Ik weet, mijn Verlosser leeft.
Job 19 : 25. Vorst des levens, laat ook mij Eens Uw aangezicht aanschouwen, Als mijn ziel, van banden vrij Al haar vleug'len mag ontvouwen. Laat mij, boven d'englenkooren Dan Uw stem, o Heiland, hooren. Met dien hemelvreugde groet. Die mij eeuwig juichen doet.
Godt Oneindig eeuwigh Wezen.
Wie is het, die zoo hoogh gezeten, Zoo diep in 't grondelooze licht, Van tijt noch eeuwigheit gemeten. Noch ronden, zonder tegenwight, Bij zich bestaat; geen steun van buiten Ontleent, maer op zichzelven rust. En in zijn wezen kan besluiten Wat om en in hem, onbewust Van wancken, draeit, en wort gedreven, Om 't een en eenigh middelpunt ? Dat 's GODT. Oneindig eeuwigh Wezen Van alle ding dat wezen heeft. Vergeef het ons, o noit volprezen Van al wat leeft, of niet en leeft. Nooit uitgesproken noch te spreken ; Vergeef het ons en scheld ons kwijt Dat geen verbeelding, tong, noch teecken U melden kan. Ghij waert, ghij zijt, Ghij blijft dezelve. Alle Englekennis En uitspraeck, zwack en onbekwaem, Is maer ontheiliging, en schennis : Want ieder draegt zijn eigen naem. Behalve Ghij. Wie kan U noemen Bij Uwen Naem ? wie wort gewijt Tot uw Orakel ? wie durft roemen ? Ghij zijt alleen dan die Ghij zijt, U zelf bekent, en niemant nader.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's