Geestesdoop in de oudste Christengemeente.
Paulus I.
We hebben dus gezien hoe de Jeruzalemsche gemeente van de tweeheid, die in het Pinkstergebeuren gegeven was, n. 1. Geestesdoop en navolging van Jezus Christus, meer de nadruk was gaan leggen op het laatste, doch daardoor zich tevens te veel had laten binden door de wet, zoodat de vrijheid in het Evangelie wel theoretisch werd erkend, maar practisch uit het gezicht was verdwenen.
Hiertegenover was het Paulus, die weer met klem de gemeente herinnerde aan de Geestesdoop, althans van den Geest. De eerste daad, die het komend conflict met Jeruzalem voorspelt, is, dat de discipelen te Antiochië onder Paulus' leiding het eerst zich Christenen noemen. (Hand. 11 vers 26). Zet hier nu naast de, in hetzelfde hoofdstuk vermelde, heimelijke onwil van Petrus om de Geestesdoop van den hoofdman Cornelius te erkennen, en we zien het verschil. Hier, in Antiochië, is het positieve, principieel anders dan „de vraag van een oprecht geweten tot God". Hier spreekt het zelfbewustzijn van de gedoopten met den Heiligen Geest, die daardoor zonder meer deel hebben aan Christus. Hier grijpt Paulus voor het eerst weer terug op Pinksteren, door de strijd, in Stephanus begonnen, met de Joodsche wet voort te zetten. Voor Paulus was er nieuw leven uit God, bewerkt door Jezus Christus in de gave des Geestes, en dat leven had zijn eigen nieuwe wetten. De wet van Mozes was wel een tuchtmeester tot op Christus, , maar nu was het oude voorbijgegaan en alles was nieuw geworden. Nu nog de wet als richtsnoer te nemen, beteekende voor hem Christus' Evangelie te schande maken. Dit zijn de gedachten, waarmee wij Paulus in het begin aantreffen. Doch we moeten wel goed in het oog houden, dat dit geen program van werkzaamheden was, dat Paulus als een vlag voor zich droeg. We moeten deze gedachte zien als groeiende temidden van de omstandigheden. Door ze daarvan los te maken, hebben reeds zoovelen zich voor goed alle kans ontnomen om tot een behoorlijk begrijpen van Paulus te komen.
Als Paulus van Geest spreekt, dan gaat het er in de eerste plaats om wat hij ervaren heeft van den Geest. Als Paulus over wet spreekt, dan ziet hij op wat zich in de Jeruzalemsche gemeente daarvan openbaart.
Om bij dit laatste te beginnen ; reeds spoedig kreeg Paulus gelegenheid om met zijn eigen oogen de plaats van de wet in de Jeruzalemsche gemeente te zien. Met Barnabas werd hij afgevaardigd om een geldzending van Antiochië ter ondersteuning van de gemeente in Jeruzalem te brengen. Het verslag daarvan lezen we in Gal. 2 vers 10. Ook toen was er reeds eenige roering in Jeruzalem, doch het kwam nog niet tot uiting. Titus, die er ook bij was, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden en Jacobus, Petrus en Johannes, gaven Paulus en Barnabas de rechterhand der gemeenschap. Het valt ons hier op, dat Paulus geen' aanval doet op de wetsbetrachting, zooals die onder de Christenen in Jeruzalem gewoon begon te worden. Maar dé aanval komt van de andere kant.
Het schijnt, dat het „roemen in de vrijheid" van de Heiden-Christenen in Antiochië de Jeruzalemsche gemeente met wantrouwen vervulde en haar met buitengewone snelheid deed vluchten in de wetsbetrachting. Want als Paulus ongeveer twee jaar daarna, na het volbrengen van zijn „eerste Zendingsreis", in Antiochië komt, is de situatie algeheel veranderd. Hij trof daar Petrus aan in een halfslachtige positie. Gal. 2 vers 12. „Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij met de heidenen, maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zich af, vreezend degene die uit de besnijdenis waren". Hieruit zien we, dat Jacobus de voorman is bij deze nieuw opkomende wetsbetrachting, terwijl Petrus zich meer op de vloed liet meedrijven.
Maar waar we bovenal acht op moeten geven, dat is de geweldige kracht, waarmee dit Judaïsme zich doorzet. Reeds zijn er, terwijl Paulus vol verbijstering te Antiochië het conflict ontdekt, Joodsche Christenen tot ver voorbij Antiochië ingedrongen in het gebied, waar Paulus gewerkt had, om aan de Heiden-Christenen de noodzakelijkheid der besnijdenis en het houden der wet op te leggen. Doch toen de geruchten daarvan doordrongen tot Paulus, kón hij niet langer wachten en treedt hij op, evenzoo snel en met ongekende felle kracht. Twee daden doet hij. In de eerste plaats gaan Paulus zelf, Barnabas en nog anderen, terstond op reis naar Jeruzalem om over deze kwestie met al de leiders der gemeente te spreken, maar tevens schrijft Paulus al vast op deze reis een alleszins positieve brief aan de Galaten, waarin zich het conflict duidelijk weerspiegelt. Deze brief is niet een rustig overwogen dogmatische uiteenzetting, neen, we zouden het beter kunnen noemen een consciëntiekreet ! De wet van Mozes kan geen goed meer doen in de Galatenbrief. Waarom? Omdat ze hem hier in de vorm van menschelijke zwakheid en ongeloof verschijnt als zonde, bekrompen eigengerechtigheid en liefdeloosheid, als vijandin van het Evangelie. Maar daarom moeten we nu nog niet terstond meenen, dat Paulus voorgoed met de wet heeft afgerekend. Hier zijn bijzondere omstandigheden. Aangaande de besnijdenis beroemt Paulus hier zich, in zijn verbolgenheid, er op, dat hij bij zijn vorig bezoek aan Jeruzalem Titus gelukkig niet heeft laten besnijden. (Gal. 2 vers 3—5). En degenen, die de besnijdenis weer predikten, wenscht hij vol bitterheid toe : „Och, of zij ook versneden werden (d.i. gecastreerd), die u onrustig maken !" (Gal. 5 vers 12). Doch hoe is het dan mogelijk dat wij daarna van Paulus lezen hoe hij zelf Timotheüs besneed om der Joden wil (Hand. 16 vers 2). Dat kon omdat, na het Apostelconvent, vermeld in Hand. 15, de verhouding weer gezuiverd was. De besnijdenis, die, tengevolge van de onttroning van de Geestesdoop bij de Jeruzalemsche gemeente, langzamerhand door de Joodsche drijvers was gesteld tot inlijvingsacte in de Christelijke gemeente inplaats van de doop, was weer van die beteekenis ontdaan. In het officieele schrijven van de apostelen aan de Heiden-Christenen wordt daar niet meer van gerept. Van regel des geloofs was de wet weer teruggedrongen tot koninklijke wet der vrijheid. Maar daarmee had, na het apostelconvent, Paulus dan ook geen bezwaar meer om die besnijdenis zelf toe te passen, als het voor de verkondiging van het Evangelie goed kon zijn, evenmin als hij er bezwaar tegen maakte andere voorschriften van de wet op te volgen, zooals het volbrengen van beloften en het opgaan naar Jeruzalem, indien zij maar niet in rekening werden gebracht als levensvereischten voor het geloof in Christus.
Wat Paulus alleen had willen verhinderen was, dat de wet kwam inplaats van den Geest. En dit was hem aanvankelijk gelukt. Deze wet was fel op Paulus aangedrongen, doch niet minder fel had Paulus deze aanval afgeslagen. Maar omdat de wet zich ook had meester gemaakt van de inlijvingsacte (door in de plaats van de doop de besnijdenis te stellen), lijkt het haast vanzelfsprekend, dat nu bij de overwinning van de Geest door Paulus' strijd, ook de Geestesdóóp weer in eere hersteld werd. En in zekeren zin is dat ook zoo. Maar toch moeten we hier zeer voorzichtig te werk gaan. Want het zal ons terstond opvallen, dat dit toch niet de opzettelijke bedoeling geweest is van Paulus.
Het accent valt bij Paulus wel het allerzwaarst op het eerste deel der samenstelling, n.l. Geest.
In de strijd met het Judaïsme was de aandacht alleen gericht op de wetsbetrachting, de vijand van den Geest, in welken vorm ook. Maar dit nam niet weg, dat voor Paulus de Geest meer beteekende dan Geestesdóóp. Krachtdadig was hij door den Geest neergeworpen op den weg naar Damascus en Christus was hem verschenen ; in duisternis had hij geworsteld en gebeden, doch eerst toen hij als een nieuw mensch zijn oogen weer mocht openen, had hij den doop ontvangen. Geest en doop waren voor hem in ieder geval niet onafscheidelijk met elkaar verbonden. Daar tusschen gaapt de duistere kloof van Paulus' leven.
En nu dit, wat Paulus van God ervaren had vóór hij den doop ontving, dit noemde hij „rechtvaardiging door het geloof". O zeker, zijn rechtvaardiging door het geloof en de Pinksterdoop, die door den Geest gevolgd werd, hadden beiden dit allesbeheerschende gemeen, n.l. dat zij de openbaring des Geestes bevatten. Daarom beschouwt hij beide in Galaten nog als één, als wij in Gal. 3 vers 26 en 27 vlak achter elkaar lezen: „Want gij zijt allen kinderen Gods, door het geloof in Christus Jezus. Want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan".
Maar we moeten niet vergeten, dat in al Paulus' brieven de diep-persoonlijke worsteling van de rechtvaardiging door het geloof, door hem gestreden in zijn bangste drie dagen, totdat het goddelijk antwoord ging naar Ananias, „ziet hij bidt !", oneindig veel sterker doorklinkt dan de onpersoonlijke Geestesdoop als zuiver voorwerpelijke handeling.
Zoo redt hier wel Paulus de gedachte van den Geestesdoop, echter niet terwille van de doop, maar terwille van de vrijheid des Geestes, die zich openbaart in de rechtvaardiging door het geloof.
Doch zoo ligt hier tevens de kiem voor de strijd, die Paulus straks te voeren krijgt met hen, die meer roemen in de voorwerpelijke geestesdoop, dan in d, e persoonlijke openbaring des Geestes in de rechtvaardiging door het geloof.
Ook dit zullen wij de volgende keer, zoover als mogelijk is, historisch trachten te benaderen.
W.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's