KERKELIJKE RONDSCHOUW
VREDE OP AARDE
De spotdrijverij met dit Kerstwoord blijft maar voortgaan. Elk jaar wordt de schampere lach weer gehoord en met verachtelijk medelijden trekt men de schouders op, als weer de „christelijke vredesboodschap van het Kerstfeest" aan de orde is.
Men staat dan zelf bij een leege kribbe, want de Kerstgeschiedenis gelooft men niet. Christus, de Zaligmaker, is in de stad Davids niet. Men gaat niet naar Bethlehems stal om te bidden en den jong geboren Koning te erkennen in al Zijn heil, waarin vrede ligt voor een arm zondaarshart, vrede voor een volk hier op aarde, dat deelen mag in Gods welbehagen.
Het Kerstfeit wil men niet. Men loochent het Kerstgebeuren. Van Gods Zoon, die van eeuwigheid is en in de volheid des tijds geboren uit een vrouw, geworden onder de wet, wil men niet weten. Men gelooft er niets van.
En dan wil men het Kerstlied: „Vrede op aarde", zoó maar ruw, eigenmachtig overnemen, om er van te maken wat men zelf verkiest — aldoor weigerend het Kerstgebeuren te erkennen als waarachtig.
Maar dat kan en dat mag toch niet.
Men moet beginnen met het Kerstgebeuren. Eerst moet men hooren, gelooven en belijden „U is heden de Zaligmaker geboren, Christus de Heere, in de stad Davids". En dan bij die wondere gave Gods, waarin Zijn groote liefde openbaar wordt, ruischt het lied der Engelen : „Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen". Dan luistert men óok naar het eerste gedeelte van den Engelenzang, en wel naar deze woorden : „Eere zij God”.
Eerst God. Eerst Zijn liefde in Christus. Eerst Zijn welbehagen, aan zondaren geopenbaard in Sions Borg en Middelaar. En dan mag en kan en zal — door Gods genade — door arme zondaren worden verstaan en nagezongen het tweede gedeelte van den Engelenzang : „Vrede op aarde — in de menschen een welbehagen”.
Dat heeft niets te maken met twistende volkeren en vechtende buren.
Want ook bij de geboorte van Christus is het en blijft het : „hatelijk zijnde en elkander hatende". Der Parizeen vijandschap. Herodes' wraak-en moordzucht openbaart zich spoedig. En als de Heiland groot wordt, spant de duivel en Abraham's zaad zich in om Hem te doen vallen, om Hem te plagen, om Hem uit te werpen, om Hem te dooden. Jood en heiden openbaren zich in velerlei vervolging en haat, om Hem ten slotte aan het kruis te nagelen.
Men wil van heel die Kerstgeschiedenis, met den Engelenzang inbegrepen, een fantasieplaatje te maken en dan leeren, dat er vrede op aarde moest zijn met algemeene verbroedering der menschen.
Maar dat is ten slotte de grootste dwaasheid om zóó het Kerstgebeuren te verknoeien en den Engelenzang uit te leggen en toe te passen. Daar komt niets van terecht.
Men zal bij de kribbe in Bethlehems stal moeten leeren vragen : „wat is hier gebeurd" ? alsook : „wat wordt hier bedoeld met vrede op aarde, in de menschen een welbehagen”?
En dan is bekend, dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft : de vrede waarvan Ik spreek is een andere vrede dan waarvan de wereld spreekt. (Matth. 10 vs. 35, 36 ; Lukas 12 vs. 51, enz. enz.).
De Heiland spreekt van de verlossing van de zonden ; van de verzoening van de zware schuld, die ons met schrik vervult ; van den vrede der ziel, van den vrede met God, deelend in des Vaders welbehagen, om Christus' wil.
Vrede met God, door Christus — dat is de boodschap van den Kerstnacht, de boodschap van de Engelen, die zongen in Efratha's velden. En we moeten goed weten, dat dit een andere vrede is dan waarover de wereld het zoo druk heeft, 't Gaat niet om vrede met onzen buurman, maar vrede met God, door Christus, 't Gaat om verlost te worden van onze zonden en in een nieuwen verzoenden staat met God te mogen leven en sterven. Dan is Christus de Vredevorst, Wiens bloed verzoening schenkt van al de zonden, aan een iegelijk die tot Hem vlucht en Hem met alle Zijne weldaden mag leeren aannemen in 't geloof. Ja, er is vrede op aarde. Er is vrede met God, door Christus. En steeds zal er een volk des welbehagens op aarde zijn, dat den vrede met God door Christus mag kennen en smaken. Ja, dq Engelen hebben gelijk gehad : in en door Christus' geboorte, in en door den Zaligmaker, is er vrede op aarde voor de menschen, die deelen mogen in 's Heeren welbehagen. Vrede op aarde, ook nü !
En of dat dan niet van invloed zal zijn op de vredesbeweging en den vredestoestand onder de menschen en de volkeren ?
Zeer zeker is de invloed van het Christendom over heel de wereld groot en allerbelangrijkst. Heel het leven van vele volken is door den invloed van het Christendom veranderd, in de gezinnen en in het maatschappij leven. Er zijn christelijke grondslagen gelegd voor het volksleven hier en elders.
Maar met den rug naar de kribbe gekeerd en loochenend het feit van Kerstfeest, moet men niet, als men de bron veracht, water des vredes willen scheppen. Men schept dan uit gebrokene bakken, die geen water kunnen bevatten. Men vermaakt zich met spinnewebben. Het meest oppervlakkige humanisme is dan aan het woord. En de mensch schijnt nooit wijzer te worden, al maar vertrouwend op zich zelf !
Allen die Christus verwerpen zijn de grootste verstoorders van den waren vrede en verwarren het meest de goede verhoudingen tusschen den mensch en God en de menschen onderling.
Allen zijn we hatelijk en elkander hatende.
Maar hoe verder we van de stal van Bethlehem staan en hoe meer we verachten het knielen voor den Koning, ons van God gegeven, hoe meer we door haat en nijd worden opgezet tegen God en tegen onzen naaste.
Het vrederijk ligt dan ook in de toekomst en de kinderen Gods verwachten het in geloof. Maar het is geen „toekomstmuziek", waarvan de vervulling zal uitblijven, zooals by zooveel schoone menschelijke beloften 't geval is. Neen, het is een toekomstig Koninkrijk, dat zéér vast is, omdat het vast ligt in Jezus Christus, den eeuwigen Koning.
Dan geen vijandschap meer. Dan geen zwaard en geen spies meer ; geen geweer en geen kanon. Dan geen oorlog meer. Dan zal het vrede en blijdschap zijn door Jezus Christus voor allen die Hem hebben leeren kennen en in Hem hebben leeren gelooven ; en dan zal vervuld worden de belofte van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.
Dan zal God zijn alles in allen.
En de kennisse Gods zal de aarde bedekken, gelijk nu de wateren den bodem der zee.
Hoe meer we ons dan nu leeren buigen voor Jezus Christus, onzen Heere, hoe beter we zullen leeren verstaan wat de Engelen gezongen hebben van „vrede op aarde, in de menschen een welbehagen". *
STAAT DE CATECHISMUS GODS WOORD IN DEN WEG?
Er zijn er wel, die beweren, dat degenen, die den Heidelb. Catechismus zoo hoog achten en dat leerboekje in de Kerk willen gebruiken, beter deden de Heilige Schrift zelf ter hand te nemen. Men wil dan wel betoogen, dat de Catechismus Gods Woord in den weg staat.
Dr. A. Kuyper heeft in 1886 zijn breede „Toelichting op den Heid. Catechismus" geschreven, onder den titel E Voto Dordraceno (dat beteekent : „naar den wensch, die op de Dordtsche Synode is uitgesproken", n.l. „in deze rechtzinnige. Godzalige en eenvoudige Confessie des geloofs standvastig te willen volharden, dezelve den nakomelingen onvervalscht te willen na laten en tot de komste van onzen Heere Jezus Christus, onvervalscht te willen bewaren"). Ook hij gaat op die bewering van sommigen in ; al is 't maar met enkele woorden (want hij vindt het te dwaas om er lang bij stil te staan). En hij zegt dan: „De vraag, of zulk een in eere houden van den Catechismus de eere van Gods Woord niet te na komt, laten we stil slapen. Deze spijtige tegenwerping tegen het Catechismusgebruik ligt juist hun het meest in den mond bestorven, die, waar ze slechts even kunnen, ook tornen aan de autoriteit der Heilige Schriftuur. Zoo blijkt dan, dat allerminst bezorgdheid voor de eere der Schrift, maar meest weerzin tegen de waarheid dit verwijt ingeeft. Bovendien, wie de grondige weerlegging van deze tegenwerping zoekt, kan ze vinden bij Ursinus zelven, in den aanhef van zijn kostelijk Schatboek. En voor wie ze niet zoekt, maar liefst ontgaat, baat het toch niet of ge ze hem opdringt. Zelfs zonder naar u te luisteren, herhaalt hij zijn laffe tegenwerping, met hetzelfde schijnvrome gelaat, toch telkens weer.
Elk minnaar en liefhebber der Heilige Schriftuur daarentegen zal zich in het hergeven van beteekenis aan den Catechismus steeds dankbaar verheugen. Hij toch weet, dat de Catechismus niet een boek naast den Bijbel, veel minder een schriftuur boven de Heilige Schrift wil zijn, maar dat al zijn bedoelen is, den hoofdzakelijken inhoud der Heilige Schrift in geregeld verband saam te vatten. Niets dan echo der Schriftuur bedoelt de Catechismus te wezen. Zelf niets dan een ledige beker, ontvangt hij uit die Schriftuur eiken druppel van zijn inhoud. Wat hij u te genieten geeft, is louter Schriftuur. Uit de Schrift spreekt hij en tot de Schrift leidt hij u. En gelijk slechts kwaadwilligheid of verregaande onnoozelheid ooit het beweren zou kunnen staande houden, dat ge met een plattegrond van Amsterdam uit te geven, het eigenlijke Amsterdam door een papieren stad van eigen maaksel verdringen woudt, evenzoo is er altoos óf domheid óf boos opzet in het spel, als men het bestudeeren van dien plattegrond der Heilige Schrift, dien we in den Catechismus bezitten, als een plaatsen van een menschelijk boek naast het Goddelijk Getuigenis afkeurt".
Laten we onze Catechismusprediking dan ook maar gerust handhaven.
Hoe beter de menschen deze „plattegrond der Heilige Schriftuur" kennen, hoe beter dat het is èn voor het geloof zelve èn voor de belijdenis van ons geloof ; zoowel voor onze dogmatiek als voor onze ethiek ! *
LICHAMELIJKE OEFENING VEROORDEELD?
De apostel Paulus schrijft 1 Tim. 4 vs. 8 : „Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut". Wat beteekent hier „lichamelijke oefening" ? Is dat het vak lichamelijke oefening, zooals we dat op onze scholen en in onze vereenigingen kennen ? Is dat onze gymnastiek, waarvoor we onze vereenigingen hebben ?
Het Ned. Chr. Gymnastiek Verbond heeft die vraag aan twee theologische hoogleeraren voorgelegd, en wel aan prof. dr. F. W. Grosheide, professor aan de Vrije Universiteit en aan prof. dr. H. M. van Nes, rustend hoogleeraar te Leiden. En de antwoorden komen vrij gevolgd hierop neer :
Prof. Grosheide zegt : Dit Schriftwoord bevat een eigenaardige moeilijkheid. Het oorspronkelijke Grieksche woord is gymnazein. Dat wordt hier figuurlijk en dus niet letterlijk („naakt turnen") gebruikt. De figuurlijke beteekenis moet hier door het verband verklaard worden. Paulus heeft het hier over verkeerde oefening van het lichaam, verkeerde ascese of onthouding, door dit te verbieden en dat te verbieden (huwelijk, enz.). En nu schrijft hij, dat Timotheüs blijkbaar (zie vers 6) niet flink genoeg leert, dat deze „lichamelijke oefening" of onthouding van huwelijk, spijs en drank enz., ons niet zalig kan maken. „Die lichamelijke oefening is tot weinig nut" enz. We moeten hebben de geestelijke oefening in godzaligheid ! Van gymnastiek in onzen modernen zin van het woord is in het geheele verband absoluut geen sprake. Over turnen, sport, gymnastiek of lichamelijke oefening met gymnastische toeren, is geen sprake. Wel van de ascetische leeringen en oefeningen, door zich te onthouden van dit en van dat in betrekking tot het „lichaamsleven". En daarin ziet Paulus geen of weinig nut ; beter is zich geestelijk te oefenen. Hij zet de godzaligheid en de oefening daarvan bovenaan.
Prof. dr. Van Nes spreekt in gelijken geest: De lichamelijke oefening van 1 Tim. 4 vs. 8 heeft niets te maken noch met de Grieksche, noch met ónze gymnastiek, al wordt hier het wordt gymnazein in 't oorspronkelijke gebruikt. We moeten blijkens het verband denken aan de dwaalleeraars, die behept zijn met de dualistische leer van het gnosticisme, dat de zonde zoekt in het stoffelijke ; waarom dan allerlei stoffelijke of lichamelijke dingen worden veroordeeld en verboden. Paulus is van een geheel andere meening ; „alle schepsel Gods is goed", dat „geheiligd moet worden door het Woord Gods en door het gebed”.
Al dat leeren van „raak niet en smaak niet en roer niet aan" haalt niets uit voor de godzaligheid, al kan de onthouding soms „zelfbedwang" leeren. We moeten niet hebben de gnostische beschouwing, dat de zonde haar zetel in de stof vindt en dat men zich daarom van allerlei moet onthouden, waarin men zich dan te trainen of te oefenen heeft. We moeten de Christelijke beschouwing hebben, dat men God moet verheerlijken door geest èn lichaam beide, „geheiligd door 't Woord Gods en door het gebed". Oefenen in allerlei stoffelijke, lichamelijke ascese en oefenen in godzaligheid, staat hier naast en tegenover elkaar, 't Eerste haalt weinig of niets uit — het laatste moeten we hebben. En Timotheüs moet in deze niet aarzelen of op twee gedachten hinken. Neen: „als gij deze dingen den broederen voorstelt" — zooals Paulus nu leert en schrijft — „zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer" (vers 6).
Men was bezig een ander fundament te leggen in de gemeente !
Men wilde afvoeren van de eenvoudigheid des geloofs, en daarvoor moest Timotheüs oog hebben, als een goed dienaar van Jezus Christus !
„Want de Geest zegt duidelijk" — schrijft Paulus waarschuwend (gelijk ook zijn brief aan de Galaten b.v. leert) „dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen, door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid — verbiedende te huwen, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nuttigheid met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend. Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, rnet dankzegging genomen zijnde, want het wordt geheiligd door het Woord Gods en door het gebed" (vers 1—5)
Daarom geen ander fundament leggen door te leeren, dat men zalig moet worden door dit niet te eten en dat niet te doen (ongehuwde staat, enz.), want dat is afvoeren van het geloof in Christus. Dat is een vleeschelijk fundament leggen. En al dat oefenen in al zulk soort dingen van ascese of onthouding, heeft weinig of geen nut (al kan zelf bedwang en zelf tucht noodig zijn !)
Men moet z'n heil en godzaligheid, z'n vreugd en z'n vrede in een andere oefening, in de geestelijke oefening „met het Woord Gods en gebed" zoeken !
DE KERK VOLGENS DE VRIJZINNIGEN (9)
Prof. Sevenster schrijft in „Wezen en taak der Kerk" een artikel over „Kerk en Bijbel" en zegt ongeveer : „De Kerk heeft een boodschap, en deze boodschap is het Evangelie van Jezus Christus. Daaruit volgt onmiddellijk, dat de bijbel een centrale plaats in de Kerk heeft in te nemen. Het zal steeds weer in den bijbel gezocht en gevonden moeten worden. Men moge terecht zeggen, dat het daar soms verbonden is met voorstellingen, die de onze niet meer kunnen zijn, men kan toch niet de hoofdgedachten van het bijbelsche Evangelie op zij zetten of zelfs hun tegendeel gaan verkondigen en dan nog steeds blijven zeggen, dat men staat op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus. Dan zou het een nietszeggende vaagheid, een ongrijpbare zeepbel zijn. Daarom ligt op onze kansels de bijbel. Dat is geen stichtelijke opsiering. En de bijzondere plaats, die de bijbel inneemt in de Kerk, hangt samen met de Christus-belijdenis der Kerk. Onze historisch-critische beoordeeling van den bijbel is voor ons een positief beginsel ; zij gaat uit, niet van vitzucht, maar is eisch van waarachtigheid in ons geloofsdenken. Maar zulk een critiek mag niet worden een zeker negativisme. Ook de „Dageraad" heeft een tijd lang gecolporteerd met afbraak van den bijbel ; en dat heeft men voor een groot deel verkregen door het historisch-critisch onderzoek der modernen. Daar gebruikt men dat alles, om den bijbel te maken tot een leugenachtig boek. Alles afbrekende critiek. Maar voor ons — aldus prof. Sevenster — komt na de critiek het belangrijkste : de positieve inhoud van het Evangelie van Jezus Christus in den bijbel. Een preek kan en mag geen historisch-critische verhandeling zijn. We moeten stellig ons critisch standpunt tegenover den bijbel duidelijk laten merken. Maar we mogen niet als indruk achterlaten : de bijbel is een tamelijk ouderwetsch, achterlijk boek.
Critiek moet voor ons — aldus prof. Sevenster — geen einddoel, maar middel zijn om te komen tot zuiverder positieve beoordeeling van den bijbel.
Betoogd wordt, dat ook orthodoxen de letterlijke inspiratie afwijzen. Gewezen wordt op Barth en Brunner, wat hun bijbelbeoordeeling betreft. Aangehaald wordt een uitlating van Barth inzake „het Woord Gods in zijn drievoudige gestalte:1. het verkondigde Woord Gods; 2. het geschreven Woord Gods; 3. het geopenbaarde Woord Gods. Daaruit blijkt dus reeds, dat hij het geopenbaarde Gods Woord niet met het geschrevene gelijk stelt. Ook wordt aangehaald meer dan éen uitspraak van prof. Haitjema, uit zijn boek: Het Woord Gods in de moderne cultuur" („de dwaling van de vergoddelijking ook van de menschelijke zijde der Heilige Schrift"). Het Schriftprobleem moet als Schriftprobleem blijven aanvaard. Natuurlijk — zoo zegt prof. Sevenster — willen wij Barth en Haitjema niet tot crypto-modernen stempelen. Ook Brunner en Bultmann worden ten bewijs aangehaald. „Vooral deze laatste gaat op zijn vakterrein, het Nieuwe Testament, uit van een critische ontleding van de evangeliën, en is toch een overtuigd aanhanger van de dialectische theologie”.
Maar nu moet ook onder de modernen — zegt prof. Sevenster — een wezenlijke positieve waardeering van den bijbel zijn, ook al laat men aan de critiek ten volle recht ervaren.
„De waardeering zal ten slotte beslissend bepaald worden door de vraag, welke plaats het begrip openbaring in onze theologie inneemt". En hier gaan de critici ten slotte dikwijls uiteen, zoodra de vraag gesteld wordt : heeft God zich in Christus geopenbaard ? En dan loopen de meeningen van Horreüs de Haas b.v. totaal anders dan van anderen uit den kring van de moderne theologen. Horreüs de Haas spreekt van menschheidsreligie, terwijl b. v. Heering zegt : „De bijbelsche openbaring is voor ons niet alleen de relatief-hoogere en niet slechts de hoogste die we kennen. In haar is, naar ons oordeel, de volstrekte waarheid geschonken. Daarom zal zij zegevieren. Christus victor". (Geloof en Openbaring, blz. 226). Heering noemt dat een zaak van het geloof.
Grond van de geloofswaarde van den bijbel is dus — aldus prof. Sevenster — de openbaring Gods in Christus. Vragen als : wie was Christus? Wat was zijn Evangelie? verlangen nader en nauwkeuriger antwoord.
[Wordt voortgezet.]
KOHLBBRUGGE EN DE AFSCHEIDING.
14 October 1934. Op dien dag herdacht men in Nederland dominé De Cock, van Ulrum, die man, die honderd jaar geleden het signaal gegeven heeft, waarop, vele gemeenten in Holland „klagend" werden, hun leed om het zuivere Evangelie aan God overgaven en zich van de groote Kerk afscheidden. Nu stond er op de kansel in Ulrum een hoogleeraar in de theologie uit Kampen en deze verklaarde, terwijl hij dezelfde tekst aan zijn preek ten grondslag legde, waarmee Hendrik de Cock eens het sein tot de Afscheiding gegeven had: „De Cock is gevallen. God heeft een streep door zijn daad gehaald. De verzoeking, die tot hem kwam en die Mozes heerlijk overwon, werd hem te sterk. Hij heeft de gedachte aan een losmaking, aan een „afscheiding, die in zijn hart opkwam, niet kunnen overwinnen. Hij heeft de Afscheiding niet weggebeden”.
Op den volgenden Zondag werd er in Groningen weer over deze tekst een preek gehouden, maar in geheel tegengestelden zin. Nu werd er beweerd, dat De Cock met recht den stoot tot de Afscheiding gegeven had. „Hij had het juiste inzicht in de souvereiniteit, in de vrijmacht der genade en de wegen van den Heiligen Geest. En toen, men hem de Kerk uit wierp, alleen omdat hij gehoorzaam was en de Kerk terugriep tot de eerste beginselen van het geloof, toen kon hij niet anders dan vaststellen, dat de Kerk van die dagen in haar uiterlijk waarneembare verschijningsvorm een instelling van de wereld geworden was”.
In den tijd van Hendrik de Cock hielden velen zich bezig met de vraag naar het recht van de Afscheiding. Vooral in de kringen van het „Reveil" hield men zich ernstig met deze vraag bezig. Vele „tot-leven-gewekte" menschen zagen in de Staatskerk slechts een ongeëvenaard Babel en gaven den raad de Kerk uit te gaan en deze anti-christelijke Kerk aan haar verderf over te laten. Sommigen onder hen trachtten ook met Kohlbrugge in nauwere aanraking te komen. Zij, b.v. Scholte, aan wien Kohlbrugge eens onderricht gegeven had en die daarna geheel onder methodistische invloed geraakt was en na jaren in Amerika een eigen gemeente stichtte, Brummelkamp, een jongere vriend van Kohlbrugge, die van tijd tot tijd bij hem logeerde, en Twent van Rosenburg, meenden, dat zij Kohlbrugge, die uit de kerkelijke gemeenschap gestooten was, gemakkelijk voor hun gedachten konden winnen. Trouw hadden zij hem in de moeilijke dagen terzijde gestaan, vooral toen zijn vrouw stierf. Het viel op, dat drie van de meest vooraanstaande separatisten bij de begrafenis van mevrouw Kohlbrugge als slippendragers fungeerden. Toen hadden de straatjongens in Utrecht spottend achter de lijkstoet geroepen : „Daar zijn ze, die dominees van de afgescheiden Kerk zullen worden”.
Zoo gebeurde het, dat zich op zekeren dag in October 1832 het gerucht verspreidde, dat heel Utrecht in beroering was, omdat daar een nieuwe gemeente gesticht was, die Kohlbrugge als haar herder en leeraar begeerde. Dit bericht was voor velen als een donderslag bij helderen hemel en nu werd Kohlbrugge van alle kanten dringend gewaarschuwd om zich toch voor een dergelijke gevaarlijke stap te wachten. Alsof Kohlbrugge in zijn situatie op niets anders verzot was dan een eigen vrije gemeente te stichten en daardoor het verdoemende oordeel over de Kerk uit te spreken ! Da Costa in 't bijzonder zag zich genoopt Kohlbrugge zeer ernstig te waarschuwen.
Natuurlijk bleek het bericht uit Utrecht sterk overdreven te zijn. Er zijn in ieder menschenleven oogenblikken, waarin men tusschen twee beslissingen heen en weer zweeft. Eerst een latere tijd leert inzien, voor welke noodlottige stappen men, waarlijk niet door eigen verdienste of eigen inzicht, bewaard bleef. Iets dergelijks zal ook Kohlbrugge hebben ervaren.
Men heeft, om te bewijzen, dat Kohlbrugge een sterke neiging had tot „afscheiding", woorden aangehaald, die afkomstig zijn uit een werk van Sander, uit het boek „Jehova Tsidkenu" (Jehova onze gerechtigheid), dat Kohlbrugge destijds vertaald had. „Vrede met God te hebben, gaat boven de uitwendige Kerk. Kan een gebroken hart deze vrede met God niet vinden in de Kerk, omdat hij uit het hooren van de prediking niet kan opmaken, of hij door genade of door plicht, door Christus of door de werken zalig moet worden, dan mag hij het zoeken, waar hij het meent te vinden of vinden kan. Zoo zijn er velen. Dat nu bij dezulken de begeerte ontstaat om zich af te scheiden, leert de ervaring maar al te duidelijk. Maar predikt men Christus den Gekruisigde en Zijn gerechtigheid, dan behoeft men voor een scheuring nooit bang te zijn”.
Onderschreef Kohlbrugge deze woorden van den predikant van Elberfeld (— en waarom zou hij het niet doen ? —), dan lag daarin toch nauwelijks meer dan de vaststelling van een algemeen erkend feit, maar blijkbaar niet de principieele erkenning van het recht van een scheiding der Kerk. Integendeel, duidelijk en vastbesloten heeft hij zich tegen de gedachte van de afscheiding verzet. Of zegt het niets, dat rijke Engelschen hem na zijn afzetting als hulpprediker honderdduizend gulden aanboden, als hij de leiding van een afgescheiden Kerk op zich wilde nemen, maar Kohlbrugge weigerde beslist dit voorstel te aanvaarden. Ook aan Minister Van Zuylen, die hem een dergelijk voorstel deed, gaf Kohlbrugge duidelijk te verstaan, dat hij geen halve verlossing kent en dat hij vast van plan was om vast te houden aan het drievoudig snoer : „Kerk, Oranje en Nederland”.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's