INGEZONDEN
HAARLEM, 17 December 1936.
Geachte Heer Hoofdredacteur,
In aansluiting aan de artikelen in ons Bondsorgaan van 9 dezer inzake „de Bijbel op de Openbare School", moge ik het volgende opmerken.
De ware reformatorische opvatting aangaande de Heilige Schrift als Gods Woord is immer deze geweest, dat de reformatoren het volk den Bijbel in handen hebben gegeven (in tegenstelling met Rome !), omdat Gods Woord levend en krachtig is ; bovendien klaar inzake den weg des heils, ons in Christus geopenbaard.
Gods Woord is dus onafhankelijk van onze uitlegkunde, omdat het is 's Heeren en niet óns Woord. Een gelijke fout maakten in '34 de Afgescheidenen met betrekking tot het Sacrament van den H. Doop. Ds. De Cock doopte kinderen over, die bij een modern predikant waren gedoopt. De waarde van het Sacrament is onafhankelijk van den bedienaar, mits deze geschiedt met de uitspraak van het woord : „Ik doop u, enz.”
Laat ons dus Gods Woord maar op de Openbare School toelaten. De Heere zal zelf voor Zijn Woord zorgen en instaan!
Heeft men verder nog bedenkingen ? Welnu, men beginne met op de Openbare Scholen onderwijzend personeel te benoemen, dat den Heere vreest! Tot heden heeft men de Openbare School „volgestopt" met roode onderwijzers, waar aan zelfs rechtsche Gemeenteraden hebben meegewerkt ! Men strijde, als Groen van Prinsterer, niet in de eerste plaats voor „bijzonder" onderwijs, maar voor christelijk openbaar onderwijs. De Overheid als „Gods dienaresse" erkenne des Heeren Woord in haar scholen. Bovendien is ..bijzonder" onderwijs in vele gevallen „Roomsch onderwijs, dus onderwijs van het bijgeloof !
Bovenal vergete men niet, dat Rome de Openbare Scholen in Brabant en Limburg handig heeft omgezet in Roomsche scholen!
Men keere hier terug tot de paden van Groen.
U, mijnheer de Redacteur, vriendelijk dankend voor de verleende plaatsruimte. Hoogachtend,
AUG. C. VAN DE WALLE,
Spaarndamscheweg 428, Haarlem (N.).
Onderschrift van den Hoofdredacteur:
De verkeerde uitlegging van de reformatorische opvatting inzake de Heilige Schrift valt dadelijk op. Men mag de Heilige Schrift maar niet geven als een toovermiddel in de hand van een opvoeder der jeugd, die niets van den Bijbel weet en er ook niets van weten wil — althans niet als zijnde Gods Woord. Dan begint het al bij het scheppingsverhaal mis te loopen en bij de Paradijsgeschiedenis gaat het heelemaal verkeerd ! Wie is nu zoo dwaas om te zeggen : geef dien man maar een Bijbel dn z'n handen, want de Heilige Schrift is klaar en duidelijk en onafhankelijk van onze uitlegkunde, enz. enz.
Ook moet men zelfs voorzichtig zijn om zoo maar neer te schrijven, dat het Sacrament onafhankelijk van den predikant ds — want als in de dagen van ds. De Cock een modern predikant zelfs de doopformule niet gebruikte, wilde natuurlijk geen enkel rechtzinnig ouderpaar hun kind laten doopen door zoo'n dominé. Want natuurlijk is het Sacrament niet afhankelijk van den mensch, maar met al te formalistische en uitwendige redeneeringen komt men aan den verkeerden kant terecht.
Zoo moet men ook ernst maken met de belijdenis : De Overheid is Gods dienaresse. Want natuurlijk is zij dat. Het is Gods groote ontferming om overal de Overheid te geven tot zegen voor het volksleven. Zelfs het stamhoofd is in der heidenen land tot zegen, naar Gods algemeene goedheid ; ook al beseft de mensch 't niet. Maar als de Overheid er eenig bewustzijn van heeft, moet dat uitkomen hierin, dat de Overheid Gods ordeningen eerbiedigt en op eigen terrein wil blijven, om b.v. niet de taak van de ouders tot opvoeding en onderwijzing hunner kinderen uit hunne handen te nemen. Dat is Gode ongehoorzaam zijn en dat is Gods werk bemoeilijken en verwarren en bederven, zooals de geschiedenis toewijst. Als de Overheid Gods dienaresse wil zijn, moet ze niet willen kerkje spelen en niet gaan schoolmeesteren. De Overheid, die Gods dienaresse wil zijn, moet de ouders in hun volle rechten erkennen, waar zij die rechten van God ontvangen hebben als een onvervreemdbaar goed. En de Overheid, die den Heere dienen wil, moet de ouders telkens mee helpen herinneren aan hun taak, wat waarlijk een goddelijke taak is. En dewijl de Heere Zijn zon doet opgaan over boozen en goeden en Zijn Kerk plant in het midden van een zondige wereld, zal er op onderwijsgebied, onder Gods voorzienig bestel (o diepte van wijsheid Gods, Wiens wegen onnaspeurlijk zijn) in een land als Nederland een Christelijke en een nlet-Christelijke school wereld zijn, lals al de ouders hun taak en roeping aanvoelen en verstaan. (De christenouders door Gods genade verlicht, de niet-christelijke ouders door Gods algemeene goedheid, zulks voelend, zonder Hem te erkennen en te eeren naar Zijn Woord). De Overheid moet niet schoolmeesteren ; tenminste als zij Gods dienaresse wil zijn !
Dan zullen er Christelijke Scholen zijn, die van de ouders uitgaan, Protestantsch-Christelijke Scholen, maar ook b.v. Roomsche Scholen (burgers van Nederland zijnde) en die scholen zullen, met het doel voor oogen om mee zorg te dragen voor goed volksonderwijs, ingericht zijn naar den geest, die in de gezinnen gevonden wordt. Gezin en school hooren bij elkaar.
Als nu de Overheid naast het Bijzonder Onderwijs — dat nummer één moet zijn en blijven, ja, in Nederland méér en méér nummer één worden moet — óók Staatsonderwijs moet geven, zal de Overheid, die als Gods dienaresse gesteld is over een gemengde bevolking (christelijk en niet-christelijk, protestantsch en roomsch, rechtzinnig en vrijzinnig enz.) de kinderen van dat volk (van degenen die helaas! door gebrek aan plichtsbesef de Overheidsschool begeeren en blijven begeeren) op voet van gelijkheid moeten behandelen en mag zij niet voor die ouders uitmaken wat waarheid is. Dat willen we van een Roomschen minister, van een Roomschen burgemeester of wethouder, niet, dat hij zegt, dat de Openbare School moet zijn naar hetgeen hij waarheid noemt; en we willen ook niet, dat de Staatsschool een moderne secteschool wordt. En zoo moet de Openbare School de handen af houden van de bijzondere geestelijke leiding — welke de ouders, die daaraan behoefte hebben, moeten kunnen verkrijgen in de Bijzondere Scholen. De Bijzondere School moet regel zijn en de Openbare of Staatsschool uitzondering en aanvulling.
Wanneer men dan zegt: de Overheid moet de Openbare School christianiseeren, dan stellen wij als nummer één daarnaast en daartegenover: de Overheid moet de ouders, die recht hebben op hun kinderen en voor de opvoeding en het onderwijs verantwoordelijk zijn, eerlijk en rechtmatig volop gelegenheid geven voor onderwijs op eigen scholen. En men moet in onze christelijke kringen durven spreken van ontrouw, nalatigheid, zonde aan het adres van de ouders, die voor hun gedoopte •kinderen niet begeeren een School mèt den Bijbel. Niet maar een school, waar ook nog wel misschien één uurtje in de week een Bijbel bij komt en dan naast en buiten 't onderwijs staande. Maar een School mèt den Bijbel, waar alle onderwijs, met gebed, lied en dankzegging naar Gods Woord is, gedrongen door de liefde van Christus.
Dat men dikwijls met opzet in de verschillende (rechtsche) Gemeenteraden niet-christelijke onderwijzers heeft benoemd, om de Openbare School zoo slecht mogelijk te maken, is eenvoudig uit de duim gezogen en ds gedachteloos napraten van anderen, die er laster mee bedoelen. We leggen deze dingen dan ook als niet principieel behoorend bij deze kwestie, er stil naast en bepalen ons alleen tot de zakelijke aangelegenheden.
Wanneer men ziet op hetgeen nu weer in Duitschland geschiedt door de Overheid inzake de opvoeding, de vorming, het onderwijs van de jeugd, dan hebben we elkander te waarschuwen voor wat ook óns dreigend aangrijnst bij de onchristelijke beginselen en practijken van de N. S. B., en we hebben elkander op te wekken tot den strijd voor het vrije onderwijs van onze kinderen, tot meer liefde en ijver, tot gebed en offer, voor onze Scholen met den Bijbel. En de Kerk noeme ook hierin zonde wat zonde is voor die ouders, die voor hun gedoopte kinderen nog niet begeeren een School met den Bijbel.
Nederland heeft in deze zulke groote voorrechten boven alle landen, mee door den kloeken geloofsstrijd van onze Vaderen, waarbij mr. Groen van Prinsterer, de geestelijke vader van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, de Hervormden, de Afgescheidenen (in zijn dagen zoo genoemd), de Lutherschen en alle positief belijdende christenen, van welke Kerkgemeenschap ook, voortdurend heeft opgeroepen, opdat zij schouder aan schouder zouden staan in den strijd voor het Christelijk Onderwijs. „Bouwt scholen, waar het Evangeliezout een dierbare jeugd voor on-en bijgeloof behouden kan". (De Costa).
M. v. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's