De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

De Pinksterdoop.

9 minuten leestijd

Wij hebben dus de vorige keer gezien dat de doop van Johannes was voorbereidingsdoop. Wat Johannes verwachtte, was de Geestesdoop en deze Geestesdoop was voor hem onlosmakelijk verbonden met de komst van den Messias. Dat had hij in de schriften van de profeten gelezen, vooral bij Jesaja. En hierin had Johannes zich niet vergist. Ongetwijfeld zou met den Messias de Geestesdoop komen. Alleen maar, die Messias kwam in de gestalte van den Lijdenden Knecht des Heeren om eerst het werk der verzoening tot stand te brengen: „En als Zijn ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zal Hij zaad zien". Dat had Johannes alleen over 't hoofd gezien en daarom werd hij, hoewel hij den Messias herkende, verward door de verborgen komst des Geestes. Maar daarmee werden zijn prediking en zijn voorbereidingsdoop nog niet tevergeefsch. Hij had gepredikt dat de Messias kwam. Dat was 't voornaamste. En wanneer nu de Geestesdoop zou komen, dat was het geheim van dien Messias zelf. Zeker zou de Geestesdoop komen met den Messias, zooals Johannes verkondigd had, en toch zou het anders zijn dan Johannes gedacht had. Want vóór Jezus met den Geest zou doopen, moest Hij eerst de weg gaan door lijden tot heerlijkheid. Die Geestesdoop moest Hij zelf eerst verwerven. Johannes' prediking werd volkomen bevestigd in de komst van Jezus, en nu Jezus gekomen was, was het aan Hem nader de Geestesdoop te verkondigen.
In dit licht gezien is 't niet vreemd, dat de Heiland zelf niet doopt. Immers, indien de Heiland zelf de doop der bekeering had toegediend, had Hij daardoor niet alleen ontkend de Messias te zijn, maar had Hij tevens de aandacht van Zijn dienstwerk afgeleid, dat toch niets anders bedoelde dan de Geestesdoop te verwerkelijken. Dikwijls wordt het voorgesteld, met het oog op het feit dat de Heiland zelf niet doopt, alsof de doop van Johannes één groote vergissing is geweest. Doch juist liet tegengestelde wordt hiervan aangegeven. Zij, die gedoopt zijn met den doop van Johannes, blijken wel degelijk den Messias, ook in Zijn verborgenheid, te herkennen, terwijl de anderen geen enkel besef schijnen te hebben van den Messias, zooals we lezen in Lucas 7 vs., 29 en 30 : „En al het volk Hem (Jezus) hoorendè en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Maar de Farizeërs en de Wetgeleerden hebben de raad Gods tegen zichzelve verworpen, van hem niet gedoopt zijnde". Ver er van een vergissing te zijn, blijkt hier wel degelijk de voorbereidende beteekenis van den doop van Johannes.
Dat Jezus zelf niet doopt, rechtvaardigt juist de groote tegenstelling, die Johannes de Dooper maakt tusschen zijn eigen doop der voorbereiding en de Geestesdoop der vervulling.
Een groote moeilijkheid hierin is, dat het Evangelie van Johannes hierin niet overeenstemt met de anderen. In Joh. 3 vs. 22 —4 vs. 2 wordt gezegd, dat de Heiland wel doopte, wat op de discipelen de indruk maakte van een zekere concurrentie voor Johannes de Dooper. We voelen direct, hier is de spanning weg tusschen Johannes' doop en de Geestesdoop. Hoe dit misschien met voorzichtigheid te verklaren is, zullen wij de volgende keer probeeren. Trouwens, dit is niet de eenige moeilijkheid die het vierde Evangelie ons stelt. Doch daartegenover laten alle drie andere Evangeliën duidelijk zien hoe de Heiland zelf niet gedoopt heeft, maar hoe Zijn geheele leven alleen heenwees naar de Vuurdoop, die Hij eerst zelf moest ondergaan, om ze dan als Geestesdoop toe te dienen aan de Zijnen. Er is in Zijn leven een hijgen naar de vervulling en tegelijk een zich met goddelijk geweld gedreven voelen worden naar die vervulling. „Ik ben gekomen om vuur te werpen op de aarde en wat wil Ik, indien het alreede ontstoken is. Maar Ik moet met een doop gedoopt worden en hoe word Ik geperst, totdat het volbracht is" (Luc. 12 VS. 49 en 50).
Hier moeten we goed letten op dat „Ik moet". Hier spreekt dat majesteitelijke goddelijke „moeten", waaraan zelfs de Zoon des menschen onderworpen is, zooals straks de opgestane Heiland tot de Emmaüsgangers zal zeggen : „Moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzoo in Zijn heerlijkheid ingaan ? ”
Zoo zijn we dan vanzelf gekomen tot de Pinksterdoop. Ditzelfde goddelijke „moeten" is ook in de uitstorting op Pinksteren het allesbeheerschende, dat lijnrecht staat tegenover de prediking van Johannes. Want daar werd aan de menschen voorgesteld met klem: „Bekeert u, want het Koninkrijk Gods is aanstaande" ; daar wordt de mensch teruggewezen in zichzelf. Doch Pinksteren komt van de andere kant, als goddelijk vuur, dat door niets menschelijks wordt bepaald, maar alleen mogelijk is geworden door het volbrachte dienstwerk van den Zoon des menschen. „En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest", dit is de luide triomfkreet, waarmee de Christelijke gemeente door God zelf werd geïnstalleerd. In deze woorden ligt heel de vrijmaking van alle aardsche beperktheid en gebonden zijn, van alle verlamming der zonde en tyrannie des boozen, niet in de eerste plaats door de bekeering van de gezindheid des harten, maar door het ingrijpen Gods. Zoo brak de werkelijkheid Gods door in een kleine kring van eenvoudige, hulpelooze bidders, die daardoor omgezet werden tot een volkomen nieuw begin in een uitgeleefde, doodelijk vermoeide wereld. Te licht loopen wij over 't algemeen heen over het goddelijke, majesteitelijke van het Pinkstergebeuren. En dit is ook wel te begrijpen, te meer daar onze Protestantsche eeredienst meer gebaseerd is op de prediking van geloof en bekeering, dan op de aanbidding. Maar wel licht hier het gevaar in, om al te zeer op de achtergrond te; dringen de springader des levens, waaruit deze prediking alleen haar kracht kan ontleenen, n.l. het daadwerkelijk souvereine ingrijpen Gods. Dit is geen overdreven vlagvertoon, maar de uiteindelijke manifestatie van de overwinning van het Licht op de duisternis, zonder welke zekerheid alle geloof ijdel is.
Uit den aard der zaak moet ook, wanneer wij Pinksteren vieren, de verkondiging aandringen op geloof en bekeering ; dat doet ook Petrus reeds in zijn Pinksterrede. Maar we moeten nu niet meenen dat dit het wezenlijke van het Pinksterfeest is. Welke zin houden dan die teekenen van vuur en wind en tongentaai anders dan van vreemde mirakels, die evengoed gemist konden worden! Petrus eindigt zijn rede op het Pinksterfeest met woorden, die sprekend gelijken op de woorden van Johannes de Dooper: „Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonde". En toch is dit niet 't zelfde ais de doop der bekeering tot vergeving der zonde bij Johannes. Want dan gaat Petrus door. „en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen !" Dit is het nieuwe, het onwederstandelijke, dat de Geest doorbreekt met macht. Deze Geest breekt niet door op grond van de bekeering. Dan had Johannes de Dooper dat ook wel kunnen zeggen. Maar deze Geest wordt geschonken als majesteitelijke genadegift Gods. Nu, nu de Messias zijn dienstwerk volbracht heeft en Hij door het lijden is ingegaan in Zijn heerlijkheid, werd de Geestesdoop zijn verworvenheid. Het goddelijke „moest" vindt zijn beslag in den Geest, die uitgestort werd. Daarmee kwam een einde aan al het betrekkelijke, dat moeizaam opgebouwd werd hier en daar door vrome menschen. De ontzetting op 't Pinksterfeest van hen, die toezagen, is de vernieuwing van de ontzetting, door Johannes' prediking gewekt. Zooals Johannes het gezien had, is 't nu weer : dat 't er niet om gaat of de menschen den Christus zullen aannemen, maar of de Christus de menschen aan zal nemen. Vanuit den hemel wordt de gemeente Gods geboren. Doch alleen is er nu dit verschil, dat de Christus nu niet komt als de groote „onbekende", zooals Johannes de Dooper Hem schilderde, maar „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd", zegt Johannes de Evangelist, „een heerlijkheid als des Eeniggeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid". Daarom luidt nu de oproep niet alleen „bekeert u !", waardoor enkel opgewekt wordt tot een omzetting van de menschelijke gezindheid om zoo op de bereide weg te wachten op den onbekenden vorst of Hij soms genadig mocht zijn. Maar hier geldt de eisch : „Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus !”
Die Vorst des Levens zelf heeft Zijn naam geopenbaard en verzegeld door Zijn eigen bloed.
In tegenstelling met de dreigende voorstelling, die Johannes had van den Geestesdoop als 't goddelijke optreden van den onbekenden Messias, straalt nu de genade Gods rijk in de uitstorting op Pinksteren, waar wel souverein en heerlijk de Heere Zijn Geest uitstort, geheel afgezien van de gezindheid der menschen, maar waar toch tegelijk één eenige naam den menschen gegeven wordt tot zaligheid.
Doch daarmee is nu ook tegelijk een tweeheid gegeven voor de ontwikkeling van de Christengemeente . Waar de uitstorting als zoodanig als de Geestesdoop gold voor deze 120 menschen, vergaderd op 't Pinksterfeest te Jeruzalem, gold ook de doop, terstond daarop door de apostelen met water toegediend, tegelijk als Geestesdoop, zooals Petrus zelf zegt : „en een ieder van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonde, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen". De betiteling van de Christelijke doop der opname in de gemeente als Geestesdoop, is dus wel degelijk door de apostelen zelf gewettigd.
Maar in de latere uitwerking van de Christelijke doop als Geestesdoop, openbaart zich nog al eenig verschil.
Dan zijn daar aan de eene kant (a) zij, die meer vasthouden aan 't voorwerpelijke goddelijke gebeuren van den Geestesdoop, waardoor de zondaar wordt omgezet van „beest-mensch" tot „geest-mensch". Wie met die doop gedoopt was, was een heilige, een afgezonderde, was anders dan anderen. Van deze was Paulus de groote voorvechter. Is 't ons nooit opgevallen hoe hij voortdurend aan het begin van zijn brieven de Christenen aanspreekt als heiligen ? Deze aanspreek-titel zullen wij tevergeefs zoeken in de brieven van (b) Petrus en Jacobus. Want bij; deze gaat het niet in de eerste plaats om het objectieve van den Geestesdoop, waardoor de mensch wordt omgezet tot een nieuw schepsel. Integendeel, zij als ooggetuigen van de zware worsteling van hun Heiland om de Vuurdoop te ondergaan, kunnen niet nalaten, ziende op Hem, voortdurend de gemeenteleden, al waren zij geheiligd in den Geestesdoop, op te wekken voor de strijd en beproeving om staande te blijven in de verzoeking en de zonde te weerstaan. Voor hen geldt minder het absolute van den Geestesdoop als wel de navolging van Christus.
Laten we dan de volgende keer eerst eens langer stilstaan bij de verhouding van Petrus en Jacobus tot den Geestesdoop.
Wilnis.
BROUWER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1937

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's