De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Petrus en Jacobus.

10 minuten leestijd

Zoo zijn we dan de vorige keer geëindigd met te wijzen op de dubbele beteekenis van het Christen-zijn, n. 1. zoowel gedoopt zijn met den Heiligen Geest als gelooven in den Naam van Jezus Christus.
En nu zullen we dan nader stilstaan hierbij, hoe de Joodsche Christenen onder leiding van Petrus en Jacobus van het begin afaan meer de nadruk op het laatste gelegd hebben, dan zich tevreden te stellen met het eerste alleen.
Eén van de redenen daarvoor hadden we al genoemd, n.l. hun persoonlijke omgang met den Heiland ; hun van oogenblik tot oogenblik volgen van den zwaren weg van den Heiland tot den vuurdoop des Geestes. Dit was hun een voortdurende aanmaning om niet al té oppervlakkig zich te beroemen op den Geestesdoop, ziende op de dure prijs, daarvoor betaald. Een uitdrukking van Paulus als deze : „en al had ik Christus naar het vleesch gekend, voortaan ken ik Hem niet meer naar het vleesch, maar naar den Geest", zou Petrus nooit voor zijn rekening hebben durven nemen. Daarvoor was de herinnering aan den levenden Heiland in die drie jaren te diep ingegrift in zijn leven. En daar komt nog bij, dat Jacobus en Petrus, als alle Joden, minder geschikt waren om met symbolen en abstracte begrippen te werken. De Joodsche natuur is aangelegd op daadwerkelijk ervaren. Een woord is voor een Jood niet een klank, die versterft, een ademtocht, maar een woord is een ding, dat bijna te tasten is, dat uitgaat van den spreker en werkelijk iets doet, om dan terug te keeren tot hem, die het gesproken heeft, met datgene wat het bereikt heeft. Evenzoo is ons begrip Geest, voor den Jood allesbehalve een begrip. Geest is voor ons westersche denken meestal iets geheimzinnigs, wat we niet precies onder woorden kunnen brengen, iets onzichtbaars, dat niet na te gaan is. Maar voor den Jood bestaan alleen werkelijkheden, daar is Geest een kracht, die uitbreekt en waar deze niet openbaar wordt, daar is geen Geest. Zoo vervalt voor den Jood de tegenstelling „naar het vleesch en naar den Geest". Kan voor het westersche denken, al is de vleeschelijke werkelijkheid niet meer aanwezig, ja zelfs daarmee in strijd, toch de Geest nog heerschen, voor het Joodsche denken is dat onmogelijk. Daarom was de Pinksterdoop wel degelijk voor de apostelen een werkelijkheid, echter alleen werkelijkheid voorzoover zij kracht openbaarde. Zij hebben daar geen leer van gemaakt die nog zou gelden als de werkelijkheid zich anders zou openbaren. De Geestesdoop hebben zij in volle vreugde aanvaard en in de daadwerkelijke kracht van dien doop tot vergeving der zonde en de omzetting tot een nieuw schepsel hebben zij geroemd, totdat het tegendeel bleek. Vreeselijk zal de slag geweest zijn voor die eerste Christengemeente toen zich voor het eerst de zonde openbaarde in hen, die met den Heiligen Geest gedoopt waren. Wij met ons westersche abstracte denken hebben terstond de Pinksterdoop ingedeeld bij de symbolen en daarom begrijpen we niets van de geweldige straf, die Ananias en Saffira treft als zij liegen. Maar voor de Joodsche Christenen beteekende het dit, dat nu de Geestesdoop voor goed van zijn glorie werd beroofd. Dat Ananias en Saffira tengevolge daarvan stierven was niet het voornaamste, maar wel dat nu de harmonie der innerlijke kracht verbroken was. Nu was in die Geestesdoop niet meer de waarborg dat de drager daarvan een heilige zou zijn. Niet dat hun eigen Pinksterdoop nu hier haar kracht verloor. Dit feit bleef onwankelbaar en heerlijk daar staan als de machtsdaad des Heeren. Maar het doorbreken der zonde in de gedoopten verkondigde de Jeruzalemsche gemeente, dat voortaan die Geestesdoop uit zondaars geen heiligen meer maakte.
Doch werkelijkheidsmenschen als zij waren, baseerden zij zich nu in de nieuwe situatie. Terstond reeds valt zwaarder klemtoon op de verkondiging van Jezus' zoendood en opstanding en de eisch van bekeering tot vergeving der zonde wordt de inhoud der prediking. Vreeselijk toornde Petrus tegen Simon den Toovenaar, hoewel deze gedoopt was door Pilippus, omdat Simon zich blind staarde op de Geestesdoop, zonder daartoe de innerlijke gesteldheid des harten te bezitten. Hard en scherp zegt Petrus tot hem : „Gij hebt geen deel of lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God. Bekeer u dan van deze uwe boosheid en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven worde!" De consequentie van dit opgeven van het absoluut karakter van den Geestesdoop ligt dan ook verder voor de hand. Is er met dezen doop geen absoluut nieuw begin meer gesteld, dan geldt de eisch tot bekeering en gehoorzaamheid voortaan evenzeer den gedoopten als den ongedoopten. De heiligmaking meer dan de heiligheid is dan ook 't uitgangspunt voor de brieven van Petrus en Jacobus, levensverbinding met Jezus Christus meer dan Geestbezit en zijn uiting, het doel. Welke plaats aan den Geestesdoop hierbij gegeven werd blijkt duidelijk uit 1 Petrus 3 vs. 21 : „ waarvan het tegenbeeld de doop ons nu ook behoudt, niet (de doop) die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus". Afgezien van 't verband met het vorige vers waar sprake is van de vergelijking met het water van de zondvloed, is het zonder meer toch wel heel duidelijk, dat hier de doop niet positief als de opstanding tot een nieuw leven, doch veel meer negatief als een vraag tot God wordt gezien.
Maar waar het Christen zijn begint met een vraag en niet met een bezit, daar spreekt het vanzelf, dat hier geen zelfstandigheid mogelijk is. Een bezit kan hoogstens verdedigd, versterkt, aangevuld worden, maar 't voornaamste is er en al 't andere is betrekkelijk en bijkomstig.
Maar waar er geen ander positief bezit is dan een vraag, daar is in de eerste plaats leiding noodig om niet op niets uit te loopen. Doch daar dreigt ook van het begin af het gevaar, dat deze leiding en ondersteuning om de vraag tot zijn vervulling te brengen hoofdzaak wordt en de toon aangeeft.
In de concrete werkelijkheid van de Jeruzalemsche gemeente kwam 't er dus op aan om een richtsnoer te bezitten om te komen tot de levensgemeenschap met Jezus Christus. En daar de wet van ouds door God ingesteld was en een beproefde leiding had gegeven aan de vromen van oude dagen, grepen zij ook nu naar de geboden van Mozes.
Zoo werd de gemeente in Jeruzalem al spoedig reeds weer heengewezen naar de wet van Mozes en naar diezelfde mate groeide de gemeente aan daar zij nu met rust gelaten werden, totdat Stephanus optrad met zijn prediking tegen de wet, zooals 't in de aanklacht luidt : „Wij hebben hem hooren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God." Dat dit van Stephanus opviel bewijst wel klaar, dat de apostelen zelf zich niet tegen Mozes hadden uitgelaten, want zij predikten vrijuit en werden niet gegrepen. Wel niet met de volle instemming der apostelen is dan ook Stephanus' prediking tegen de wet geweest, wat wel hieruit blijkt, dat Stephanus straks niet wordt begraven door de gemeente als zoodanig, maar „door eenige godvruchtige mannen". Intusschen is toch zijn dood en de daarop volgende vervolging de oorzaak geweest dat deze terugkeer tot de wet nader werd getoetst. Nu verbannen uit de stad, verwijderd van Jeruzalem, het centrum van de wetsvervulling, sprak het lang niet meer zoo vanzelf, dat de wet van Mozes, met haar uiterlijke voorschriften de eenige juiste weg tot levensgemeenschap met Christus was. Integendeel, in het verhaal van Petrus' tocht naar den heidenschen hoofdman Cornelius blijken wel degelijk de gevaren van dezen weg. Het verzet dat de Heere eerst moet breken bij Petrus vóór hij gehoorzaamt, wijst er reeds op, dat 't hoog tijd werd voor de Christengemeente haar vleugelen breeder uit te slaan, wilde zij waarlijk in den vollen zin des woords gemeente van Christus blijven. Wij bezien dit verhaal meestal vanuit het oogpunt van de wondere heilsdaad aan Cornelius verricht, maar voor de gemeente lijkt mij deze daad toch wel degelijk te zijn bedoeld als een geduchte les van den Heere. Als Petrus zich verantwoorden moet voor de gemeente voelt hij zich geroepen zich — zooals wij reeds de eerste keer bespraken — als volgt te verontschuldigen : „En als ik begon te spreken viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons aan het begin en ik werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij zeide : „Johannes doopte wel met water, maar gij zult gedoopt worden met den Heiligen Geest". Indien dan God hun evengelijke gaven heeft gegeven als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God kon weren ? " Deze woorden bevatten een bedenkelijke bekentenis, n.l. deze, dat Petrus en de Jeruza­lemsche gemeente ongemerkt aardig op weg waren geweest de Pinksterdoop niet hooger aan te slaan dan de doop van Johannes den Dooper.
En nu valt het ons op, zooals we ook reeds de vorige keer zagen, hoe deze poging ook in 't Evangelie van Johannes tot uiting komt. Ook daar wordt getracht, in tegenstelling met de andere evangelisten, het verschil tusschen den Johannes doop en de Christendoop weg te werken. Dit laat althans wel dit zien, dat hier een bewust streven van de Jeruzalemsche gemeente geweest is om de beteekenis van den geestesdoop voor 't vervolg weg te werken, een streven echter, waartegen hier de Heere zelf protesteert. Dit protest gaat door in wat volgt, n.l. de stichting van de Heiden-Christengemeente te Antiochië (Hand. 11 vs. 20—24). Maar wereldruchtbaar zou dit protest worden in den man, wiens eerste optreden ons ook in datzelfde hoofdstuk nog wordt vermeld, n.l. Paulus.
Doch voordat we daar nu verder op ingaan moeten we wel eerst aan Petrus, Jacobus en de Jeruzalemsche gemeente recht laten wedervaren. Paulus zal straks b.v. het houden van de spijsgeboden, zooals Jacobus het vraagt, aanzien voor een tekort aan geloof, terugwijzend op een defect in de verhouding tot Christus, maar 't is wel zeer de vraag of dit nu werkelijk zoo is in de principiëele houding van Jacobus t.o.v. wet en Geestesdoop. Waar Jacobus in zijn brief de wet voornamelijk ziet als het gebod om den naaste lief te hebben als zichzelf, blijkt toch het klare inzicht in het werk van Christus zonder eenige verzwakking. En waar Jacobus, juist omdat hij Christus' woorden hooren en doen wil, zich neerbuigt tot de wet en daarbij blijft, is zijn verhouding tot de wet geen gebrek aan kracht des Geestes, doch veeleer uiting van die kracht.
Alleen maar, toen het er nu om ging om vanuit het gebod der liefde voor verschillende bepaalde inzettingen te beoordeelen, hoever deze nog gehandhaafd konden worden, was voor hen, die de nadruk legden op de gemeenschap met Israël het gevaar groot aan de inzetting meer waarde te hechten dan haar naar haar eigen belangrijkheid toekwam, omdat het uitgangspunt meer was een vraag dan een bezit.
Zeker, ook Petrus en Jacobus hebben geen oogenblik ontkend, dat door Christus de wet was afgelost. Dit blijkt wel hieruit, dat zij geen enkel bezwaar maken tegen het prediken van het Evangelie aan de heidenen, wat toch de wet niet toestond. Zelfs verlangden zij zelf in 't geheel niet, dat de heiden-Christenen besneden werden. De wet stond voor hen niet naast of zelfs boven het werk van Christus, maar de wet was geworden de koninklijke wet der vrijheid, die als zoodanig was ingevoegd in het woord en werk van Christus, en de verbintenis met die wet was een vrije.
Doch dit eene viel deze Joodsche mannen zwaar, om deze vrijheid t.o.v. de wet niet alleen te handhaven in de vervulling, maar ook in de opzij-zetting van de wet, als de Christelijke gemeenschap het vorderde. De Geest, die hen vervulde was wel degelijk Christus' Geest, maar de kracht was te zwak om te staan in die vrijheid, zooals het verloop der gebeurtenissen zal aanwijzen.
Hier zet dan ook de kritiek van Paulus in, waar wij de volgende keer over zullen spreken.
W.

B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's