MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Van zelf ; anders kon ik immers geen lidmaad zijn ? 'k Vond de preek anders mager, hoor. Lang niet zooals ik het bij ons thuis gewend ben. 'k Denk, dat de dominé modem of ethisch is".
„Wat is dat, ethisch?
„Dat weet ik niet, maar het beteekent zooveel als lichte kost. Mijn vader wist dat precies".
„Was 't dan niet waar, wat de dominé sprak ?
„Dat geloof ik wel, maar wij hebben daar niet genoeg aan en moeten méér hebben dan dat".
„Nóg meer ? Ik ben hier al mede verlegen. Wat hééft de dominé ons niet voorgelezen".
„O, je bedoelt het formulier. Ja, dat is mooi en ook overeenkomstig de H. Schrift. Mijn vader noemde dat altijd zuiver gereformeerd, maar ik bedoel de preek van den dominé, die was immers geheel anders en gaf je niets voor je hart".
„'t Kan wel, ik weet het niet, want ik moest al maar denken aan dat doopen. Wat beteekent dat, Dirkje : „In Christus geheiligd te zijn ? "
„Dat weet ik ook zoo niet te verklaren, maar ik geloof, dat 't zooveel zeggen wil, dat de Heere Jezus voor onze zonden gestorven is en onze schuld bij God betaald heeft".
„Heeft Hij dat dan ook voor jou gedaan, Dirkje ? "
„'kDenk het wel; ik ben ten minste altijd in dat geloof groot gebracht en behoor bij de kerk".
„Weet je het dan niet zeker ? "
„Nu vraag je me zooveel, Pleuntje. Om dat nu zoo maar te zeggen, daar behoort heel veel toe".
„Maar, mij dunkt, je moest dit toch wéten. Hoe kan je anders gerust wezen en tot de kerk hooren ? "
„Wéten, daar hoort zoovéél toe. Daar zijn wel heel vrome menschen, die dat tóch niet durven zeggen".
„Ik begrijp er niets van", sprak Pleuntje met een zucht, en keek droevig het veld in, alsof zij iemand zocht, die haar beter zou kunnen inlichten. In elk geval sprak Murk geheel anders. Die was altijd vroolijk en blij en kon met een zekerheid van dat alles vertellen, welke bij hem althans geen twijfel overliet.
„Hier scheiden zich onze wegen", zei Dirkje. Nog even bleven zij in gesprek en maakten daarbij tevens een afsprak voor den volgenden rustdag. Toen nog een handdruk, waarna elk haars weegs ging.
Op „Lucht en Veld" zat men aan de thee, toen Pleuntje het erf opkwam. Stil ging zij naar haar kamertje, om een ander deed aan te trekken. Met een half uur moest zij weer het land in, om te melken.
„En hoe was het in de kerk? " vroeg de boer met een lachje.
Een snibbig antwoord lag haar op de lippen. Doch het volgend oogenblik bedacht zij zich. Had zij dat in de kerk geleerd ?
„'kHeb véél genoten, vooral van het dooien", sprak zij.
Even werd het stil. De jongste twee van de kinderen hier waren niet gedoopt, omdat Siderius dit niet gewild had. Wel had de boerin daar een paar maal op aangedrongen, ook omdat de oudsten wél gedoopt waren en het er immers zoo bij hoorde. Doch hij had gezegd : „wat geeft het", en zoo was het er bij gebleven. Alléén met de kindertjes in „het hek" staan, alsof zij een weduwe was, dat had de boerin niet gewild. Toch hinderde haar deze nalatigheid en in dit oogenblik kwam het gevoel daarvan weer boven. Het was net alsof zij onderscheid maakte tusschen hun kroost, en zij had ze toch allen even lief.
„'kVind niets aan dat heele doopen", kwam de boer nog, en schoof onrustig op zijn stoel.
. „En mij spijt het, dat wé het bij de twee kleinsten nalieten", antwoordde zijn vrouw.
„Elk zijn smaak", klonk het kort.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De Zondag was weer voorbij. Op „Lucht en Veld" had alles het gewone aanzien van eiken dag en was ieder weer druk doende in de dagelijksche bezigheden. Over Pleuntje's kerkgang had men niet meer gesproken, althans geen van de huisgenooten. Echter toen zij 's avonds, naar plaatselijk gebruik, met Murk alleen was geweest, had Pleuntje dezen gevraagd naar wat haar geest zoo in beslag nam. Natuurlijk wist hij van haar kerkgaan. Het jongvolk had hem daarover al ingelicht nog vóór hij dienzelfden middag de kerkmuren binnen was gegaan en ook had hij haaf wel zien zitten naast de nieuwe meid van „Bornia State". Wat zag zij d'r toen geheel anders uit dan gewoon. Nu toegreep hij, waarom Pleuntje met de boerin naar de stad was geweest en in stilte had hij zich verheugd haar in de kerk te zien. Zou het zaad, dat hij getracht had in haar hart uit te strooien, ontkiemd zijn en vruchten dragen ? Toen hij zijn oogen voor het gebed had gesloten, had hij óók aan haar gedacht.
Nimmer zou hij evenwel hebben durven denken, dat zij hem nu aanstonds voor zulke gewichtige vragen zou plaatsen. Uit den aard van de zaak was hij ook nog niet zoo bevestigd in de waarheid en allerminst op de hoogte van de dogma's der kerk. Dit stond bij hem vast, dat aan het Kruis van Golgotha een eeuwige verzoening was aangebracht voor allen die gelooven en al hun schuld daar was betaald.
Dat wilde ook de heilige Doop beteekenen : „Van nature zijn wij allen als zondaars geboren, Pleuntje, en uit ons bedorven hart komt niets goeds voort, 't welk voor God bestaan kan. Maar nu heeft de Heere Jezus alles voor ons volbracht, zoodat er niets voor ons overblijft dan in Zijn offerande te gelooven. Daarom staat er ook geschreven : „Zoo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn. In Hem zijn zij geheiligd en opnieuw tot kinderen Gods aangenomen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's