerlijke, geestelijke ervaring concludeert tot het vaststellen van een historisch feit. Zoo wil men vaststellen het feit van de opstanding van Jezus, dat voor 1900 jaar zou geschied zijn !
Nu hebben wij, modern-geloovige menschen (aldus ds. Bakker) een steviger grondslag voor ons geloof, dan een te betwijfelen historisch feit; wij hebben het getuigenis van den Heiligen Geest in onze eigen geest. Daar ligt de vastheid en de verzekerdheid, die geen mensch in zijn leven kan missen. Maar daardoor kunnen wij ook veel meer onbevangen staan tegenover de vraag der historiciteit ; want hoe ons antwoord na wetenschappelijk onderzoek ook uitvalle, ons geloof wordt er niet anders door.
Zoo kan het ook gebeuren, dat er moderne theologen zijn (aldus ds. Bakker), die de historiciteit afwijzen en in Jezus Christus een volslagen mythische figuur zien. Anderen zeggen weer, dat waarheid en verdichting dooreen gemengd is ; waarbij sommige woorden en feiten voor vaststaand worden aangenomen.
Nu is de vraag : hoe kan men in de Kerk bij alle verschil van opvatting bij de vraag naar den historischen Jezus z'n éénheid vinden in de Christus-belijdenis ? Dan moet men niet naar feiten vragen, maar naar een geestelijke werkelijkheid, met welke men geestelijke gemeenschap kan hebben. In de Christusgestalte — het Christusbeeld — van het N. Testament, als totaalbeeld genomen (los van de vraag wat echt is of onecht), wat waarheid en wat verdichting is) is ons een bijzondere gave Gods geschonken. En het is door bemiddeling van deze gestalte dat God ons bewust maakt van ons hoogste heil, van de zin van ons leven en van de wereld. Wie zich openstelt voor dit levende beeld, krijgt deel aan de geest, de er achter staat, de Christusgeest — en komt op die manier in een zeer bijzondere relatie tot God te staan. En daar gaat het in het christelijk geloof om. Wie zich toevertrouwen aan de Christusgeest van de Nieuw-Testamentische Jezusgestalte, die worden gebracht in één-en-dezelfde sfeer van heiligheid en liefde, waarin zij ondanks alle verschillen, zich één gevoelen”.
Dat noemt ds. Bakker dan „de Christusbelijdenis", waarin de Kerk haar éénheid van geloof en taak vindt.
Hier naast moet men eens leggen den Bijbel en onze Belijdenis !!
(Wordt voortgezet.)

KOHLBRUGGE EN DA COSTA (3)
Da Costa heeft de brief van Kohlbrugge slechts aan enkele vrienden laten lezen. Zij wisten er weinig mee aan te vangen. De Clercq noemde deze brief : „ een chaos van geleerheid en van teksten. Aan het eind vraagt men zich af, wat de man eigenlijk wil". Al kon hij ook geen dwaalleer bij Kohlbrugge constateeren — toch bezorgde dit schrijven van Kohlbrugge hem eenige onaangename uren. Klonk het niet heerschzuchtig ? Was hier eigenlijk niet iemand aan het woord, die de nieuwe opwekkingsbeweging met kracht wilde onderdrukken ? Was het niet volkomen te begrijpen, dat da Costa vooral diep getroffen was door het eind van de lange brief ? „En daar Gij mijn naam en mijn arbeid in den Heere stinkend gemaakt hebt, hoewel het U niet zal gelukken, zoo bezweer ik U, dat Gij deze brief met de copie van Uw eigen schrijven aan allen laat lezen, die tegen mij vooringenomen zijn. Gij weet wel, wat de Heere zegt over het ergeren van de kleinen. God zij met U, met Uw vrouw en Uw kinderen en stelle U weer spoedig op het fundament Christus, want gij zijt van dit fundament afgegleden”.
Da Costa meende zulk een behandeling van Kohlbrugge niet verdiend te hebben. Hij twijfelde ernstig aan de oprechtheid van Kohlbrugge en daarom trok hij zich meer en meer terug.
Ook de andere leden van de Amsterdamsche kring klaagden over het afstootelijk karakter van hun vroegere kameraad. Een van hen had aan Kohlbrugge gevraagd of hij nader zijn meening wilde uitspreken over de Catechismus. Hij ontving daarop een kort, scherp antwoord. „Mijnheer ! God zal vergelding doen aan degenen, die op kromme wegen wandelen.”
Ook aan dr. Cappadose had Kohlbrugge op een hooghartige en minachtende wijze geschreven, zoodat deze het niet over zich kon verkrijgen hem ook maar met één regel te antwoorden. Door al deze dingen werd de bestaande vriendschap ernstig geschokt ; Kohlbrugge heeft er onder geleden, zooals alleen een teerbesnaard mensch, die de dingen diep aanvoelt, lijden kan. Maar hij heeft het terwille van de waarheid op zich genomen.
Zoo wordt de gerechtvaardigde aangevochten om zijn rechtvaardigheid. Vreemd klinkt hem de beschuldiging van zelfverheffing, van geestelijke hoogmoed, van aanmatiging alsof hij behoort tot de onrechtvaardigen Door zulk een aanklacht, dat hij niet recht wandelt voor God, wordt hij hevig getroffen en geslagen. En daar hij geen middel heeft om zich te verweren en zich niet verdedigen kan, wendt hij zich in de benauwdheid zijner ziel tot God en roept tot Hem om vertroosting en reiniging door het plaatsbekleedend lijden van Christus. Neen, mijn hart is niet hoogmoedig en mijn oogen zijn niet trotsch. Wat beschuldigt gij mij van overmoed en van trotsch ? Neen, ik wandel niet in dingen, die mij te hoog zijn, nóch in wonderen, nóch in overdrevenheid, nóch in hooggeestelijke sofisterij of idealisme, maar in eenvoudigheid en in waarheid, in werkelijkheid, in dingen van gezond verstand. Ik heb van de onvervalschte melk gedronken ; de borsten zijn hier : El Saddai, God, de Algenoegzame !”
Wij beweren niet, dat wij dezen man, zijn karakter en zijn manier van handelen begrijpen. Wij begrijpen het ook niet, waarom Kohlbrugge, die toch zoo zeker was van zijn roeping, zich tegenover zijn' vrienden beriep op de instemming van Krummacher in Elberfeld of op Bilderdijk. Wij zijn stom verbaasd over de wijze, waarop hij zijn vroegere vrienden behandelde. Het zou zeker verkeerd zijn, wanneer wij deze manier van handelen wilden verdedigen. Men zou een blik moeten kunnen slaan in het verborgen zieleleven van een man als Kohlbrugge, die zich door God zelf geroepen weet tot de verkondiging van Zijn Waarheid en de aanval op zijn prediking als verzet tegen den Heere Zelf beschouwt, om hier iets te kunnen bijdragen tot een recht verstaan en een juiste beoordeeling van de verschillende gebeurtenissen. Beslissend schijnt ons het zoowel door zijn tegenstanders als door zijn vrienden destijds gesproken woord : „Kohlbrugge heeft een heerlijk en diep inzicht in de vrije genade”.
Zij die nader ingelicht wenschen te worden over den strijd tusschen Kohlbrugge en da Costa, kunnen de briefwisseling tusschen Kohlbrugge en da Costa nalezen in de brochure, die na den dood van Kohlbrugge en da Costa door eenige vrienden van Kohlbrugge in 't licht gegeven is : „Hoogst belangrijke Briefwisseling tusschen dr. H. F. Kohlbrugge en Een van de meest beroemde Tijdgenooten over de Leer der Heiligmaking. 2e druk. Utrecht 1880. 4e druk Amsterdam 1933. In de laatste druk wordt de „meest beroemde Tijdgenoot" met name genoemd : Isaac de Costa.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET GEBED VóóR DE PREDICATIE IN DE CONSISTORIEKAMER.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's