De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET DOOPSFORMULIER

HOOFDSTUK I.

8 minuten leestijd

De geschiedenis van de doopsbediening vóór de hervorming.
In den doop hebben wij niet met een menschelijke of kerkelijke inzetting te doen, maar de Schrift leert ons den doop uitdrukkelijk zien als een inzetting des Heeren.
Als Johannes onder Israël optreedt, predikende den doop der bekeering, is de beteekenis van deze ceremonieele handeling den Joden niet duister. Van reiniging met water — men denke aan het water der ontzondiging — wisten zij reeds sinds eeuwen uit de ceremonieele wetgeving. Ook de profeet Ezechiël maakt van dit symbool melding, als hij van de toekomstige reiniging des volks gewaagt. „Want Ik zal u uit de heidenen halen en zal u uit al de landen vergaderen en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen". (Ez. 36:24, 25). Ja, wat meer zegt, bij de Joden was reeds langen tijd van een doop sprake in de z.g. proselietendoop, waarmede die heidenen, die den God van Israël wenschten te dienen, aanvankelijk in de godsdienstige gemeenschap van Israels volk werden opgenomen. Het is zeer goed mogelijk, dat juist daarom op zulk een tegenstand bij de farizeën en schriftgeleerden werd gestooten, wijl zij zich zelf niet op één lijn wenschten gesteld zien met de heidenen en meenden niet die reiniging te behoeven, die de heidenen noodig hadden.
Van reiniging van zonde spreekt ook de christelijke doop, maar in klaarder zin dan de doop van Johannes. Johannes was de wegbereider des Heeren. Hij kan slechts gewagen van het komende heil en ook zijn doop kan slechts naar dat komende heil heenwijzen. De christelijke doop daarentegen spreekt niet alleen van de afwassching der zonde, maar onthult tevens den grond, waarop dit heil rust; het water des doops spreekt ons van het bloed van Christus, dat Hij aan het kruis voor ons vergoten heeft. Daarom is dit sacrament geen duister teeken, geen schaduw van toekomende goederen, maar een tot allen sprekend getuigenis van de boodschap des evangelies.
Zelf heeft de Heiland dit teeken verordend voor Zijn discipelen. „Zoo wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden, maar wie niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden". In dit woord wordt de zaligheid wel niet aan den doop verbonden en ons niet geleerd, dat onze behoudenis in het teeken gelegen is, maar wel wordt hier de gedachte tot uitdrukking gebracht, dat allen, die gelooven, met het teeken des doops behooren gedoopt te wezen. Uitdrukkelijk wijst Jezus hierop, als Hij de Zijnen uitzendt om het evangelie in de wereld uit te dragen. „Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, hen doopende in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Géestes”.
Geen twijfel heeft dienaangaande ooit in de Christelijke Kerk bestaan. Over de vraag, of kinderen gedoopt mogen worden, is dikwijls getwist, maar dat allen, die gelooven, gedoopt moeten worden, heeft in het midden der Kerk altijd onaanvechtbaar vastgestaan. De Handelingen der Apostelen melden ons in overeenstemming daarmede telkens, dat zij, die geloofden, ook gedoopt werden. Als Philippus den kamerling het evangelie van den gekruisten Jezus heeft gepredikt en dit evangelie bij dezen proseliet in een naar genade dorstend hart is gevallen als een zaad des eeuwigen levens, verlangt deze man onmiddellijk den doop. Hij kan niet met blijdschap zijn weg reizen, tenzij hij dit teeken en onderpand van de vergeving zijner zonden door het bloed van Christus ontvangen heeft.
Het staat niet vast, of Philippus op de vraag, wat verhindert mij gedoopt te worden, werkelijk geantwoord heeft: indien gij van harte gelooft, is het geoorloofd, want deze woorden komen in de meeste en beste handschriften niet voor. Maar ook al zijn deze woorden niet authentiek, zoo blijft de waarheid daarin uitgedrukt staan, dat zij, die geloofden, gedoopt werden. En het is later gebruik geworden, dat zij, die den doop begeerden, eerst belijdenis deden van hun christelijk geloof.
Ten opzichte van den doop van hen, die in Christus geloofden, hebben wij meerder zekerheid dan ten opzichte van den doop van kinderen uit ouders, die tot de Christelijke Kerk behooren. Als ik hier van zekerheid spreek, bedoel ik daarmede thans een zekerheid, die op historische getuigenissen berust. Het Nieuwe Testament vermeldt niet met name, dat kinderen gedoopt zijn. Van Lydia wordt ons gemeld, dat zij en haar huis gedoopt zijn geworden. Heeft zij nog kleine kinderen gehad, dan zijn ook die gedoopt geworden, want die behoorden zeker mede tot haar huis. Maar dat zij kinderen gehad heeft, wordt ons niet gemeld.
Evenzoo wordt van den stokbewaarder gezegd, dat hij met al zijn huis aan God geloovig is geworden; daarom is hij ook gewis met heel zijn huis gedoopt geworden, maar al weer moet erkend, dat niet uitdrukkelijk gemeld wordt, of er kinderen in zijn huis waren.
Ongetwijfeld zijn deze en dergelijke berichten als vaste bewijzen voor de gegrondheid van den kinderdoop op te vatten, wijl daarin tot uitdrukking komt, dat het huisgezin als een organisch geheel wordt gezien en dat het hoofd van het gezin beslist over de koers, die het schip van het gezin nemen zal. Zooals immers ook Jozua eens zeide: aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen; en we kunnen er zeker van zijn, dat hij niet eerst met de leden van zijn huis geconfereerd heeft, om te weten, dat zij met hem instemden. Jozua als verantwoordelijk hoofd van zijn huis, neemt deze beslissing voor zijn huis. Zoo is ook het huisgezin van den stokbewaarder getreden in de voetstappen van den heer des huizes, al wordt daarmede nog niet gezegd, dat zij dit allen met een volkomen hart hebben gedaan. Maar al volgt uit deze gezinsopvatting, die ook in het verbond der genade wordt gehandhaafd, zonder eenigen twijfel de wettigheid van den kinderdoop, een mededeeling, dat toen reeds kinderen gedoopt zijn, hebben wij feitelijk niet.
Toch zijn wel getuigenissen tot ons gekomen, waaruit blijkt, dat reeds spoedig de kinderdoop in de Christelijke Kerk gebruik is geweest. Origenes, wiens voornaamste werkzaamheid in het eerste deel van de derde eeuw valt, maakt van den kinderdoop melding en beroept zich daarbij op de traditie, want, zegt hij, van de Apostelen heeft reeds de Kerk de traditie om aan kinderen den doop toe te dienen. En Tertulianus, die nog voor een deel van zijn werkzaamheid tot de tweede eeuw gerekend kan worden, bewijst met zijn bestrijding van den kinderdoop, dat deze in zijn dagen reeds gewoonte was. ,, Weliswaar", zoo lezen wij bij hem, „zegt de Heere : Wilt hen niet verhinderen tot Mij te komen. Laat hen dan komen, terwijl zij opwassen, laat hen komen, terwijl zij leeren, terwijl hun geleerd wordt, tot wien zij moeten komen; laat hen christenen worden, zoodra zij in staat geworden zijn Christus te kennen. Waartoe haast zich de onschuldige leeftijd naar kwijtschelding van zonden ? " Vooral die laatste woorden, waarin hij de haast berispt, waarmede velen hun kinderen lieten doopen — hij noemt de doop van jonge kinderen hier een zich haasten — laat ons zien, dat deze kinderdoop gebruikelijk was in zijn dagen.
De beste bevestiging van deze berichten vinden wij in de besluiten van een Afrikaansche Synode van 256, welke erkende in onderscheiding van hen, die den doop eerst op den achtsten dag wilden toedienen in overeenstemming met de besnijdenis, dat het geoorloofd was de kinderen op den tweeden of derden dag na de geboorte te doopen.
Dat er later wel eens twijfel geweest is bij de vraag, of van den beginne af de kinderen in de Christelijke Kerk gedoopt zijn, hangt voornamelijk samen met het feit, dat die kinderdoop een tijdlang in de Kerk onderbroken geweest is. Wij spraken reeds over Tertullianus, als bestrijder van den kinderdoop. Hij luidt het tijdperk in, waarin velen bezwaar hadden tegen den kinderdoop, en waarlijk niet alleen tegen den doop van kinderen. Ook de volwassenen, die tot geloof kwamen, stelden hun doop zoolang mogelijk uit. Ambrosius is om zijn vromen wandel en uitnemenden christelijken zin tot bisschop verkozen, maar hij moest toen nog gedoopt worden. Velen wachtten tot een ziekbed, liefst tot hun sterfbed om zich te laten doopen. Tot deze behooren b.v. de keizers Constantijn, Constantius en Theodosius. En m.en begriipt, dat dit uitstel van den doop niet uit  onverschilligheid tegenover den doop voortkwam, maar juist uit een overschatting van de waarde van dit Sacrament. Men was afgeweken van de leer der Schrift ten opzichte van dit teeken en daarom begon men af te wijken van het voorbeeld der Apostelen, die hen, die geloofden, onmiddellijk hebben gedoopt.
O. a. d. IJ.

W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET DOOPSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's