STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE OMMEKEER
Het vraagstuk der ontwapening, of juister gezegd — van de eenzijdige, nationale ontwapening, heeft in de vijftien jaren, welke achter ons liggen, voor een niet onbelangrijk gedeelte de politiek van ons land beheerscht.
Waarom de meening met betrekking tot de weerbaarheidsgedachte zich juist tusschen de jaren van 1920—1935 in de richting der ontwapening bewogen heeft, is bekend.
Na den wereldoorlog vatte toch bij velen de meening post, dat de vrede voor altijd, althans voor lange jaren zou verzekerd zijn. De gruwelen van den oorlog, die de volken aan den lijve hadden gevoeld, zou de menschheid — zoo sprak dezer dagen nog de oud-minister van Oorlog van Dijk — wel terughouden van het opnieuw voeren van oorlog. Het economische leven zou vele jaren eischen om tot herstel te geraken.
De centrale mogendheden waren ontwapend. De Volkenbond als rechtsorganisatie van de aangesloten staten, zou in staat zijn om geschillen en conflicten langs vreedzamen weg op te lossen, terwijl de ontwapening, althans de zeer sterke beperking van de bewapening, daartoe krachtig zou medewerken.
Als gevolg nu van dit inzicht, dat bovendien nog beïnvloed werd door de leidende beginselen van het Volkenbondspact, dat op het punt der defensie de collectieve veiligheid op den voorgrond schuift, kreeg onder het programma van het pacifisme, dat steeds sterker om zich heengreep, de gedachte van inkrimping der weermacht tot een politieleger grooter aanhang, welk streven tenslotte de eenzijdige, nationale ontwapening in het centrum der politiek plaatste.
Zoo gingen de jaren van nationale inzinking als gevolg van de ontwapeningsleuze voorbij, totdat bleek, dat het streven naar versterking van de internationale rechtsorde niet met succes werd bekroond, de ontwapeningsconferenties geen tastbaar resultaat opleverden, internationale moeilijkheden zich voordeden en de internationale spanningen toenamen.
Toen kwam de ommekeer ; het standpunt van de eenzijdige, nationale ontwapening werd door de ontwapenaars prijsgegeven en het beginsel aanvaard, dat het voor ons land noodzakelijk is om maatregelen te nemen ten einde ons te kunnen verweren tegen mogelijke aanvallen op ons grondgebied in Nederland en in Nederlandsch-Indië, waarbij het tevens werd uitgesproken, dat instandhouding en versterking van de weermiddelen daarvoor vereischte is.
Deze gewichtige stap deden eerst de Vrijzinnig-democraten, daarna volgden, ook al ging het nog wat schoorvoetend, de Sociaal-democraten.
Tot deze hoogte hebben zich intusschen de Christen-democraten nog niet kunnen opwerken. Deze blijven, wat er in het buitenland ook gebeuren mag, en hoe groot ook het gevaar is, dat onze grenzen bedreigt, aan de leuze getrouw van „geen man en geen cent" voor de landsverdediging.
Zoo is de gang geworden van de historie der ontwapening.
Voor ons volk een baken in zee.
UITNEMEND GESLAAGD
Zooals wij hierboven schreven, staan de Christen-democraten op het stuk der ontwapening in hun isolement. Hun actie voor de ontwapening is intusschen niet gegrond op utiliteits (nuttigheids) overwegingen, maar gaat uit van het beginsel, dat elke oorlog zonde is en dat elke oorlog, ook de verdedigingsoorlog, van Christelijk standpunt moet veroordeeld worden.
De stelling die het Christen-democratische Kamerlid van Houten verleden week in de Tweede Kamer verkondigde, was deze : „De mensch, van nature geneigd God en den naaste te haten, heeft het egoïsme, het „heilig eigen belang tot leidend beginsel der economie verheven en grijpt, nu economische problemen nationaal en internationaal de politiek beheerschen, naar elk middel om verworven bezit te verdedigen, of begeerden buit te bemachtigen”.
Het was in de Tweede Kamer de heer Amelink, die een poging deed om deze stelling te ontleden en daarin, naar het ons wil voorkomen, uitnemend slaagde.
De anti-revolutionaire afgevaardigde zeide:
Tegenover de stelling, dat deelneming aan eiken oorlog zondig is en elke oorlogsvoorbereiding van Christelijk standpunt veroordeeld moet worden, meen ik met een enkel woord te moeten opkomen.
Voorop stel ik, dat hetgeen ik zeg geen betrekking heeft op een aanvalsoorlog. Oorlog wil hier niemand. Het gaat slechts om de vraag of wij, wanneer wij aangevallen worden, wanneer wij in een oorlog worden betrokken, ons mogen verdedigen, of wij voor ons vrij en zelfstandig volksbestaan de wapens mogen opnemen om deze hooge goederen te beschermen en te verdedigen.
Tegenover het oordeel van den heer van Houten wil ik het oordeel stellen van een drietal mannen, die in hun leven door woord en daad getoond hebben waarlijk Christenen te zijn, een drietal mannen uit den ouderen en nieuweren tijd.
Allereerst het oordeel van Calvijn. In zijn Institutie komt hij ten opzichte van het vraagstuk van den oorlog tot de volgende conclusie :
„Zoo leert ons dan de natuurlijke billijkheid en de gelegenheid des ambts zelf, dat de prinsen gewapend zijn, niet alleen om door een wettig oordeel te straffen de misdaden van eenige bijzondere personen, maar ook om de landen, die onder hun toezicht en bewaring staan, door oorlog te beschermen, wanneer die vijandig aangetast worden. En de Heilige Geest verklaart door veel getuigenissen der Schrift, dat zulke krijgen en oorlogen wettelijk en rechtvaardig zijn”.
Men lette er op, dat ook Calvijn het toen reeds zoó stelde, dat oorlog alleen mocht gevoerd worden om het volk te beschermen, wanneer het volk vijandig aangetast zou worden. Maar zulk een verdedigingsoorlog wordt door Calvijn niet alleen geoorloofd geacht, maar plichtmatig verklaard.
In de tweede plaats, het oordeel van den grooten Christen staatsman mr. Groen van Prinsterer. Van hem is dit woord :
„De oorlog een noodzakelijkheid, een plicht, een zegen, dat behoeft ons Nederlanders niet te worden betoogd, op dezen, door tachtig jarigen strijd voor godsdienstvrijheid, geheiligden bodem. In dit aan de wateren ontwoekerde landeke, steunpunt, onder de prinsen van Oranje, der zegevierende worstelingen voor de onafhankelijkheid der Staten van Europa. Tegen Spanje, tegen Oostenrijk, vooral ook tegen Frankrijk, zelfs toen het met Engeland tot onze vernietiging zaamgespannen scheen. Op dergelijke krijgsbedrijven zien wij met nationalen trots, neen, met lof en dank aan den Heer der krijgsscharen, terug. Niet de opgewondenheid van het oogenblik, maar het oordeel der nakomelingschap heeft daarop den stempel der rechtmatigheid niet alleen, maar der onwaardeerbaarheid voor de hoogste belangen der Christenheid gedrukt”.
Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand als de heer Van Houten, die met ons erkent, dat God de Heere is, die het lot der volkeren leidt, dit woord van Groen van Prinsterer niet zou onderschrijven. Als Nederlanders weten wij toch, dat wij ons vrije zelfstandige volksbestaan onder Gods zegen hebben verkregen in een langjarigen krijg tegen het toenmaals machtige Spanje. En wij weten ook, dat deze strijd is ontstaan uit het Christelijk geloof, gevoerd is voor vrijheid van godsdienst en geweten, en gevoerd is, trots veel, dat ook in dien strijd onheilig was, met vertrouwen op God, die ons volk heeft uitgered en het een plaats gegeven heeft in de rijen der volkeren.
In de derde plaats het oordeel van een man uit den nieuweren tijd. Het is het oordeel van prof. dr. H. Bavinck, een man, die werkelijk niet lichtvaardig over het oorlogsprobleem denkt. Maar daarom is zijn woord van te meer beteekenis. Prof. Bavinck heeft eens deze woorden geschreven:
„Er kunnen voor een volk tijden aanbreken, waarin geen andere uitweg dan oorlog overblijft. Als het in zijn bestaan wordt bedreigd, of in zijn vrijheid van godsdienst en geweten aangerand wordt, dan is het bieden van weerstand, tot op het slagveld toe, een goddelijk recht en een heilige plicht. De Regeering, die in zulk een geval haar onderdanen niet tot den strijd opriep, zou het bewijs leveren, dat zij onbekwaam was voor de taak, welke van Godswege haar toevertrouwd was. Want er zijn goederen, zedelijke en geestelijke goederen, welke meer waard zijn dan voorspoed, welvaart en vrede, en waarvoor men goed en bloed veil moet hebben”.
De toepassing, welke de heer Amelink op dit drieërlei oordeel maakte, luidde
Het oordeel van deze drie mannen, wier leven een strijd is geweest voor de eere van God en de doorwerking der beginselen van Gods Woord in het leven der volkeren en van ons volk, steunt op de Heilige Schrift. Wie de Heilige Schrift, Oude en Nieuwe Testament erkent als Gods Woord, de eenvoudige waarheid van dat Woord erkent en aanvaardt, kan niet tot de conclusie komen dat deelneming aan eiken oorlog zonde is.
Wij gelooven, dat de heer Amelink uitnemend geslaagd is in de bestrijding van de stelling der Christen-democraten, dat elke oorlog zonde is en dat elke oorlog, ook de verdedigingsoorlog, van christelijk standpunt moet veroordeeld worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's