De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God. Filippensen 4 : 6, 7.

Eén woord om het nieuwe jaar mee te beginnen.
Het oude jaar is weggewiekt, omgevlogen. De Dichter wist het wel. Hij zegt zoo teekenend: „wij vliegen daarheen". Wat hieruit blijkt, zeer duidelijk, is dit, dat het geldt voor alle eeuwen. Gold het voor zijn dagen, het geldt thans niet minder.
Het nieuwe ligt voor ons.
Ongetwijfeld schuilt hierin eene bekoring. Eene bekoring, waaraan niemand zich onttrekt, die ge dan ook van ieders aangezicht afleest. Of hebt ge er één ontmoet hedenmorgen, die zich had weten vrij te houden van dit, naar het ons toeschijnt, zuiver normaal verschijnsel ? Immers normaal mag het worden genoemd. Als ge iemand ontmoet voor de eerste keer, trekt hij ongemeen de aandacht. Ge neemt hem, van zijn kant onopgemerkt, toch van alle kanten op. Daar is èn aan zijn persoon èn aan zijn doen en laten weinig wat u ontgaat. Het nieuwe spant de aandacht. Doch dit niet alleen, het wekt ook nieuwe gevoelens. Noem deze met een naam, dien ge wilt, zeg nieuwe hoop, nieuwe verwachting, — intusschen houdt ge nog ééne gedachte verborgen en deze is „blijdschap”.
Hierin stemt het Nieuwejaar-gevoelen overeen met al het andere.
Wanneer iets nieuws door u verkregen wordt — merk het maar eens op bij uwe kinderen, als een nieuw speelgoed wordt binnengedragen — wordt onmiddellijk het oude, vaak lang niet op zachtzinnige wijze terzijde gelegd. Zoo zijn uwe gangen hiervan weinig onderscheiden. Het oude met zijn gebreken kan tegen het nieuwe, waarvan ge niets weet, niet op. Het legt het af, onverbiddelijk af.
Zoo is het dan ook zielkundig te verklaren het verschijnsel, wat ge noemt het onderscheid tusschen een Oudjaarsavondstemming en die van Nieuwjaars-morgen.
Het is verwonderlijk, hoe alles, wat toch ook niet ontbloot was van werkelijkheidszin, schijnt weggevaagd, zoodra klokke 12 heeft uitgeslagen. Dan is daar opeens een andere trek op het gelaat getooverd. Dan hoort ge van alle zijden: „veel heil en zegen". Dan is de traan weggegleden en het aangezicht spreekt van blijde ontroering.
Het nieuwe zal het oude verbeteren.
Zou het wel waar zijn?
Zou het, zegt ge, de meest zachte toets van onderzoek kunnen velen?
Is het niet al te doorzichtig, dat heel de wereld, ook wij: gij en ik, een spel spelen met ons zelven ?
Waarom zou het nieuwe een andere uitkomst geven dan wat voorbij gleed ? Toen 1936 begon, waren uwe gedachten niet anders dan die van heden. Zeg mij, waar vindt ge een schepsel, dat zichzelf gemakkelijker een blinddoek voor bindt, dan een mensch? Hij wil maar niet erkennen de werkelijkheid van het heden, vandaar dat hij zich paait met de gedachte : „zou het nu niet anders zijn? Zou wat komt niet meer dan halverwege aan mijn gespannen verwachting tegemoet komen? ”
Wonderlijk is het.
Zoó falikant kan, wat voorbijgleed, niet zijn uitgekomen, of wat zich meldt, wekt nieuwe hoop, nieuwe verwachting; het toovert zelfs een glimlach op het zooeven nog somber-gespannen aangezicht. Het zal — zoo spreekt hij het uit, zonder het te zeggen, dat een ander het hoort — nu beter zijn.
Eéne vraag schijnt ons niet misplaatst.
Is daar in een of ander verborgen hoekske van zijn eigen hart niet eenige twijfel, niet eenige zorg, niet een weinig bangheid ?
Het noemen alleen is meer dan voldoende om bij de ontnuchtering, welke wij hebben doorgemaakt, in de laatste jaren inzonderheid, dit gevoelen wakker te roepen : „mijn Nieuwjaarsmorgen was niet zoo, als die wel eens geweest is. Ik zag en zie te veel. Ik hoorde en hoor zoo menige klank, welke mijne ziel met bange vrees vervult”.
Zie, tot de zoodanigen — en ik vermeen dat deze niet weinigen zijn — mogen wij thans de troostende waarheid voorhouden, hun dezen raad gevende, deze gedurig weer voor oogen te stellen, welke ge leest in den brief van den apostel Paulus aan de Filippensen. Filippensen 4 vers 6 en 7 :
„Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en zinnen bewaren in Christus Jezus”.
De Apostel, aan wien ons woord voor thans werd ontleend, zegt in een van zijn brieven, wanneer hij van zich zelven iets zegt: „ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij". Hij wil hiermee te kennen geven, dat hij onttroond is, zijn ik-heid was gebroken. Christus was het leven van zijn leven geworden.
Vanuit dit punt laat zich alles verklaren wat ge opmerkt in dit rijke leven.
Dat deze opmerking voorafgaat, vindt hierin zijn oorzaak, dat de mensch zoo lichtelijk geneigd is tot schepselvergoding over te gaan en bij heiligen-aanbidding te eindigen. Dit komt de eer van Christus te na en is eene miskenning van de goedheid Godes.
Laat ge de dingen staan, zooals de apostel zijn leven telkens belicht, zoo wordt de Heere Zelf hoe langer hoe dierbaarder en Christus van dag tot dag begeerlijker. Zoo is 't ook altijd aangevoeld door ieder, die het Woord Gods met verlichte ogen des verstands mocht lezen.
Zoo ook hier.
In onzen zendbrief leest ge toch zulke wonderlijke dingen, wonderlijk voor ieder, die het niet verstaat, zelfs onwijze dingen.
Stel u eens voor, dat daar voor u zit een man in den kerker, iemand, die van zijn vrijheid is beroofd, zal deze nu nog in staat zijn anderen te troosten en tot blijdschap te stemmen ?
Onmogelijk, zegt ge. En toch doet hij het. Zie, dit geheim wordt ons alleen verklaard door den band aan Christus. Datgene, dat in den Heere werd gevonden, zonder eenige beperking, omdat Hij de volmaakt Heerlijke, omdat Hij God Zelf is, datzelfde wordt in beginsel ook gevonden in degenen, in wie Christus tot openbaring komt.
De Apostel zegt hier in het 4de hoofdstuk van den Filippensenbrief : „Verblijdt u in den Heere ten allen tijde, ja, wederom zeg ik u, verblijdt u”.
Dat kan niet, zegt degene, die dit leven in Christus niet kent. Hij zegt: dat is onmogelijk.
Het gaat vanzelf, luidt het antwoord. Niets hebbende en toch alles bezittende. Aan alles gebrek en toch overvloed. Dat kan alleen worden verklaard, omdat God Zelf de bron is en Christus door Zijn Geest de toevoer ontsluit.
Neem zoo onze tekstwoorden eens voor u. Daarin lees ik drie dingen, waarop uw aandacht mag worden gevestigd:
1. Geen zorgen.
2. Laat het God maar weten.
3. Uw hart wordt met vrede vervuld.
„Geen zorgen”.
Het Woord zegt het zoo : „Weest in geen ding bezorgd".
Nu zegt ge : dat gaat me toch eigenlijk te ver. In geen ding bezorgd. Dat is een raad, onmogelijk om op te volgen. Laat het waar zijn, dat wij vaak noodeloos ons onder de zorgen begraven, onder de zorgvuldigheden des levens gebogen gaan, ik wil het grif belijden en dadelijk toegeven, ik zal de laatste zijn om te ontkennen, dat hierin o zoo dikwijls een zondig-hoogmoedig hart verborgen is, maar om nu zóómaar dit woord van den Apostel te aanvaarden, schijnt mij ondoenlijk”.
In geen ding bezorgd ?
„Ik wou dat ik het kon”.
Nu is het Nieuwjaar, alles predikt blijde hoop en nieuwe verwachting, tenminste wanneer ik iets van de aangezichten van hen, die ik ontmoet, mag aflezen. Ik heb me dan ook zelven zoeken op te beuren door de gedachte „om niet te veel te tobben", maar kan ik het helpen, dat deze bange gedachte door mijn brein flitste en die pijnlijke herinnering me aangreep. Neen, die eisch, hier gesteld is onmogelijk.
Toegegeven, dat gij met uw scheepken niet gemakkelijk de haven uitkomt, dat ge tegen dat havenhoofd en tegen die stuitpaal alweer dreigt te botsen.
Doch nu heb ik ook een vraag „hebt ge daarmee al eenig resultaat verkregen ? Heeft het u al iets vooruit geholpen ? "
Met bezorgd zijn, zoo luidt het eigen woord des Heeren, doet niemand iets aan zijne lengte toe. Het brengt u nooit één haartje vooruit. Het schrapt nooit één post van het lijstje uwer zorgvuldigheden,
In plaats van vooruit gleed uw voet achterwaarts. Tegen den muur der werkelijkheid stoot ge u te pletter.
Alles toegegeven, zegt ge, maar toch i weet ik niet hoe uit de impasse te kunnen geraken. Welk mensch zou er op de wereld zijn, die tot jaren des onder scheids kwam, die zeide : „uit mijn woordenboek ( is het woord „zorgen" verdwenen”.
Dit leert ons toch de ervaring van den dag, dat, waar ge ook komt, overal stoot ge op hetzelfde verschijnsel.
Kom maar eens in een gezelschap en ge raakt een puntje aan van uw eigen leven, wat u moeite biedt, of van alle kanten wordt u toegefluisterd: „'t is bij mij net zoo”.
De oogenblikken van onverdeeld genot zijn zoo luttel, onmiddellijk steekt het veelkoppig monster van de bezorgdheid zijn gittigen angel naar voren. Ja op ditzelfde oogenblik kan het zijn, dat ge u geplaagd voelt door een of ander stil verdriet. Is het u nooit overkomen. Moeders, dat ge u op pad bevondt naar het huis des Heeren dat ge, onder het gaan nog fluisterstemmen beluisterdet van heel dicht bij, hebt ge dit niet vergeten ? of hebt ge daaraan wel gedacht ? Als het maar goed uitkomt.
„Onder de zorgen", zoo mag ik gerust getuigen.
Is het nu niet wonderlijk, dat ditzelfde verschijnsel zich overal laat opmerken, 'k Behoef u niet te zeggen waarheen dit wijst.
De, mensch, zooals hij uit Gods hand is voortgekomen, zag het levenslicht onder een wolkenloozen hemel, onder een van zorgen vrij looverdak.
Omdat wij het Paradijs kwijt zijn, stoot onze voet zoo pijnlijk tegen doorn en distel. De zonde heeft de gansche wereld omstrikt met banden van kommer en zorgen. Wordt er wel ooit een huis gebouwd, waar niet eenmaal de gordijnen zullen worden neergelaten en men met fluisterstem elkander zal waarschuwen : „daar is een doode”.
Er wordt geen leger gespreid, of eenmaal zal er een of andere krankheid zich in bedden. Aan de zonde kleeft vloek en uit den vloek wordt het leed geboren. En het leed is de moeder der zorgen. Niemand ontkomt er aan. Indien de mogelijkheid bestond, dat hij vergeten kon de plaats waar eenmaal zijn wieg stond, hij zou dit leed niet kennen, doch thans staat het in onuitwischbaar schrift ingegrift in de wanden van zijn ziel: „gij zijt uit Gods hand uitgetreên", dat wil zeggen „goed", dat is „zonder zorgen”.
En nu zóó.
Van alle kanten er door omsloten.
Is het dan niet te veel gevergd, wat de Apostel hier leert: „wees in geen ding bezorgd”?
’t Is zorgen van alle kanten. Geen hart, zoo geeft ge zelf toe, of het krijgt zijn smart, en dientengevolge zijn zorgen. Het behoeft nog heelemaal geen eigenliefde te zijn, vaak drukt ons neer de zorg voor wie God ons gaf om te verzorgen. Nu is het een kind, dan een vader, nu een broeder, dan een zuster. Ja het leven van uw volk, van uw Kerk kan u drukken. Bezorgdheid vergezelt u als een makker, en nu wordt mij deze eisch voorgelegd „wees in geen ding bezorgd". „Waarlijk, ik kan het niet vatten”.
Wij hebben hierop maar één antwoord, of gij het vat of niet vat, het blijft in den grond hetzelfde. De Apostel Paulus zegt het niet eigener beweging. Niet hij is de uitvinder, neen het is Gods eigen Woord, dat Hij u door de hand van Paulus voorlegt.
Wanneer het eerste waar was, zou een gerechte critiek kunnen worden geoefend, doch nu is dit uitgesloten. God de Heere stelt nooit een eisch, of deze bedoelt te zijn een raadgeving, een vingerwijzing in de richting van ons eigen heil. Vandaar zou ik dit woord van den Apostel willen noemen een terechtwijzing of wilt ge een handwijzer om te ontkomen aan de knellende greep van ons eigen zondig bestaan.
Wie in en door Christus God heeft leeren kennen als Vader, kan en moet zijn zorgen geven in die hand. Door iets voor zich zelf te houden, geeft hij blijk, dat de verhouding waarin hij staat tegenover zijn Vader niet deugt.
Neemt maar als voorbeeld uw eigen kind. Uit tal van dingen laat zich afleiden, omdat ge uw kind kent, merkt ge dit dadelijk, dat het iets heeft waarover het tobt. net anders zoo vroolijke kind biedt thans een meewarigen aanblik. Weet ge wat dan een rechtgeaarde vader doet ? Hij vraagt met alleen, wat er mankeert, doch laat duidelijk aanvoelen, dat hij in de allereerste plaats de man is, die er voor aangewezen is, om wat er aan schort, zoo mogelijk weg te nemen, 't Is iets krenkends, dat hij het niet weten mag.
Ziet daar de sleutel van het geheim, waarom de Apostel het een aan het andere verbindt. „Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God”.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's