NIEUWJAAR.
Ons uitgangspunt voor dit artikel nemend in de Romeinsche kalenderregeling, zij opgemerkt, dat deze vóór Julius Caesar een zeer gecompliceerd karakter droeg, zoodat de verwarring op den duur zéér groot werd. Op raad van den Alexandrijnschen sterrenkundige Sosigenes stelde Julius Caesar in zijn kwaliteit van pontifex maximus het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren, hetwelk leidde tot drie jaren van 365 en één jaar van 366 dagen, zooals wij thans nog hebben. Ontdaan van allerlei ingewikkelde berekeningen, die met de invoering van de z. g. n. Juliaansche tijdrekening gepaard gingen, komt een en ander hierop neer, dat de nieuwe tijdrekening werd ingevoerd op 1 Januari 45 vóór Christus. Bij de Romeinen ving dus op dezen datum het nieuwe jaar aan. De hoogste staatsambten werden, dan aanvaard, terwijl later de keizers op dien dag geschenken aannamen en uitreikten, strenae genoemd. (Een strena is een voorteeken in het algemeen. In overdrachtelijken zin zijn strenae nieuwjaarsgeschenken, die gegeven werden als een goed voorteeken). Ook het volk gaf onderling cadeautjes, terwijl men zich aan allerhande feestelijkheden overgaf, die meestal in bandeloosheid en ontucht eindigden.
Het laat zich verstaan, dat de Christenen van meetaf voor deze viering van den Nieuwjaarsdag niet alleen niet veel voelden, doch zich er tegen verzetten. Weliswaar pasten zij zich bij het Romeinsche regime aan, doch alleen voorzoover hun eigen beginselen niet in het gedrang kwamen. En dit was wel degelijk het geval bij de Romeinsche Nieuwjaarsviering.
Aangezien het, óók in deze dagen reeds, onder de Christenen niet al goud was wat er blonk, waren er ook onder hen, die aan bedoelde festiviteiten deelnamen, 't Gevolg hier van was, dat veelal in de kerken op 1 Januari ernstige straf-en boetpredicaties gehouden werden, welke natuurlijk het meest de afwezigen op het oog hadden. Terecht werd er dan opgewekt om den reinen écht christelijken levenswandel te bewaren, en zich niet in te laten met heidensche zeden, die met den eisch van het christelijk leven in het geheel niet in overeenstemming waren. Het geven van aalmoezen inplaats van Nieuwjaarsgeschenken, vasten inplaats van brasserijen, het lezen der Heilige Schrift inplaats van het zingen van schandelijke liederen, werden der gemeente aanbevolen.
Nieuwjaars-redevoeringen als hier bedoeld, zijn bekend van Ambrosius, Augustinus, Tertullianus, welke laatste het gebruikelijke Nieuwjaarsfeest daarom hekelde, omdat het een Christen, die er aan deelnam, deed terugvallen in het heidendom. Het ging hier dus om een bestrijding van het heidensche Nieuwjaarsfeest : niet om een opwekking om het op christelijke wijze te vieren. Dit moeten wij goed vasthouden.
Langzamerhand kwam er echter een strooming openbaar om aan heidensche feesten een christelijken inslag te geven. Dat is geschied met het Kerstfeest, en dit is ook bijna het geval geweest met de viering van den Nieuwjaarsdag. We hebben hier te doen met een streven, dat der Kerk niet altoos winst heeft bezorgd. Het aanpassen aan heidensche gewoonten en gevoelens komt het christelijk beginsel niet ten goede. Ook niet, al tracht men die te kerstenen of een christelijk tintje te geven. De antithese, die er is tusschen christendom en heidendom, kan nu eenmaal niet overbrugd worden, en mag derhalve niet verdoezeld. De invoering van verschillende feesten in den tijd, waarover wij schrijven, heeft veel onwaarachtigheid in de hand gewerkt. Het was ten tijde van Constantijn de Groote niet onvoordeelig om Christen te zijn
De eerste ons bekende opwekking tot het christelijk vieren van den Nieuwjaarsdag treffen wij aan bij Chrysostomus, hoewel men er toch niet toe gekomen is om de burgerlijke invoering tot een kerkelijke te verheffen. Over het algemeen bleven de kerkelijke bijeenkomsten op den eersten Januari waarschuwingssignalen tegen de heidensche feestviering met haar losbandigheid.
Daar vele Christenen echter de heidensche Nieuwjaarsdag bleven medevieren, werd later van 31 December tot 2 Januari een vasten van drie dagen ingevoerd, wel een bewijs, dat het christendom dier dagen lang niet immuum was voor den geest des tijds. Ook op de latere Concilies werd bepaald, dat het den Christenen niet geoorloofd was aan de heidensche viering van den eersten Januari, waarbij het veelal gebruikelijk was, dat mannen zich als oude vrouwen verkleedden, deel te nemen. De hier bedoelde Concilies zijn gehouden van 589—650.
Al heeft men dus, zooals wij reeds zeiden, het Nieuwjaarsfeest niet officieel tot kerkelijk feest geproclameerd, toch heeft men na de invoering van het Kerstfeest, hetwelk ongeveer in het midden van de vierde eeuw geschiedde, aan den eersten Januari een zekere wijding geschonken, door op dien dag het feest van Christus' besnijdenis te gaan vieren. Het oudste bewijs hiervoor is een martelaar, die in het begin der vijfde eeuw op den eersten Januari den martelaarsdood heeft ondergaan, tijdens welke foltering hij riep : „het is vandaag de dag van Jezus' besnijdenis ; laat af van het heidensch bijgeloof en van de bezoedelde offers !”
Het Concilie van Tours (567) wenschte, dat er ter eere van Jezus' besnijdenis op Nieuwjaarsdag een mis zou worden opgedragen, terwijl Beda (gestorven in 753) op 1 Januari een preek hield over de besnijdenis van Jezus. Ook preekte men wel over Romeinen 15 VS. 7 en 8 : „Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods. En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen”.
De beteekenis van den eersten Januari als aanvang van het burgerlijk jaar werd in de R.K. Kerk hoe langer hoe meer uit het oog verloren. Langzamerhand werd het kerkelijk jaar heel anders dan 't burgerlijk. In Duitschland begon het met Kerstmis, in Frankrijk en bij de Longobarden enz. op 1 Maart, in Engeland en Ierland op 25 Maart, tot in de 18e eeuw toe. Elders begon het Nieuwe Jaar met Paschen of op 1 September, hetwelk bij de Byzantijnen het geval was, evenals in het Oost-Romeinsche rijk, waar zulks zich tot in den nieuwen tijd handhaafde. Op den duur echter moest de Kerk wel met de viering van den eersten Januari als aanvang van het burgerlijk jaar gaan rekenen, hoewel het ondanks alle kerstening een carricatuur van een kerkelijk feest bleef.
Tegen het einde der Middeleeuwen waren er wel predikers, die vanaf den kansel „het Nieuwe jaar uitdeelden". Verschillende standen werden dan apart toegesproken, waarbij het, naar bekend is, weleens zeer onsmakelijk en zonder zedelijken ernst is toegegaan.
Met name Luther is tegen dit misbruik van den kansel, opgetreden, wanneer hij op Nieuwjaarsdag een preek over Lucas 2 vs. 21 aldus aanvangt :
„Op dezen dag is men op den kansel gewoon „het Nieuwe Jaar uit te deelen", als had men overigens niets nuttigers en beters te verkondigen ; men geeft nuttelooze sprookjes inplaats van Gods Woord; van het waardig Ambt maakt men een spel en men maakt het te schande. Het Evangelie eischt van ons, dat wij prediken zullen over de Besnijdenis en den naam Jezus". Met geen woord gewaagt hij verder van 't nieuw begonnen jaar, hoewel ook hij het op 25 December liet aanvangen, hetwelk blijkt uit een andere preek, als hij zegt: „Men noemt de dag van vandaag Nieuwjaarsdag, naar Romeinsche gewoonte. Wij Christenen hebben onzen Nieuwjaarsdag op den heiligen Kerstdag. Dien Romeinschen Nieuwjaarsdag en al wat wij van hen hebben, laten wij nu varen. Omdat men echter het feest van de besnijdenis van Christus op dezen dag gesteld heeft, is het billijk, dat wij daarover vandaag preeken”.
Nog thans is de eerste Januari voor de R.K. Kerk de dag van Jezus' besnijdenis.
Ook wat betreft de viering der feestdagen heeft de Reformatie een eigen standpunt ingenomen.
In de eerste Christengemeente werd oorspronkelijk alleen de Zondag als opstandingsdag des Heeren herdacht. Men leefde uit de kracht van Zijn opstanding. Derhalve had men aan allerlei andere feestdagen geen behoefte, welke dan ook, wat betreft Paasch-, Pinkster-en Hemelvaartsfeest, dateeren uit de tweede tot de vierde eeuw.
Naar deze gewoonte greep de Hervorming in hoofdzaak terug. Van Calvijn is het bekend, dat hij, wanneer Kerstmis viel op een dag in de week, zijn gewone vervolgstof voortzette, en den daarop volgenden Zondag de geboorte van Christus herdacht.
De bezwaren tegen de feestdagen bij de Hervorming zijn drieërlei : Ie. achtte zij ze slechts als menschelijke instellingen ; 2e. was zij van meening, dat ze den Zondag verdrongen ; 3e. werkten ze h. i. losbandigheid en heidensche feestelijkheden in de hand. Daarom voelde de Hervorming voor viering niet veel. Ook de Synode van Dordrecht in 1574 wenschte alleen den Zondag, en maande van de overige feestdagen af. Tegen de tweede feestdagen verzette men zich zeer zeker.
Toch kwam het er in 1586 op de Synode te Middelburg van, dat; de eerste en tweede Kerst-, Paasch-en Pinksterdagen zouden worden gevierd. De Nieuwjaars-en Hemelvaartsdag waren toen nog facultatief, d.w.z. : men liet de viering aan de vrijheid der Kerken over.
Op verschillende particuliere Synoden is de ongelijkheid inzake het vieren der feestdagen ter sprake geweest, zoodat de Synode van 1618—'19 te Dordrecht den dienaren adviseerde te staan naar gelijkstelling van Nieuwjaars-en Hemelvaartsdag met de overige. In art. 67 der Kerkenordening doet zij dat met deze woorden : „Ende dewijl in de meeste Steden en Provintiën van Nederlandt noch ghehouden worden den dach van Besnijdinghe ende Hemelvaert Christi, sullen die Dienaers over al, daer dit noch int ghebruyck niet en is, bij de Overheden arbeyden, datse sich met de andere mogen congformeren". Zoo kon dus op een Provinciale Synode van Zuid-Holland te Gouda op 4 Augustus 1620 aangedrongen worden op aansluiting bij en navolging van bedoelde Dordtsche besluiten, ook wat betreft de viering van den Nieuwjaarsdag, welke wel niet terstond overal is doorgevoerd, maar welks viering later algemeen is geworden.
De Synode der Gereformeerde Kerken heeft in 1905 alleen de viering der eerste feestdagen en Hemelvaartsdag verplichtend gesteld. De tweede dagen, benevens de Nieuwjaarsdag, zijn aan de vrijheid der Kerken overgelaten om ze al of niet te vieren. In ieder geval heeft na 1618 de Nieuwjaarsdag als herdenkingsdag van Christus' besnijdenis zijn beteekenis verloren.
Tenslotte de vraag of het goed is, dat de gemeente des Heeren zich op Nieuwjaarsdag pleegt te scharen onder de bediening des Woords.
Waarom zou dit niet goed zijn ?
Mits men zich bewust is, dat de prediking des Woords feitelijk geen ander karakter behoort te dragen dan op den Zondag. Want op 1 Januari is er feitelijk niets nieuw. De dag van heden is gelijk aan dien van gister en morgen, wat betreft de broosheid en de vergankelijkheid van het menschelijk leven. Ook onze verdorven harten dragen wij vanuit het oude jaar het nieuwe in. Dat kan de prediking op den Nieuwjaarsdag zijn.
Alleen Gods Woord bepaalt ons bij het waarachtig nieuwe. Al het menschelijke gaat onder, wijl de tand des tijds er aan knaagt. Wij zijn der vergankelijkheid onderworpen. Maar alleen de Heilige Schrift doet over al het tijdelijke en aardsche het licht der eeuwigheid opgaan. Wel blijft alles hier dan hetzelfde, doch de waardeering wordt anders, wanneer heel dit aardsche, leven verschijnt onder den glans van Gods licht.
Hoeveel men onder menschen ook vernieuwen moge, — het blijft alles wezenlijk oud. Het werkelijk nieuwe is voor deze bedeeling niet weggelegd. Krachtens ons aardsch zijn, zijn wij op het nieuwe niet ingesteld. Wij kennen slechts wat aardsch. is en uit de aarde.
Voor Gods kind echter is een nieuw kennen bereid, dat geheel andersoortig zal zijn als hetwelk wij hier ervaren, en waarop het woord van 1 Corinthe 2 vs. 9 van toepassing is : „Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God heeft bereid dien, die Hem liefhebben”.
Hier is en blijft, zoo zeiden we, alles oud.
Alleen in den hemel is het nieuwe.
De hemel en de aarde zullen nieuw zijn. De vrucht des wijnstoks zal Jezus nieuw drinken in het Koninkrijk Zijns Vaders. Met nieuwe tongen zullen Gods kinderen spreken, nieuwe schepselen geworden zijnde. „Zoo krijgt alles een nieuwen naam, een nieuw gebod, onder een nieuw Verbond, en het trekt alles naar het nieuw Jeruzalem, om daar te jubelen door het zingen van een nieuw lied".
„Ziet, Ik maak alle dingen nieuw !”
Dat is Gods Evangelie.
Altijd !
Ook op 1 Januari 1937 !
D.
d. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's