KERKELIJKE RONDSCHOUW
WAAROM VIEREN WIJ KERSTFEEST OP 25 DECEMBER?
Het Kerstfeest is het eerste van onze Christelijke feesten. Dan volgt het Paaschfeest en dan komt het Pinksterfeest, met daar tusschen het feest van de Hemelvaart, en dan is de feestkring in ons kerkelijk jaar gesloten. Tusschen Pinksteren en Kerstmis is het „de feest-looze helft" van het kerkelijk jaar.
Dit eerste van onze Christelijke feesten (het Kerstfeest) is het laatst door de Kerk ingesteld. Van den beginne af werd met blijdschap en veel plechtigheid Christus' dood en verrijzenis herdacht en de herinneringsdagen aan Zijn verheerlijking (Hemelvaartsdag) en de vrucht daarvan (in de uitstorting van den Heiligen Geest) sloten zich geleidelijk bij Paschen aan. Maar het heeft tot het midden der 4de eeuw geduurd eer men Kerstfeest ging vieren. En toen geschiedde bovendien deze uitbreiding van den feestkring minder omdat men behoefte gevoelde aan een opzettelijke herdenking van 's Heilands geboorte, dan wel omdat men gaarne (in de 4de eeuw, toen het Christendom wereldgodsdienst stond te worden) de heidensche feesten door betere wilde vervangen.
Van 17—24 December werd door de heidenen met groote uitgelatenheid feest gehouden ter eere van de zon, die nu wederom toonde, dat de duisternis haar niet kon overwinnen. Hoe ingespannen leefden de heidenen met dit natuurgebeuren mee ! Want dat natuurgebeuren tijdens de kortste dagen en de langste nachten, met den zichtbaren strijd van de duisternis met het licht, was voor hen een geweldige realiteit. En er was voor den heiden op 't laatst van de maand December alle aanleiding tot feest vieren ! Donkere dagen waren al donkerder geworden en het scheen eiken dag, alsof de zwarte nacht het winnen zou van den lichten dag ; de zon verloor het merkbaar tegen de duisternis en dat was voor den heiden vreeselijke werkelijkheid. De heidenen leefden zoo geweldig dicht bij de natuur en de natuur was alles voor hen. De nacht, de duisternis, was voor den heiden een persoonlijke macht, die maar één bedoeling had : het rijk van het licht afbreuk te doen en zoo mogelijk, geheel te vernietigen. En de zon was voor der heidenen bewustzijn een persoonlijke macht, die in December („de donkere dagen vóór Kertsmis, zooals wij 't noemen) onder het overwicht van den druk der duisternis, onder lag, verslagen werd ! Men kon het zien, dat zulks inderdaad het geval was, want de dagen werden al korter en eiken dag werd er weer een stuk afgeknaagd van het machtsgebied van de zon.
De heiden zag dat als een geweldige, vreeselijke werkelijkheid ; en hij zag het niet onverschillig aan. Want de zon was voor hem het licht, met leven, gezondheid, welvaren, vreugd. En de duisternis, de nacht, was voor hem de werkelijkheid van afgrijselijke geesten en machten, die het gemunt hebben op het leven, de gezondheid, het geluk van de menschen ; die ziekte en droefheid en dood brachten, vol van allerlei kwelling en kwaad.
Intens leefden de heidenen mee met het natuurgebeuren. En ziet, als dan de dag weer iets langer werd en de nacht kromp in, als dan het rijk van het licht weer stukske voor stukske in sterkte en invloed won — dan verloren het de duistere machten, dan groeide weer de licht-heerschappij. En dat beteeken de bevrijding van de nachtgeesten, die dood en verderf, die kwelling en kwaad brachten in de huizen en in de schuren en in de stallen en op 't land ; dat beteekende de overwinning van de zon, die licht en leven en gezondheid en welvaren en vreugd
brengt.
De dagen gingen weer lengen in het laatst van de maand December. Dat was voor den heiden een reden om in luid gejuich uit te breken en luidruchtig feest te vieren en jubelkreten uit te stooten! De zon had bewezen onoverwinnelijk te zijn! Gelukkig! Nu waren ziekte en dood, ellende en schade niet de triomfeerende machten op aarde : de duistere ongeluksgeesten waren verslagen ; het licht en het leven hadden het gewonnen ! Wat groote zegen dus !
Dat feest der overwinnende en onoverwinnelijke zon kwam in de geheele oude wereld voor. Op den 25sten December (vroeger begonnen de jaargetijden niet op den 21 sten dag van Maart, Juni, September en December, maar op den 25sten, wat in de 4e eeuw pas is veranderd) vierde Egypte z'n feest van de geboorte van Horus, die uit Isis was voortgekomen, als de jonge zonnegod. Perzië had z'n feest van Mithra's geboorte, een zonnegod, wiens eeredienst in de eerste eeuwen onzer jaartelling wijd en zijd door het Romeinsche rijk verbreid was (de zonnegod werd voorgesteld door een jongeling, op een stier gezeten). Ook Rome had z'n feest van „de onoverwonnen en onoverwinnelijke zon" (Sol invictus). En onze Germaansche voorouders vierden hun Joel-feest, dat van 25 December tot 6 Januari duurde, twaalf heilige nachten aaneen. Die feesten gingen gepaard met het geven van geschenken aan elkander, met het oprichten van denneboomen, met het ontsteken van lichten, met het vervaardigen van allerlei gebak in den vorm van het zonnerad. Dan begon er een nieuwe tijd, dan begon er een nieuw jaar. En er was groote blijdschap bij heel het volk en in alle landen.
Wat heeft nu de Christelijke Kerk gedaan, toen zij, na den overgang van Keizer Constantijn den Groote tot het Christendom, midden in de heidenwereld kwam te staan en de heidenen in menigte overkwamen tot de Christelijke Kerk ?
De Christelijke Kerk heeft het eenige feest uit Jezus' leven, waarvoor geen preciese datum te noemen is, n.l. Zijn geboortedag, overgebracht in den tijd van het heidensche lichtfeest, het feest van de overwinnende en onoverwinnelijke zon ! Naar den tijd van het feest van licht en leven en blijdschap ; het feest van zegeningen en vreugd. En zoo werd de 25ste December (de jaargetijden begonnen vroeger met den 25sten en niet met den 21sten dag !) bepaald tot feestdag van de geboorte van Christus, de Zonne des heils. Hun mooi en boeiend, vroolijk en blij zonnefeest, moesten de heidenen, die tot de Christelijke godsdienst overgingen, missen. 25 December was geen zonnefeest, geen Joel-feest meer, met lichten en denneboomen, met gebak en met geschenken. Maar nu kwam het feest van den opgang van de Zonne der gerechtigheid, het feest van de geboorte van den Heiland, er voor in de plaats ; het feest van Hem, die kwam om de duisternis en de schaduw van zonde en dood te verdrijven ; het feest van Hem, die in waarheid de onoverwinnelijke en onoverwonnen Zon is. Wiens schijnsel nooit meer zou ondergaan. En had het heidendom luide gejuicht, eeuw na eeuw, over zijn aardsche zon, luider en blijer juichten de Christenen over hun hemelsche Zon.
Zoo heeft de Kerk van Christus zich aangepast aan de diep ingewortelde volksgebruiken, waarover we niet te gering moeten denken ! En de heidensche gebruiken werden nu ontdaan van hun heidenschen inhoud en opnieuw gevuld met een christelijken inhoud. Voor het uitwendige bleef alles wat het was, maar het inwendige onderging in alles een radicale wijziging. De volksverbeelding ontving, dikwijls in dezelfde vormen, nu andere dingen. En zoo heeft de Mithra-dienst en het Joel-feest het verloren. Wat Mithra gaf, dat gaf Christus veel heerlijker en veel meer als werkelijkheid. En de Mithra-dienst verdween, het Joel-feest raakte z'n populariteit kwijt. Het Kerstfeest kwam er voor in de. plaats, toen het Christendom de wereldoverwinnende godsdienst werd sedert de 4de eeuw. En in het Kerstfeest, met de overwinning van het licht en het leven, lag voor de Kerk van Christus de profetie, dat Christus zou gaan regeeren van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Het einde van December brengt voorwaar nog niet de volle pracht van den zomer, vol licht, maar slechts een schuchter begin. Maar in dat kleine, zwakke begin van de overwinning van de zon op de duisternis, ligt toch de stellige belofte van de overwinning van het licht op den vollen dag ! En zoo is de geboorte van den Heiland slechts een klein begin, maar toch het begin van een groote overwinning, van een eeuwige heerlijkheid in den dag der dagen, waarvan de dag van de Hemelvaart een voorsmaak geeft.
DE DOLEANTIE DOOR ONS VEROORDEELD (1)
Nadat we hierover een en ander schreven, naar aanleiding van en in aansluiting met een artikel van prof. Honig, den nu pas afgetreden hoofdredacteur van „De Bazuin" — de Heere geve dezen waardigen en sympathieken grijsaard, dien we met diepe ontroering pas nog hoorden spreken op den kansel der Ned. Herv. kerk te Huizen, bij gelegenheid van de begrafenis van ds. Batelaan, nog een rijk gezegenden rusttijd! — willen we nog in een paar artikelen met elkander over „De Doleantie" spreken. Niet om „oude koeien uit de sloot te halen". Nog minder om „oude wonden open te rukken". En nog veel minder om verbittering te werken onder de broederen. Maar uitsluitend om nog eens ons beginsel naar voren te brengen, met het oog op het kerkelijk probleem, dat meer dan ooit weer aan de orde van den dag is. En dan wel, om den weg der Doleantie te beoordeelen en te veroordeelen — om de wille van Kerk en Volk •— en tegenover den weg der Doleantie te stellen den weg, waarvoor wij dertig jaar geleden welbewust gekozen hebben bij de oprichting (voortzetting) van onzen Gereform. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsche Hervormde (Gereform.) Kerk. (Statuten goedgekeurd bij Koninklijk Besluit dd. 28 Januari 1910, no. 5, Staatsblad no. 49).
Tegenover breken stellen wij bouwen. Tegenover het verlaten van de Hervormde Kerk stellen wij het „arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619" (artikel 4 van de Statuten, welk artikel onveranderlijk is — zie art. 13 — en met welk artikel onze Gereformeerde Bond dus staat of valt).
8 Febr. 1906 was de Geref, Bond tot vrijmaking der Nederlandsch Hervormde Kerken opgericht, onder de auspiciën van prof. Visscher, ds. E. E. Gewin e.a. Maar die Bond ging er niet in bij onze Hervormde menschen. Wij herinneren ons nog goed, dat wijlen de heer Turkenburg, van Bodegraven, z'n formulier tot aangifte van het lidmaatschap overhandigde, maar — het woord „Kerken" had hij doorgeschrapt. Velen hadden er aanstonds bezwaar-tegen de actie te leggen op politiek terrein, tot opheffing van de Kon. Besluiten van 1816 tot „vrijmaking van de plaatselijke Kerken, behoorende tot de Nederlandsch Hervormde Kerk" (oud art. 4 van het Statuut van den Bond tot vrijmaking). En zoo verliep de heele zaak, ook omdat de operateurs van deze affaire balloorig wegliepen, de een vóór en de ander na. Ze hadden geen geloof in hun eigen arbeid. Ze hadden geen vertrouwen in 't geen ze begonnen waren.
Toen hebben we in Utrecht een vergadering belegd waar alles nog eens grondig besproken is bij de vraag : moeten we onze actie staken of moeten we doorwerken ? en zoo ja, op elke wijze moet ons werk dan worden voortgezet ? — En het resultaat was evenzeer beschamend ten opzichte van degenen, die reeds de begrafenis besteld en geregeld hadden, als verblijdend voor degenen, die hoopten op voortzetting. Want met algemeene stemmen werd onder grooten bijval besloten : om te volharden en de actie met nieuwe kracht, in geloof en liefde, te doen herleven.
Op die vergadering van 7 October 1909 is toen als naam van onzen Bond aangenomen „Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid, enz." (artikel 1). En als „Grondslag en doel" is toen genoemd, wat nu in artikel 4 staat (zie boven).
’t Doel en het streven is dus : te arbeiden aan de weder oprichting van onze Ned. Hervormde Kerk uit haar diepen val. Niet verbreken, maar opbouwen. Niet verbrokkelen en verdeelen, maar herstellen, weder oprichten, weder opbouwen van die Kerk, die van ouds door den Heere in dezen lande geplant is. En dan de Synodale Besturen organisatie wèg, om weer te mogen leven onder een Kerkorde, waarin de Gereformeerde presbyteriaansche grondbeginselen terug te vinden zijn, naar de lijnen, door onze Vaderen in de Dordtsche Kerkorde getrokken — waarbij de Regenten-overheersching altijd een vreemd element is geweest en dan ook veroordeeld moet worden.
Van het loslaten en prijsgeven van de Nederlandsch Hervormde Kerk mocht dus geen sprake zijn onder ons. We moesten saam bouwen tot herstel en tot wederoprichting van de aloude Gereformeerde Kerk van Nederland, waartoe wij ons als Hervormden saam gingen verbinden.
Bijna dertig jaar hebben we dit doel ons voor oogen gesteld en voor oogen gehouden, en de Heere heeft den arbeid, in 1909 bij vernieuwing begonnen, zóó verrassend heerlijk gezegend, dat we er klein onder moeten worden, als ons oog er voor open staat ! Hoe is het kleine stekje tot een jonge, stevige, gezonde boom geworden ; telkens geschud, maar daardoor tegelijk telkens dieper inwortelend en winnend aan stevigheid. Er is reeds schaduw onder de takken. Er zijn al vele vruchten geplukt. De Heere heeft ons ruimte gegeven. En Hij, Die trouw is geweest in het verleden en doet wat Hij belooft, zal ook in de toekomst waar maken, wat Hij ons in Zijn Woord en Getuigenis heeft toegezegd ! Daarom willen we ook niet vertragen, maar is en blijft ons parool: voortvaren ! Waartoe we jongeren en ouderen oproepen.
Van Afscheiding noch van Doleantie moeten wij iets hebben. Wij willen Hervormde Kerkbouwers zijn. We willen mee herstellen wat in verval is gekomen ; vastgrijpend het woord dat we lezen in Jesaja 58 vers 12 : „En die uit u voortkomen zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen ; de fundamenten van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten : en gij zult genaamd worden : die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt om te bewonen". Zoo zal ook hier „voor een doorn een denneboom opgaan, voor een distel een mirteboom ; en het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teeken, dat niet uitgeroeid zal worden" (Jes. 55 vers 13).
In dezen onzen arbeid hebben wij iets gegrepen van dat wondere woord van den God des eeds en des verbonds, waar Hij van Zijn zondig volk zegt : „dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijnen lof vertellen". (Jesaja 43 vers 21), waarbij Zijn belofte ons mag troosten : „Want Ik de HEERE uw God grijp uwe rechterhand aan, die tot u zeg : Vrees niet. Ik help u". (Jes. 41 vers 13)
Tweeërlei weg bewandelt de HEERE, onze BodsGod, dan altijd.
Eenerzijds is het : „Door wederkeering en rust zult gij lieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zal uwe sterkte zijn". (Jesaja 30 vers 15).
Dat is de ééne weg : „stilzitten zal hunne sterkte zijn" (zie vers 7, 15, 16, 18, 19 van hetzelfde 30ste hoofdstuk van Jesaja). Of zooals we lezen Exodus 14 vers 14 : „De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn”.
Maar tegelijk met het „stil zitten" en „rustig blijven" (Jesaja 30 vers 15) — waarin de HEERE aan Zijn eere komt — weet de Heere ook te spreken van : werken en strijden, van bouwenden herstellen !
Dat verstond Nehemia, toen hij te Susan aan 't hof van den Perzischen koning was, en berichten kreeg van zijn broederen in Jeruzalem, die daar in grooten nood verkeerden in 't midden van de verwoestingen op den tempelberg, waar de muren van Gods heiligdom verbroken lagen.
Toen kon hij, de bidder, die wachten geleerd had, niet meer stilzitten. Toen moest hij naar zijn land en naar zijn volk terug. Toen moest hij aan 't werk, om met zijn landen geloofsgenooten saam aan 't werk te gaan, om de muren weer op te bouwen, om het huis des Heeren weer te herstellen !
En aan 't adres van allen, die hem van dit werk van Kerkherstel en Kerkopbouw wilden afhouden met allerlei redeneeringen, die zoo verwarrend en zoo ontmoedigend konden werken, zei hij : „God van den hemel, die zal het ons doen gelukken, en wij. Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen" — en tot degenen, die niet wilden meewerken, zei hij : „maar gij lieden hebt geen deel, noch recht, noch gedachtenis in Jeruzalem" (Nehemia 2 vers 20).
„Aan 't werk !" was de oproep van den Godsman. En zoö geschiedde het, dat „die aan den muur bouwden en die den last droegen en die oplaadden, waren een ieder met zijn ééne hand doende aan het werk en de andere hield het geweer" ! (Nehemia 4 : 17)
„En de bouwers, die hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lendenen gegord en bouwden" (vers 18). Des nachts betrokken er de wacht en de anderen waren des daags aan 't werk ! (vers 22).
Met verachting heeft men die „Kerkopbouwers" en die „Kerkherstellers" gehoond en gelasterd. Nehemia heeft het met smart en droefheid ervaren, keer op keer. Maar zijn bede bij en onder het werk was telkens : „Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles wat ik aan dit volk gedaan heb" (Nehemia 5 vers 19). Of zooals we lezen : „Gedenk mijner, mijn God, in dezen ; en delg mijne weldadigheid niet uit, die ik aan het Huis mijns Gods en aan zijne wachten gedaan heb". (13 vers 14).
Het was dus om „weldadigheid te doen aan het Huis zijns Gods" dat Nehemia het volk opriep tot den arbeid. En dat mocht hij ook neerleggen voor het aangezichte des Heeren, dat het alles was om „weldadigheid te doen aan het Huis des Heeren".
Zóó heeft de Gereformeerde Bond z'n werk gezien en ter hand genomen in den jare 1909. En zóó — vretend van „stilzitten in vertrouwen", maar óók van „bouwen en wederoprichten" — heeft de Gereformeerde Bond nu jaar na jaar gearbeid, voor het aangezichte des Heeren neerleggend : de weldadigheid aan het Huis des Heeren gedaan.
(Wordt voortgezet.)
DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (10)
We willen nog één artikel uit „Wezen en Taak der Kerk" vermelden en in enkele hoofdtrekken hier weergeven. Het is no. 12: „De Sacramenten", door dr. H. de Vos.
Hij zegt : Dat de Sacramenten onder vrijzinnigen in hooge eere staan, kan men niet beweren. Heel wat kinderen van goed-vrijzinnige ouders blijven ongedoopt en de Avondmaalsdienst is in verschillende gemeenten een van de slechtst bezette beurten. Eén der oorzaken is, dat terecht de magische opvatting van het sacrament in Protestantsche kringen is opgegeven ; dat n. 1. het sacrament iets doet met of iets verandert aan dengene, aan wien het wordt toegediend. Dat is een tekort doen aan Gods liefde.
Daarnaast is te noemen een verzwakt kerkelijk besef en in verband daarmee gebrek aan besef van den zin van de sacramenten. Wanneer er meer besef komt voor het wezen en de taak der Kerk, zal de zin der sacramenten ook duidelijker worden.
Wezen en taak der Kerk is evangelieverkondiging. En deze geschiedt door de prediking in de eerste plaats, maar eveneens door de bediening der sacramenten. De Hervormers spraken van de sacramenten als het zichtbaar Woord. Door de sacramenten wordt gebruik gemaakt van natuurlijke gegevenheden, maar om daardoor het Evangelie te verkondigen, 't Zijn symbolische of zinnebeeldige handelingen die iets uitdrukken, die heenwijzen naar een werkelijkheid, die in de handelingen zelf niet ligt. Daarvan zal de zin moeten worden verstaan ; en dat is bij de prediking zoo goed als bij de; sacramenten alleen mogelijk in hét geloof. Buiten het geloof om hebben zij dus voor den betrokkene geen beteekenis, zijn zij zinneloos. „Zoo wijzen de sacramenten eenerzijds heen naar God, omtrent Wien zij iets zeggen, anderzijds naar den mensch, in wien zij iets onderstellen en tevens wekken en versterken willen". De sacramenten openbaren God, maar deze openbaring kan slechts worden toegeëigend in het geloof ; zij drukken een christelijke waarheid uit, maar deze waarheid kan slechts worden begrepen in en door het geloof. Wanneer het geloof er niet is of God Zijn Geest niet zendt, blijven de sacramenten onwerkzaam. Elke magische, sacramenteele opvatting, d.w.z. de gedachte, dat de handeling als zoodanig iets doet, moet uitgesloten worden.
Maar dan kan de vraag rijzen : waarom naast de prediking de sacramenten nog noodig zijn, als zij toch óok evangelieverkondiging zijn ? En dan moet het antwoord zijn : ze zijn noodig voornamelijk om twee redenen. De eerste is, dat in een handeling dikwijls meer gezegd kan worden dan in een woord. Wat in woorden niet uitgedrukt kan worden, kan een handeling nog mededeelen. De tweede reden is, dat door een handeling duidelijker nog dan door woorden uitkomt, dat God handelend, actief is. Zijn Woord is een daad ; en van de sacramenten kan men zeggen, dat God met de geloovigen handelt.
De doop is een handeling van de doopouders ; zij dragen in 't geloof hun kind aan God op en vragen Zijn zegen over 't jonge leven. Daarin drukken zij tevens hun geloof uit, dat zij het kind van God ontvangen hebben en dat het ook verder geheel van God afhankelijk is. Zij belijden evenwel ook, dat het kind levensvernieuwing aldoor van noode heeft, welke vernieuwing ten slotte van God afkomstig is. Van de kant van de ouders is de doop alzoo ook een uiting van dankbaarheid, maar bevat zij tevens een belofte voor de opvoeding van het kind.
Ook is de doop, en wel in de eerste plaats, een handeling van de gemeente, vertegenwoordigd door den voorganger. Duidelijk wordt, dat de gemeente dat kind in zich opneemt. Maar de gemeente vertegenwoordigt als 't ware God in Christus, die gezegd heeft : „Laat de kinderkens tot Mij komen". Zoo is de doop een heenwijzing naar de liefde Gods, die het kind reeds zocht, vóór de ouders het tot Hem brachten. Vandaar d: it ook de Kinderdoop zin heeft.
In het Avondmaal zoekt de gemeente de band onderling en met Christus en door Hem met God te versterken. Zij belijdt daarin : „Een is uw Meester en gij zijt allen broeders". Zij erkent dat zij daartoe noodig heeft de geestelijke spijze van het evangelie, die God haar moet reiken. Zij belijdt, dat zij niet tot Christus kan komen, als Hij niet tot haar komt. Dat Hij aanwezig wil zijn is echter louter genade, de gemeente heeft het niet verdiend. Zoo predikt het Avondmaal de vergeving der zonden. Tegelijk is het een voorafschaduwing van het Koninkrijk Gods. En in het Avondmaal wordt ook de belofte door den mensch vernieuwd, zich in Gods dienst te stellen.
Dat de twee sacramenten Doop en Avondmaal door Christus zijn ingesteld en dus „Schriftuurlijk" zouden zijn — zooals de Hervormers leerden — is een opvatting die zich op goede gronden laat bestrijden. Niets let ons — aldus dr. de Vos — méér Sacramenten te bedienen, wanneer zich méér handelingen zouden opdringen, die geschikt zijn om op dezelfde wijze als Doop en Avondmaal de evangelieverkondiging te dienen.
Een enkele opmerking nog — zoo lezen we aan 't slot van het opstel — moet gemaakt worden. In het bijzonder bij Doop en Avondmaal zullen klassieke woorden uit den bijbel gebruikt worden. Daarin komt het besef tot uitdrukking, dat ons geloof leeft uit de traditie, in het bijzonder uit den bijbel, waar wij de gestalte van Jezus Christus geteekend vinden.
Ook de teekenen van water, brood en wijn, stoffelijke zaken zijnde, verbinden ons met het verleden, terwijl zij tevens symbolische beteekenis hebben, aanduidingen van geestelijke werkelijkheden. Zij richten ook onze aandacht op de natuur, waaraan wij deel hebben en welke ons ook God kan openbaren. „En zoo is het Sacrament vol rijken zin en kan verwaarloozing er van slechts tot schade voor het geloof en ondank jegens God zijn". Hiermee beëindigen we ons overzicht van de opstellen van Vrijzinnige predikanten in de Hervormde Kerk, bijeenverzameld in het kleine, mooie boekje „Wezen en taak der Kerk" (Uitgave van Gorcum en Co., Assen).
Waarom hebben we dit overzicht gegeven ? Om met en door de woorden van moderne dominees in onze Hervormde Kerk eens te laten zien hoe men over de Kerk, de belijdenis, het geloof, de bijbel, de Christus, de zonde, de sacramenten enz. denkt.
En dan is er veel in, dat ons „meevalt" — gedachtig aan het oude modernisme — maar dan voelen we ook telkens weer, dat men juist „voor de streep blijft staan". Ten opzichte van de bijbel (men schrijft het met kleine letter), de zonde, de Christus, de wedergeboorte, de Sacramenten komt men niet (hoewel men er héél anders over spreekt dan 50 en 30 jaar terug) waar we elkander „in vrede kunnen ontmoeten". En daarom hebben we bij de veranderde houding van vele modernen eerbied voor 't geen ze gelooven en belijden ; maar omdat ze bij het voornaamste ten slotte blijven steken, moeten we ook ons leedwezen bij zooveel uitdrukken. Het is niet naar Schrift en belijdenis. Waar blijft b.v. (om maar twee dingen te noemen) de Godheid van Christus en Zijn verzoenend lijden en sterven ? We hooren er niets van. En dat zijn toch waarlijk niet bijzaken, maar hoofdzaken ! Hoofdzaken van het Evangelie van Jezus Christus, dat in onze Hervormde Kerk naar Gods heilig Woord en overeenkomstig den aard en den geest en de hoofdzaak van de belijdenis moet worden verkondigd door alle predikanten. Zonder welke hoofdzaak van het Evangelie ook de Sacramenten van Doop en Avondmaal ijdel en ledig zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's