KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE GEBONDEN JAARGANG
Het was ons ditmaal een buitengewoon genot, toen de ingebonden jaargang van „De Waarheidsvriend" kwam, dit dikke boek eens rustig door te bladeren. Wat een kostelijk bezit moet het zijn voor zoovelen, die hartelijk meeleven met onzen Gereformeerden Bond. 52 wekelijksche nummers vindt men hier in een aardige band bijeen, met een zeer uitvoerig, goed bewerkt, duidelijk en overzichtelijk register. Die 52 nummers tellen saam 520 bladzijden ! en vormen dus een kolossaal boekdeel, met 52 hoofdartikelen, 52 Stichtelijke overdenkingen, van verschillende van onze predikanten. 52 maal is „Kerkelijke Rondschouw" gegeven, waarin de meest verschillende onderwerpen worden behandeld. Een groote reeks van artikelen over „Staat en Maatschappij" treft men hier aan, waarin de meeste onderwerpen, die aan de orde van den dag zijn, worden besproken. Een artikelenreeks van ds. Woelderink over „Het Verbond Gods met den mensch" en ook een over : „Het Verbond der verlossing" vindt men hier. Ook de artikelen van ds. Blok, van Brandwijk, over : „De geschiedenis van het Calvinisme in Nederland" (Dordtsche Synode, Piëtisme, Alex. Comrie) en van ds. Van Dijk, van Rijnsaterwoude, over : „Het Calvinisme en het heden". Dan de artikelen van wijlen prof. Van Leeuwen over : „Voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking". De artikelen over den Heidelb. Catechismus, Groen en den Schoolstrijd, enz. De nieuwe rubriek: „Rondblik buiten de Grenzen" doet het goed en brengt de buitenlandsche politiek onder onze lezers. „De Vragenbus" bevat precies 52 besprekingen. In „Uit de Pers" is van allerlei kant saamgelezen, wat onze lezers, die niet alle bladen lezen, interesseert. 66 Gedichten vindt men nu bij elkaar. „Rondom de leestafel geeft van allerlei aard, wat van belang is voor onze boekenkast in de huiskamer en in het vereenigingslokaal. De rubriek „Kerk, School, Vereeniging" is onuitputtelijk en geeft een rijk gevarieerd „jaaroverzicht". En nu hebben we nog geen melding gemaakt van de belangrijke rubriek „Financiën", door onzen Penningmeester verzorgd, waarbij in het Register de wekelijksche ontvangsten, met verwijzing naar de bladzijden, is aangeteekend !
Wat een geweldig stuk arbeid voor en door onzen Bond hebben we hier ! Soli Deo Gloria ! Geen wonder, dat er wespen zijn, die aan deze heerlijke vruchten komen knagen Maar velen, zeer velen, zijn er zoo echt blij mee, dankende God en prijzende Zijnen Naam !
Zoo zien we, dat een gebonden jaargang, en niet 't minst een gebonden exemplaar van de laatste jaargang (1935/'36) een rijk bezit is voor de leden van onzen Bond. En we willen nog eens aansporen, om toch vooral de wekelijksche nummers te bewaren. Men zal er geen spijt van hebben !
Onze Uitgever verdient een woord van lof voor de keurige uitvoering van alles !
En zoo gaan we moedig voort, wetende en vertrouwende, dat ons werk in den Heere niet ijdel is !
CONFERENTIE OVER „DE PLURIFORMITEIT DER KERK"
Door de heeren dr. P. J. Kromsigt, prof. dr. V. Hepp, prof. J. W. Geels, ds. A. B. te Winkel en ds. M. van Grieken, is een circulaire verzonden aan tal van predikanten, waarin wordt medegedeeld, dat er D. V. op 3 en 4 Februari a.s. op Woudschoten, bij Zeist, een Theologen-conferentie zal worden gehouden, waar bijzonderlijk zal worden gesproken over het ééne en belangrijke onderwerp
„De Pluriformiteit der Kerk”.
De heeren prof. Hepp, prof. Severijn, prof. Geels en dr. J. Ch. Kromsigt, zullen ieder een kort referaat houden en ook prof. dr. V. H. Rutgers zal als spreker optreden om bijzonderlijk over de staatkundige zijde van het vraagstuk te handelen.
De Bond van Gereformeerden (Calvinisten) heeft bovenstaand uitvoerend Comité benoemd en zoo zijn de voorbereidende maatregelen getroffen, waarbij nu de wensch, de bede en de verwachting is, dat een belangrijk aantal predikanten — van de jongeren niet 't minst, maar óók van de ouderen — deze belangrijke Conferentie zullen komen bijwonen. Den eersten dag (3 Februari) wordt begonnen om half twee, den laatsten dag wordt gesloten om half vijf.
De prijs der deelneming is gesteld op /4.— per persoon, wat dus buitengewoon laag is en de deelneming zeer gemakkelijk maakt.
Allen die uitgenoodigd zijn, worden verzocht zich zoo spoedig mogelijk — want de tijd is kort — op te geven aan het adres van dr. P. J. Kromsigt, Riouwstraat 5 te 's-Gravenhage.
DE DOLEANTIE DOOR ONS VEROORDEELD (2)
Toen wij in 1906—1909 begonnen zijn met het werk van onzen Gereformeerden Bond, lag de geschiedenis van De Doleantie (1886) al geruimen tijd achter ons. Maar de jongeren van de oprichters van onzen Bond hadden toch nog klaar bewustzijn van 't geen zich rondom '86 had afgespeeld. Nog tal van typische gebeurtenissen in geboorteplaats en elders stonden hen voor den geest. Hoevelen van degenen, die meegegaan waren met de Doleantie, kenden zij van nabij ! En de geschiedenis van degenen, die eerst neiging vertoonden de stap óók te doen, maar daar tenslotte toch van teruggekomen zijn, was hun ook niet onbekend. En was er veel, heel véél dat zij zoo goed konden meevoelen met de mannen van '86, in de zaak waarop het nu juist aankwam, verschilden ze principieel. En zoo kon het gebeuren, dat velen uit de Gereformeerde Kerken zeiden: „Gij hoort bij ons, maar Gij pakt het verkeerd aan" — waarop wij vrijmoedig konden antwoorden : „Gij hoort bij ons, maar Gij hebt het geducht bedorven voor de goede oplossing van het kerkelijk vraagstuk, dat verband houdt met heel de Kerk en heel het volk !"
Wat was de toestand rondom de tachtiger jaren ?
In ons boekje „De Leervrijheid in de Hervormde Kerk" (2de druk, uitgave van en verkrijgbaar bij de Administratie van „De Waarheidsvriend", Maassluis, Noordvliet 47) hebben we uitvoerig uiteengezet hoe de kerkelijke toestand ten onzent in de 19de eeuw was. In 1816 was door den Koning — en Zijn liberale (? ) raadgevers — wederrechtelijk aan de aloude Gereformeerde Kerk hier te lande een Synodale Besturenorganisatie opgelegd. De Kerk werd behandeld als een burgerlijke Vereeniging en alles stond onder verschillende Besturen en Reglementen. De kerkelijke vergaderingen waren onmogelijk gemaakt en met de belijdenis der Kerk was er zóó gegoocheld, dat het ééne oogenblik kon worden gezegd : „de belijdenis is er, ziet, hier is zij" — terwijl op hetzelfde moment kon worden gezegd : „de belijdenis is weg, zij heeft afgedaan ; zoek ze maar, gij kunt ze toch niet vinden".
De Kerk was wederrechtelijk gemaakt tot een Vereeniging van „elk wat wils", met gevolg, dat de belijdenis van haar rechten was beroofd en krachteloos gemaakt ; hoewel — en dat is en blijft het wondere — de Reglementen, en nog wel in de hoofdartikelen, zeiden : de belijdenis is er, moet ook blijven, en zal ook worden gehandhaafd
Men moet dat in ons boekje : „De Leervrijheid in de Hervormde Kerk", waar alles uit en met de officieele stukken wordt beschreven en verklaard, nog maar eens nèlezen. Men zal zich dan bij vernieuwing kunnen overtuigen, dat het onder dwang van de verlichte heeren uit de 19de eeuw een onwaarachtig geschipper is geweest, waarover men zich telkens weer opnieuw zal ergeren. Wat is het liberalisme, het modernisme, het rationalisme van de 19de eeuw toch onoprecht, onverdraagzaam, tyranniek geweest ! Alles om de waarheid Gods te onderdrukken en eigen wijsheid bovenmate eere te geven ! Dit alles bewijst, dat er waarlijk voor „de Vrienden der Waarheid" wel oorzaak was om te klagen over de treurige toestanden in het midden van de aloude, Vaderlandsche Gereformeerde Kerk, die zoo nauw was saamgegroeid met ons volksleven. Naast de Roomsche-, Luthersche-, Remonstrantsche Kerk, nam de Hervormde Kerk van Nederland een zéér breede plaats in. Het was de Groote, beteekenisvolle Gereformeerde Kerk van Nederland, de voortzetting van de Gereformeerde of Hervormde Kerk, door den Heere op wondere wijze in de 16de eeuw hier geplant; met dezelfde geschiedenis, met dezelfde belijdenis, met dezelfde Kerkorde, tot op 1816, het fatale jaar, toen de liberale of verlichte Koning met Zijn raadslieden het booze plan uitvoerden, om (het was na de revolutie tijd met den verschrikkelijken nasleep ook voor ons volk en Vaderland) van de Gereformeerde Kerk een soort Vereeniging tot nut van het Algemeen te maken, om daarin op te nemen alle protestantsche gezindten (als in een Algemeene Protestantsche Kerk). Ja, men sprak zelfs de hoop en de verwachting uit, dat zoo langzamerhand de Protestanten en de Roomschen zóó naar elkaar zouden toegroeien, dat zij — wanneer de wijze heeren in de besturen der Kerk verstandiglijk en voorzichtiglijk te werk gingen ! — weldra één groote godsdienstige gemeenschap zouden vormen.
Innig en diep was het leed bij velen, die vrienden der Waarheid waren, over den gang van zaken. De Hervormde Kerk was niet wat zij zijn moest, was niet het huis des Heeren, waar Zijn Woord, waar Zijn Sacramenten en inzettingen werden gevonden naar 's Heeren bevel. En in geestelijke dingen zei ze altijd ja en neen tegelijk — wat natuurlijk juist de bedoeling was van, de leiders, die verleiders genaamd moeten worden. Om ieder te behagen, werd Gods Wet en Waarheid stout en gedurig geschonden. En zoo kan het ons niet verwonderen, dat overal antipathie, ja, haat en nijd leefde en tot openbaring kwam tegen de belijders van 's Heeren Naam. Die werden „de fijnen" genoemd, de onverdraagzamen, de bedervers van alles goeds. Die werden als menschen van de nachtschool behandeld en dus grof, beleedigend achtergesteld bij anderen. Denk aan Bilderdijk, Da Costa, Kohlbrugge. Groen v. Prinsterer enz. enz. Fiolen van toorn werden uitgegoten over de hoofden van „de Vrienden der Waarheid" en tegelijk werd alles gedaan om de plaats van de belijdenis der Kerk nog maar méér in te perken en haar invloed nog maar méér te verzwakken.
We denken aan al de wijzigingen, die gemaakt zijn in de proponentsformule en de belijdenisvragen.
Hiervoor moet men ons boekje „Over de Leervrijheid" nog eens nalezen. Het is zoo in-treurig ! En men deed het natuurlijk nergens anders om, dan dat predikanten en lidmaten alle kanten tegelijk uit konden gaan in hun prediking en in hun belijden! De een kon en mocht ja zeggen, maar dan kon en mocht de ander tegelijk neen zeggen. En alles was er op ingericht, dat men er nooit iets aan doen kon.
Rondom 1880 was dat spel met artikel 38 en 39 van het Reglement Godsdienstonderwijs in vollen gang! De liberalistische wijzigingen kregen haar beslag in 1879—'80. En met de proponentsformule scharrelde men o.a. in 1883. En met artikel 40 Reglement Godsdienstonderwijs in 1885—86.
Velen protesteerden. De meerderheid in de Kerk was er tegen. Maar de Besturen-organisatie was zoó kunstig — en zoó listig — in elkaar gezet, dat de wijzigingen veelszins — gelukkig niet altijd — gelukten. Echter de Kerk zelve verzette zich telkens krachtig.
In die jaren treedt dr. Kuyper op den voorgrond.
Mannen als Bronsveld, Gronemeijer, Gunning, protesteerden tegen de Synodale Besturen-Organisatie en tegen de liberalistische richting. Zooals Bilderdijk, Groen van Prinsterer, Kohlbrugge, gedaan hadden, deden Da Costa, Molenaar, Callenbach en vele anderen. Ook dr. Kuyper, Pierson, de Savornin Lohman, Rutgers. Men was bezorgd over de Kerk en over haar belijdenis. Het ging bij velen, zéér velen, die met de Afscheiding niet meegegaan waren en de Hervormde Kerk getrouw gebleven waren, om den Naam en de belijdenis van Jezus Christus. En bij al de verschillen, die er zeer zeker waren, ging het van Noord tot Zuid en van Oost tot West om het herstel, om den wederopbouw, om de wederoprichting van het huis des Heeren, van de Kerk van Christus, zooals in de Hervormde Kerk van geslacht op geslacht, die Kerk gezien was.
Wilden „de Synodalen" de bestaande Bestuurs-Organisatie van 1816—'52 handhaven met de leervrijheid in de practijk van het kerkelijk leven — duizenden en duizenden vroegen om wijziging der bestaande Kerkelijke organisatie, dat niet een organisatie voor een Kerk, maar voor een Vereeniging is, en men kwam óp voor de belijdenis van Jezus Christus en dien gekruisigd, de belijdenis van den Christus der Schriften ; voor de belijdenis, die vanouds ten grondslag had gelegen aan ons kerkelijk leven hier te lande, naar den aard en het wezen van het Gereformeerd Protestantisme.
Niemand onzer zal dan ook zeggen, dat er rondom het jaar 1880 niet alle oorzaak was om leed te dragen over de kerkelijke toestanden. En niemand onzer zal dan ook verwijten doen aan het adres van mannen als dr. Kuyper, Rutgers, de Savornin Lohman e.a., dat ze treurden (doleeren beteekent bedroefd zijn) over zooveel wat in de Hervormde Kerk niet was zooals 't naar Schrift en belijdenis had moeten zijn.
Duizenden bij duizenden, die niet met de Doleantie zijn meegegaan, droegen evenzeer leed.
Maar zoo jammer is het, dat „de mannen van 1886" de stukken op het schaakbord zóó hebben heen en weer geschoven, dat het moest vastloopen. En zij zijn de oorzaak, dat het werk, om de aloude Gereformeerde Kerk met haar belijdenis en Kerkorde weer hersteld te krijgen, opdat zij in het midden van ons volk weer zou komen staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid, gebroken werd. Jammerlijk gebroken. Hoewel gelukkig niet voor altijd gebroken.
(Wordt voortgezet.)
KOHLBRUGGE EN DE AFSCHEIDING. (2)
Het krachtigst getuigenis voor het standpunt van Kohlbrugge inzake deze kwestie is gelegen in de houding, die hij aangenomen heeft ten opzichte van de door de Cock en zijn vrienden veroorzaakte afscheiding van de Staatskerk.
Met den predikant van Ulrum was het precies eender gegaan als met Kohlbrugge. Toen hij in 't openbaar positie koos tegen eenige van zijn collega's vanwege hun duidelijk rationalistische leer, veroordeelde het kerkbestuur hem als rustverstoorder en zette hem voor twee jaar uit zijn ambt.
Kohlbrugge had onmiddellijk na zijn terugkeer uit het Wupperdal de oproeping van de Cock gelezen. Hier was er een, die hetzelfde gewaagd had als hij. Hier ontmoette hij iemand, die terwille van het zuivere Evangelie bereid was zelfs afzetting en vervolging op zich te nemen ! En tóen de predikant van Ulrum zich met een verzoek om inlichtingen tot hem gewend had, richtte Kohlbrugge een schrijven aan hem, waarin hij er zijn groote blijdschap over uitspreekt, dat hij in de Cock een hartstochtelijk medestrijder gevonden heeft.
„Ik verheugde mij zoo zeer over uw schrijven, dat ik het bijna verslond, omdat gij als een trouwe dienaar van God niet te rade gegaan zijt met vleesch en bloed, maar gehoorzaam aan de waarheid Gods, gewaarschuwd hebt tegen de paden van den roover en als een Pinehas, door den ijvergeest des Heeren gedreven, met het zwaard aangetast hebt de echtbrekers in Israël !”
Het liefst zou Kohlbrugge hem een bezoek gebracht hebben — wat heeft hem daarin toch verhinderd ? Niets kan hem echter weerhouden om den dapperen strijder voor het Woord van God moed in te spreken. In de eerste plaats : Zijn afzetting is ongeldig. Gij zijt toch langs wettelijken weg tot het ambt van herder en leeraar geroepen ! Daarom zijt gij door den Heere zelf in het ambt gesteld. Wie kan u dan uit het ambt zetten dan alleen God zelf en in Zijn naam de gemeente ? De gemeente, ja ! Maar alleen wegens ketterij in de leer of in de levenswandel. Menschen, die zelf de dwaalleer huldigen, zijn de meest onbevoegde rechters.
Nu geldt echter voor de Cock slechts dit eene : het Woord van God verder te verkondigen. Had hij zelf soms anders gehandeld, als hij in zijn tijd in de Luthersche gemeente geplaatst geweest was, wat voor straffen, geldboeten of gevangenisstraffen ook de gevolgen geweest waren ? Had hij zich niet, van de eene plaats weggejaagd, naar een andere plaats begeven en het Evangelie verder gepredikt ? Zoo is ook de Cock nooit of te nimmer van zijn gemeente verbannen, nóch van de een of andere gemeente elders, waar men hem maar hooren wil !
„Als ik in uw plaats was, dan liet ik het steenen gebouw en de houten preekstoel staan, waar hij staat, maar ik zou mij! ook verzetten tegen iedere toepassing van geweld, waarmee de een of ander mij tegen de wettige heerschappij zou willen beschermen. Want de Apostelen hebben ook geen geweld gebruikt. Zinnelijke wapenen doen geen goed. Hier moet men passief blijven. Maar één ding doen, wat er ook gebeure : het Evangelie prediken ! Hebben de Apostelen zich 't zwijgen laten opleggen ? Zij lieten zich geeselen, steenigen, halfdood slaan, maar hun ambt bleven zij trouw !
Het Evangelie prediken ! In Gods huis of in de varkensstal — dat doet er allemaal niets toe. Het gaat alleen maar om het Woord en om de „twee of drie", die het Woord hooren. „Als ik dominee was en nog niet afgezet, dan zou ik u vragen, of u voor mij wilt preeken ! Den Koning der Kerk moet men meer gehoorzaam zijn dan den menschen ! Dus waken over de kudde én tegen de afzetting protesteeren en — preeken !
Kerk en kansel mogen in den grond verzinken. Kunt gij daar niet meer optreden, welnu, dan moet de dienst maar op een ongewone wijze gehouden worden. Maar niets met geweld tot zich trekken ! Wij zijn geroepen om te lijden. Bezit uw zielen in lijdzaamheid. Mijn is de wraak. Ik zal het vergelden. Het Lam zal overwinnen, geen stok en geen geweer, maar de Heere, en wie hier een andere weg inslaat, die doet nog grooter kwaad dan Uza, die de ark van God met eigen hand wilde vasthouden.
Was Kohlbrugge niet de rechte man om hier te spreken en te troosten ? Groote kracht ligt er in zijn woorden, wanneer hij van de menschen en hun gedoe, hun lof en hun medelijden, hun lokking en bedreigingen op den Heere wijst. De Cock moet van de menschen nooit iets anders verwachten dan dat, wat in Romeinen 1, 2 en 3 van hen geschreven staat. Alle menschen zijn leugenaars, ik ook. De duivel vertelt ons altijd, dat hij Gabriel is, die voor God staat. Maar Christus alleen is de Waarheid., Breekt de duivel ons een kansel af, dan bouwt de Heere er ons een, die honderdmaal sterker en grooter is. Leest men nu niet overal mijn in Duitschland gehouden preeken van de Zuidpool tot de Noordpool ?
Zouden wij ons niet houden aan de dierbare beloften : gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil ? Dus ook door de vromen ? Jawel, ook door de vromen !
De predikant van Ulrum, die het boek van Kohlbrugge over zijn lotgevallen bij de Lutheranen en de Gereformeerden kende, kon bij iedere regel van den schrijver duidelijk voelen, dat hij verstaan werd. Ook Kohlbrugge wist, wat het beteekende onder de omstandigheden, waarin de Cock zich bevond, of „Sara" meetrekt of niet. Zoo vertelt hij van zijn vrouw, hoeveel zij doorgemaakt heeft en dat zij nu reeds daarboven mag juichen voor Gods troon. Heeft de vrouw den dominee getrouwd om met hem in een steenen huis te zitten ? Is het niet, om in Christus zijn huisvrouw te zijn ? „Verheugt u steeds samen in den Heere. Weest vroolijk met uw vrouw en met allen, die u bezoeken. Laat varen, wat de tegenstanders doen. Zij zijn verslagen, in stukken gehouwen, en maken zich hun eigen galg evenals Haman en graven hun eigen graf”.
„In eeuwigheid laat Hij niet beschaamd worden, die zich aan Hem vasthouden. Nog een kleine tijd en Hij komt. Hij komt en wij gaan binnen in het huis des Vaders, daar zullen wij eerst recht heilig lachen, ook om onze domheid, dat wij, koningskinderen, den weg voor zoo onaangenaam hielden, die toch zoo heerlijk was. De genade van den Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Vervloekt is de man, die vleesch tot zijn arm stelt. Gezegend is de man, wiens vertrouwen op den Heere is en die zich sterkt in Jehova, zijn God.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's