MEDITATIE
Eén woord om het nieuwe Jaar mee te beginnen.
Weest in geen ding bezorgd, maar laaf uwe begeerten in alles door bidden en smeeken, met dankzegging bekend worden bij God. Filippensen 4 : 6, 7.
(Slot).
Weest niet bezorgd — alzoo luidt het Woord des Heeren bij monde van den Apostel Paulus.
Doch nu dient goed te worden onderscheiden wat dit woord in heeft. Er staat niet: „zorgt voor geen ding ter wereld". Wat u hier wordt voorgehouden, is niet een rustbed om er zich op neer te vlijen. Verre van dien.
Dezelfde man, die dit neerschreef, laat u een leven zien, vol van de hoogste spanning, vol energie. Gods Geest maakt nooit slappe menschen. Omgekeerd : zij zijn dag aan dag in de weer.
Er is een hemelsbreed onderscheid tusschen zorg en bezorgdheid. Is onbezorgdheid uit God, zorgeloosheid is de vinding van satanische machten. Zij is een eigen zaad van den Duivel.
Zorgeloozen, tot dezen zegt de Schrift: gaat tot de mieren en wordt wijs.
Gansch de schepping draagt eene prediking uit: zorg voor alles, wat gij onder uwe vleugelen bergt. Zorg voor alles, wat u van Godswege op de hand is gezet. Al wat igij doet, doet dit met alle macht, u van God verleend.
Wat zou uw oordeel zijn omtrent den landman, die naliet zijn akkers te bewerken ? Wat zoudt gij zeggen omtrent dien man, die naliet het zaad te strooien in den tijd, daarvoor hem van God gewezen? Zou hij maaien, waar niet gezaaid was ?
Neen, daar zijn zorgen voor tijdelijke, daar zijn zorgen voor geestelijke dingen. Ja, zou het laatste nog niet het eerstgenoemde te boven gaan? Het Koninkrijk Gods hebbe de voorkeur boven alles wat tot het tijdelijke leven behoort. Dit is naar het Woord des Heeren. De Apostel zegt dan ook: „ik jaag er naar of ik het grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus gegrepen ben”.
Ziet hier de omschrijving van de zielezorg van dezen zelfden Apostel.
Aldus kan het zóó worden saamgevat: weest in geen ding bezorgd, wil absoluut niet zeggen, dat elke zorg is weggenomen voor ieder die God vreest, neen, maar de schouder mag niet worden gezet onder een last, waaronder hij bezwijken moest.
Weet ge, wie voor alles zorgen kan ?
Dit is de Allerhoogste. Wij noemen dit de goddelijke Voorzienigheid. God zorgt voor alles. En nu is dit het droevig gevolg der zonde, dat wij God geen God kunnen laten. Wij willen staan, waar God staat. Wij willen doen, wat Hij alleen kan doen, en daaronder buigt onze schouder telkens door. Vandaar is het voor ieder, die dit door genade geleerd heeft, zoo voor de hand liggend, dat hij gedurig den Heere vraagt:
Leer mij naar Uw wil te handelen, 'k Zal dan in Uw waarheid wandelen; Neig mijn hart en voeg hef saam Tof de vrees van Uwen Naam.
De Apostel zegt: „Weest in geen ding bezorgd, maar — en onderstreep dit woord — „laat uwe begeerten in alles door bid den en smeeken met dankzegging bekend worden bij God”.
Gij moet alzoo die plaats innemen, welke u van God wordt aangewezen, n.l. in alles u de afhankelijke weten. Gij moet worden een bedelaar voor God. Zóó en zóó alleen kan dit wonderlijke geheim worden opgelost, hoe iemand, die God vreest, in geen enkel ding bezorgd behoeft te zijn. Hij draagt het over. Hij geeft het door in Gods hand.
Het juiste woord blijkt hier te zijn gekozen : de weg om zorgen te verliezen is „bidden". Bidden is vertellen aan God.
De Apostel drukt het zoo kinderlijk uit, „bij God bekend maken". Op dezelfde wijze, zooals gij in uw prille jeugd met alles naar moeder ging. Het kleinste verdriet kon zich niet voordoen, of de roep weerklonk: „moeder". En als het hoog liep, zeer hoog, dan klonk het boven alles uit: „vader”.
Bidden in dezen zin, zou het veel gebeuren ?
’kWeet het niet, zegt ge.|
Weet ge 't niet ? Laat liever de bekentenis hooren: „veel te weinig”.
Dat is het pak in ons leven.
Wij houden onze geheimen verborgen, of, zoo wij er mededeeling van doen, is het aan menschen, die wij met onze lasten, op deze wijze, ook nog bezwaren, om in het einde te merken, dat ik ze zelf nog even goed heb gehouden.
Neen, daar is maar één weg, en deze is: ze aan God bekend maken. Niemand die het beter heeft verstaan dan de Dichter :
Mijn hart zegt mij o Heer' van Uwentwege Zoek door gebeên Met ernst Mijn aangezicht. Dat wil, dat zal ik doen, Ik zoek den zegen, Alleen bij U, o Bron van troost en licht.
'k Geloof dan ook niet, dat in dezen onze gedachten veel zullen verschillen, dat bidden de eenige weg is om van al onze zorgen, van al de zorgvuldigheden van ons leven ontslagen te worden. Zonder bidden is het te zwaar. Als deze weg wordt afgesneden, blijft er niets over.
Zoo is nu de werkelijkheid.
Is hieromtrent tusschen ons geen enkel verschil, toch is wellicht eene enkele opmerking niet geheel overbodig.
Hebt ge bij u zelven nooit gedacht: waarom moet ik nu aan God bekend maken, wat de Heere toch al lang weet?
’kWil er u wel een antwoord op geven. Alleen zult gij mij moeten toestaan u eerst zelf een vraag te doen. Maakt dit u het bidden moeilijker of gemakkelijker, te weten dat God het reeds weet, wat gij vragen zult ?
Niet moeilijker, zegt ge.
Hiermee gaan wij volkomen accoord.
Welk eene geruststelling schuilt daarin, te weten: „God kent mij". Hij doorgrondt mij, Hij kent van verre mijn gedachten. Daar is letterlijk niets voor Hem verborgen.
Och, het mag den bidder vaak moeite kosten om het hooge woord over de lippen te krijgen, om de dingen precies te zeggen, zooals zij zijn. Het komt ook voor, zelfs o zoo vaak, dat hij uit onkunde een hoogst gebrekkige voorstelling van zijn toestand geeft. Als de Heere nu afhankelijk zou moeten worden gesteld van wat de bidder Hem voorhield, wat stond het er dan treurig voor.
Het treedt bij ons helpen van elkander telkens in het licht, dat menige hulp niet afdoende bleek, omdat lang niet alles was medegedeeld en de helper het alzoo niet kon weten.
Neen, daar is naast de wetenschap, dat God alles kan, als de Almachtige, geen heerlijker iets dan dat Hij als Alwetende alles weet.
Doch nu hebt ge nog geen antwoord — zult ge zeggen — op de vraag : „waarom moet ik, terwijl God alles weet, het Hem vertellen? "
Dat is noodig voor u zelf, voor God niet. Gij moet u volkomen onder Gods hand leggen. U zelven met alles aan Hem toevertrouwen.
Met alles.
Weet ge schooner aanbod, of wilt ge, lieflijker uitnoodiging bij het begin van een pas ontsloten jaarkring, dan deze: ik heb een vrije toegang tot den Troon der genade, als ik mijn hart maar ontsluiten mag, als ik maar eerlijk mag zijn voor God?
De Heere wil niet hebben, dat wij iets zoeken te verbergen voor Hem.
Dat hierin eene waarheid schuilt, gevoelt ge onmiddellijk, als gij bij u zelven maar eens nagaat, hoe het u te moede is, als gij merkt, dat uw kind voor u niet alles open legt. Waar hier nog bezwaren zouden kunnen rijzen, omdat een menschelijk oor eerder beleedigd is dan dat van den Genadevolle, zoo mag en moet bij den bidder elk schotje vallen. Hier is de bede de juiste vertolking :
Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heer'; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer, Beproef m' en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt, En doe mij toch met vaste schreden, Den weg ter zaligheid betreden.
De weg, om alle last af te wentelen, wordt toch zoo duidelijk aangegeven in deze beiden woorden: „door bidden en smeeken”.
Mocht bidden worden misverstaan, omdat de mensch in zijne oppervlakkigheid meent, vaak met een schoone vorm te kunnen volstaan, als hij vele woorden heeft gezegd en de vormen in acht heeft genomen, zoo denkt hij daarmee iets te verkrijgen. Toch behoeft niet eens de opmerking te worden gemaakt: dat is geen bidden. Dat weet zelfs de meest oppervlakkige.
Nu komt de Heere er in Zijn Woord nog iets naast plaatsen, n.I. smeeken.
Als de bedelaar alles wentelt over den weg der ontferming, enkel op genade pleitend. Ziet hier de gedachte, welke in „smeeking" in het juiste licht wordt geplaatst.
De allerarmste heeft een sleutel, welke de sterke man mist. Een smeekbee wordt vast en zeker verhoord. Daar is geen sprake van, dat de Heere in den hemel zulk een bidder afwijst. Een verbroken hart en een verbrijzelde geest zijn voor den bidder de beide boden, die voorgaan om. de poorte der genade op het allerwijdste te openen.
Wat God doet in het geestelijke, is mij nooit duidelijker geworden, dan toen ik het een keer meemaakte, dat een arme tobber, die geen enkel kleedingstuk aan had dan alleen zijn opperkleed. Terwijl geen enkel woord over die lippen kwam en zijn hand niets deed dan enkel dat kleed losknoopen, liet hij uit zijn oog aflezen deze woorden: zoo arm, zoo ellendig ben ik. Zie, toen werd onmiddellijk de voorraad nagezien om te kunnen overreiken wat hij behoefde.
Gods hand is vol, voor wie zelf ontledigd werd.
Nog één ding liet ik onbesproken. Daaraan wordt n.I. nog iets toegevoegd: „met dankzegging". Bidden en smeeken staat niet op zichzelf, danken volgt er op, zooals de schaduw aan het voorwerp zelf is verbonden.
Op gevaar af, tegenspraak bij u te ontlokken, wil ik deze opmerking maken. Iemand, die niet weet wat danken beteekent, kan onmogelijk bidden. Danken kan alleen hij, die het geleerd heeft, dat wat hij ontvangt, enkel verkregen is uit gunst.
Nog een enkel woord zij mij veroorloofd. Wat het gevolg is van dit alles, van zulk een biddend overgeven in Gods hand?
Dan komt er vrede in het hart, gerustheid, welke anders zoo wanhopig ver van ons zich verwijderd houdt. De vrede Gods is het zich één weten met den Heere. Had Hij voorheen ons gegeven wat wij niet wilden, of ons onthouden, wat wij meenden te moeten ontvangen, was 't toen altijd mis, verkeerd geloopen, heerschte daarbinnen onvrede, — nu het geheim werd geleerd „God is het. Die uit enkel ontferming met mij handelt", zoo treedt een verandering in, van te voren ongekend.
Van nature staan wij met den Allerhoogste niet op een basis van vertrouwen. Juist omgekeerd. Vandaar geen vrede.
Doch als daar een bedelaarsgestalte komt van binnen, een smeekeling zich neerbuigt voor den Koning, wordt het geleerd : aan wien kan ik mij beter toebetrouwen dan aan Hem ? Als de genade Gods in Christus de eenige pleitgrond blijkt, ziet, dan treedt een toestand in, welke niemand kan begrijpen, ook niet de persoon in kwestie zelf. Het wordt hem zelve hoe langer hoe wonderlijker te moede.
De Apostel zegt dan ook : den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat. Hier kan niemand eene verklaring aan geven, dan de Gever Zelf.
Mag ik er een practische opmerking tusschen vlechten ?
Hebben wij dit niet noodig, geliefden ?
Zie, dan volgt er op: „de harten en zinnen worden bewaard in Christus Jezus”.
Zou er wel ooit een practischer sluitstuk kunnen worden aangebracht dan dit woord ?
De harten worden bewaard.
Wie zou het anders kunnen dan de Allerhoogste ?
Wie zal de zinnen kunnen bewaren ? Die zinnen, welke elk oogenblik weer opnieuw worden aangelokt? Gij kunt het niet en ik kan het evenmin.
Hoe Hij het kan ?
Alleen in Christus Jezus.
Dat is de gemeenschap aan Hem, Die alles is in allen, die zich in den geloove aan Hem toevertrouwen.
Ziet hier de noodiging, welke uitgaat al dadelijk op den drempel van het pas ontsloten jaar van dezen liefderijken Christus. Zoekt het bij niemand, dan bij Hem. Geeft u over, geheel aan Hem. Houdt niets verborgen voor den Heere. Gaat biddende uw weg. Laat het allerkleinste en het allergeringste voor u zijn, wat de steen van van Bethel was voor Jakob. Giet er de oliekruik der dankzegging en aanbidding over uit. Laat de Hand des Almachtigen om u toesluiten. Veilig en wel bewaard zult gij zijn, als gij met Hem uw levenspad moogt bewandelen.
Bewaard hier, bewaard daar, bewaard tot in der eeuwen eeuwigheid.
Utr.
J. Goslinga
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's