De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

DE CONFERENTIE OP WOUDSCHOTEN
Wij herinneren nog even aan de Conferentie, die D.V. Woensdag 3 en Donderdag 4 Februari op Woudschoten, bij Zeist, gehouden zal worden, waar breed behandeld zal worden het belangrijke vraagstuk van „de pluriformiteit der Kerk".
De predikanten, die deze Conferentie wenschen bij te wonen, om door de referaten van prof. Hepp, prof. Severijn, prof. Geels, prof. Rutgers en dr. Kromsigt en de onderlinge bespreking, dit onderwerp nader te bestudeeren, worden uitgenoodigd per omgaande zich op te geven bij dr. P. J. Kromsigt, Riouwstraat 5, Den Haag.
De onkosten zijn / 4.— en dus zoo laag mogelijk gesteld !

TWEE FOUTEN VAN HET LIBERALISME.
Aan „de liberale; koffietafel in het Gooi", in Groot Hotel Gooiland te Hilversum, heeft prof. C. W. de Vries, van Rotterdam, voor een kleine honderd leden van de Gooische afdeelingen van de Liberale Staatspartij „De Vrijheidsbond" een tafelrede gehouden
Hij begon aldus : „Ik wil, alvorens mijn toespraak te houden, beginnen met twee fouten van het liberalisme te belijden, die de laatste halve eeuw zijn begaan".
En wat zijn die twee fouten van het liberalisme van de vorige eeuw geweest ?
De eerste fout is geweest, dat het liberalisme de houding van een groot deel des volks ten opzichte van den Bijbel heeft misverstaan. En de tweede fout is geweest, dat het liberalisme geen oog heeft gehad voor de Arbeidersbeweging !
Het is wel merkwaardig, dat nu eerlijk beleden wordt, dat het liberalisme ten opzichte van den godsdienst, ten opzichte van den Bijbel, verkeerd is opgetreden.
En dat het liberalisme te midden van het vraagstuk van den arbeid, de arbeidsorganisatie, de arbeidswetgeving enz. enz., heeft mis getast !
Zal men nu óók gaan begrijpen, waarom mannen als Groen van Prinsterer, De Savornin Lohman, Kuyper, Talma en zoovele anderen tegenover het liberalisme zijn opgetreden, om ons volk politiek, maatschappelijk, kerkelijk, en ook wat de School betreft, anders te leiden en te helpen ?
Ja, voor de Christelijke politiek, voor de Christelijke Arbeidersbeweging, voor het ijveren voor Christelijk Onderwijs enz. was wel oorzaak ! En blijft er oorzaak !

TWEE FOUTEN VAN HET SOCIALISME.
De Socialisten zitten in een moeilijk parket. Aan de eene zijde dreigt het Communisme en aan den anderen kant het Fascisme of Nationaal-Socialisme.
Wat moeten ze nu doen? Ze moeten hulp krijgen. En ze kijken naar de burgerlijke partijen, ze vragen om de gunst ook bij de christelijke arbeiders. En natuurlijk moeten ze zich dan voordoen als nette, rustige, fatsoenlijke menschen, waar niets kwaads van te zeggen is!
Nu zitten ze met twee dingen. Het Socialisme is altijd nogal sterk anti-Oranje geweest. Het Wilhelmus zongen ze niet. Onderwijzers weigerden het Wilhelmus aan de kinderen te leeren. En als er bij gelegenheden door de kinderen gezongen moest worden en het Wilhelmus werd aangeheven, stonden de heeren niet op van hun zitplaats en ze weigerden b. v. om hun hoed af te zetten. Oranje wilden ze niet dragen. Naar Oranjefeesten zagen ze niet om. Bij de opening van de Kamer ontbraken de roode hee­ren (en dames). Spottaal hadden ze over voor „Mevrouw Oranje" enz.
En nu?
Ze zijn vurige Oranjeklanten geworden. En ze zeggen en schrijven dat ze dat eigenlijk altijd geweest zijn. Ze zijn nooit tegen Oranje geweest, enz. En heel parmantig stak dezer dagen de Socialistische wethouder van Rotterdam, de heer De Zeeuw, een Oranjespeech af en noodigde op het stadhuis de tegenwoordig zijnde heeren en dames uit te besluiten met het zingen van het Wilhelmus !
En dan is er nóg iets. De Socialisten zijn altijd fel tegen de godsdienst geweest. De godsdienst is maar een uitvinding van de menschen en een bangmakerij van de rijkeren en van de geestelijken tegenover de arme menschen. In een Socialistische Staat zal er dan ook geen godsdienst zijn. Socialisme en godsdienst staan tegenover elkaar als vuur en water, enz.
En nu ?
Nu betoogt men dag aan dag, dat het niets anders dan een sprookje is, dat het Socialisme anti-godsdienstig zou zijn. Men strooit die leugen rond, zegt de Roode Pers, om het Socialisme verdacht te maken bij de menschen. Maar de waarheid en de werkelijkheid is, dat het Socialisme nooit tegen de godsdienst is geweest en ook nooit tegen de godsdienst zijn zal !
Men kan z'n oogen haast niet gelooven, als men nu dag aan dag deze dingen leest.
Wat zou het royaler zijn, indien men z'n fouten bekende inzake Oranje en den godsdienst en indien men, met belijdenis van z'n dwaling, zich van harte en oprecht bekeerde, om werkelijk anders, principieel anders te worden !
Nu vertrouwen we ze voor geen cent. Noch ten opzichte van ons Koningshuis, noch ten opzichte van de ware religie, naar Gods Woord.
Hier dreigen groote gevaren ! Laat men gewaarschuwd zijn ! Een vos verliest wel soms z'n haren, maar nooit z'n streken !

VELERHANDE TEGENSPOED EN KRUIS.
Men kent die woorden, voorkomend in het huwelijksformulier.
Daar begint de Dienaar des Woords aldus het bruidspaar aan te spreken : „Overmits den gehuwden gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde toekomt...
Is het goed, om zóó te beginnen? Wij meenen van niet.
En als de vraag gedaan wordt : hoe zijn onze Vaderen er toe gekomen een zoo blije, feestelijke handeling op deze wijze te beginnen ? , dan antwoordt dr. B. Wielenga in zijn nieuwe boek : „Het Huwelijk als inzetting Gods" als volgt :
„Onze Vaderen staan hieraan niet schuldig. Slechts één van de Vaderen is de auteur en zijn daad is uitzondering. Micron, leider van de vluchtelingenkerk te Londen, verkeerde met zijn gemeente in omstandigheden, gelijkend op de benauwenis, door den apostel geteekend in zijn eersten brief aan de Corinthiërs. Paulus zegt daar: „Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mensch goed is alzoo (n.l. ongetrouwd) te zijn. Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoekt geene ontbinding ; zyt gij ongebonden van eene vrouw, zoek geen vrouw. Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het
vleesch ; en ik spare ulieden" (1 Cor. 7 vers 26—28).
Op de laatste onderstreepte woorden komt het aan. De traditioneele opvatting is, dat de apostel den gehuwden een speciaal kruis voorspelt. In zijn eigen exemplaar van het trouwformulier heeft Micron dit Schriftwoord op den kant vermeld, zoodat wij met zekerheid kunnen zeggen, dat hij op dit kruis gedoeld heeft.
Maar dan staat ook vast, dat deze woorden niet passen op de Kerk, die van het kruis der vervolging ontslagen is.
Trouwens, geen van de andere Hervormers spreekt uit dezen nood.
Calvijn vangt zijn formulier aan met het bekende votum: „Onze hulp is in den Naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft".
In de beroemde Paltzische liturgie lezen wij dezen aanhef: „Geliefde mede-christenen! Daar het huwelijk een goddelijke inzetting is, zonder welke de menschelijke samenleving niet bestaan en de ware gelukzaligheid van het huiselijk leven niet onderhouden kan worden — zoo hebben wij den alwijzen en goedertieren God daarvoor hartelijk te danken, dat Hij ons ten goede, deze heilrijke instelling geformeerd en onder de menschenkinderen tot heden toe in stand gehouden heeft".
Dat is andere taal.
Een feestelijke danktoon!
Dat de Kerk in Londen aldra ook de mindere gepastheid van Micron's klaagtoon ingezien heeft, blijkt wel duidelijk uit hetgeen a Lasco later deed. Deze voorganger begint den trouwdienst met de echtelingen geluk te wenschen, dat zij zich begeven in den stand, die van alle standen op aarde de gelukkigste is.
Zóó behoort het.
Alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd.
Er is een tijd voor weeklagen en een tijd om op te springen. (Pred. 3 vers 1, 4).
„Wij veroordeelen Micron niet" — zoo besluit dr. Wielenga. „Dat zij verre. In zijn tijd en op zijn plaats was er oorzaak om tot jubileerende menschen te spreken van een kruis.
Maar als God een kroon reikt, namelijk de kroon der goedertierenheid, waarvan de psalm gewaagt (Psalm 103 vers 4), moeten wij niet beginnen met te wijzen op het kruis.
Wij verkiezen dan ook met het Paltzische formulier te beginnen met een heilgroet en gelukwensch. De taal der Schrift, speciaal in het Oude Verbond, geeft er aanleiding toe en bevat ook schoone voorbeelden van zulke groetenissen".
Wanneer er dus menschen zijn, die meenen, dat die woorden „velerhande tegenspoed en kruis" speciaal bij den huwelijken staat als{ zoodanig behooren, ziet men de dingen verkeerd.
In de dagen van vervolging ontraadt Paulus te trouwen. De gehuwden wil hij niet scheiden, maar de ongehuwden wil hij niet aanmoedigen — hoewel hij gaarne getuigt, dat degenen, die wenschen te huwen, daaraan geen zonde doen. — Maar in vervolgingstijd zullen vooral de gehuwden er op moeten rekenen, dat het leed, de moeite, de zorg, het kruis der vervolging hen 't meest en 't zwaarst zal drukken. In vervolgingstijd
Dat nam Maarten Micron, de geestelijke vader van de vluchtelingenkerk in Engelands hoofdstad, over.
Maar terwijl de Kerk van Londen zelf die woorden later liet vervallen en a Lasco een heilwensch en blijde groetenis gaf aan de jonggehuwden, die hij de gelukkigste menschen noemde, hebben wij in Nederland deze speciale woorden van vervolgingstijd rustig laten staan, tot op den dag van heden.
Maar niet één van de Vaderen heeft ons dat geleerd!
Waarom zouden we ook blije, gelukkige menschen op hun trouwdag zoo somber aanspreken, alsof speciaal het huwelijk het kruis des levens brengt?
De Heere geeft ons bij Zijn weldaden en zegeningen oorzaak om niet met een weeklacht, maar met jubel en dank te beginnen.
Dat doet ons tenslotte komen tot deze opmerking : een bruidspaar, gelukkig en blij, kwam eens tot ons, toen wij in vacantietijd ergens logeerden, met de schrikaanjagende mededeeling, dat de dominé ter plaatse hun huwelijk niet mocht en niet kon en niet wilde inzegenen in de kerk, omdat de bruid in witte bruidsjapon en met een sluier in de kerk wilde komen, wat de kerkeraad had verboden!
Wij wisten, eerlijk gezegd, niet wat we hoorden. Maar 't verhaal bleek helaas! waar te zijn.
Op den huwelijksdag mocht de bruid niet in wit feestgewaad zijn, zich vroolijk opmakend om, aan den arm van haar bruidegom, naar Gods huis te gaan! Twee gelukkige jonge menschen mochten niet, zich versierend met smaak, op den gelukkigsten dag van hun leven, in Gods huis binnen gaan, om den Heere blij te danken en nederig te knielen voor Zijn aangezicht.
Omdat de bruid in 't wit gekleed was en een sluier droeg !............
Dat een kerkeraad verkeerd handelt, door bepalingen als deze te maken, behoeven we zeker niet te zeggen. Hij heeft er trouwens niet het recht toe. En een predikant, die hier aan meewerkt, doet alleszins verkeerd. Liever moet hij den kerkeraad er op wijzen, dat men van zulke maatregelen moet aflaten. En hij moet alles doen, wat mogelijk is, om het verkeerde ongedaan te maken.
Nergens staat in Gods Woord, dat men alleen maar in zwart kleed ten huwelijk mag gaan of in Gods huis verschijnen.
Natuurlijk niet.
Er is een tijd om te weenen, maar ook een tijd om te lachen ; er is een tijd voor het zwarte kleed, maar ook voor het witte gewaad. En de bruid zal zich sieren op 't kostelijkst voor de oogen van haar bruidegom, om saam als gelukkige menschen naar Gods huis te gaan! Waar ze met een blije groetenis worden ontvangen, naar Gods bevel.

VOOR WIE IS HET HUWELIJK ?
De Roomsche Kerk leert, dat de besten zonder huwelijk door 't leven moeten gaan. Voor nonnen en monniken is het huwelijk niet. Voor de priesters, bisschoppen en pausen heelemaal niet. Het huwelijk is voor 't gewone volk, voor de gewone menschen ; maar de heiligen trouwen niet.
Dat was een dogmatische dwaling en dat leidde tot zedelijke ontaarding, 't Was noch leerstellig in orde, noch moreel.
En daarom zegt de Gereformeerde Kerk naar den Woorde Gods, dat het huwelijk een instelling, een goede gave Gods is. Of zooals er letterlijk in het huwelijks formulier staat: „Hoort uit het Woord van God, hoe eerbaar de huwelijke staat is en dat hij een inzetting Gods is, die Hem behaagt ; waarom Hij ook de getrouwden wil zegenen en hen bijstaan".
De leer der Waarheid Gods omtrent het huwelijk is door het geloovig Protestantisme in de Luthersche, zoo goed als in de Gereformeerde Kerk, weer in 't rechte licht gesteld. Het huwelijk is niet een toevlucht voor de zwakken en zinnelijken, voor heele of halve hoereerders, maar het huwelijk is eerbaar, het is een inzetting Gods, die Hem behaagt en waarbij Hij gaarne Zijn hulp en bijstand en zegeningen wil geven, gelijk de Heiland Zelf te Kana, in Galilea, bewees. Ouden Nieuw Testament spreken hierin één en dezelfde taal. Het huwelijk is uit God en behaagt den Heere!
Het natuurlijke leven en het geestelijke leven moet niet zoó gescheiden worden, dat de geestelijke menschen het natuurlijke niet noodig hebben. Het natuurlijke is niet minderwaardig en alleen maar goed genoeg voor het ordinaire volk.
De Heere wil het huwelijk, daarmee het natuurlijk leven, het huiselijk en gezinsleven, aan de menschen geven als een goede gave van den hemel en door het huwelijk wil de Heere den mensch zetten in het volle leven, naar Zijn scheppingsordinantie en naar Zijn genadebevel.
Het scheeftrekken van deze dingen door de Kerk van Rome (en waarlijk niet door de Roomschen alléén) heeft ten gevolge gehad, dat men niet zelden kwam tot allerlei uitspattingen en dus het tegendeel van wat men leerde en bedoelde. In plaats van bijzondere heiligheid kwam er bijzondere schandaligheid. „De spanning van de onnatuurlijke onthouding leidde tot overspanning. De opgeslo­tenheid eindigde bij velen in uitspatting".
En daar het juist de geestelijken waren, die op dezen weg vóórgingen, bestond er voor het volk nauwelijks een remmende kracht. Luther zei: „de menschen zijn tegenwoordig minder dan de lieve zwijnen!" (Dr. Wielenga : „Het Huwelijk een inzetting Gods", bladz. 57).

DE DOLEANTIE DOOR ONS VEROORDEELD (3)
Neen, wij maken „de mannen van '86" geen verwijt, dat zij treurden, dat zij bedroefd waren over de kerkelijke toestanden, zooals die waren rondom het jaar 1880.
Wij verheugen er ons over, dat er rondom het jaar 1880 zoovele duizenden waren in Nederland, die, diep bewogen over de treurige toestanden in de Hervormde Kerk, niet stil zaten, maar met mond en hart wilden getuigen van den grooten afval onder ons volk en de zonde der Kerk. Dat men dorst spreken van de verbondsschending, die ons aanklaagde voor Jehova. Want men weigerde nog officieel om de belijdenis der Kerk te erkennen in haar kracht en heerlijkheid ; veel liever wilde men van de Kerk maken een Vereeniging van elk wat wils, waar ja en neen van gelijke waarde was. Maar inplaats dat men nu met elkaar er naar stond, om het herstel van de Nederl. Gereformeerde Kerk te zoeken, begonnen de veldheeren, die in den Kerkstrijd naar voren waren gekomen, allerlei voorbereidende maatregelen te nemen om straks hun slag te kunnen slaan. Men schoof allerlei kerkelijke kwesties naar voren om besturen-conflicten uit te lokken. En door 't kunstig en vaardig zetten van de stukken op 't schaakbord, werd èn in de belijdeniskwestie (attesten-kwestie te Amsterdam) èn in beheerszaken (Commissie van beheer te Amsterdam) het optreden van de besturen uitgelokt (op alles was tevoren gerekend) en dat heeft de zaak doen vastloopen en is de bom geworden, ' die alles deed springen. Bij de attesten-kwestie had men geduld moeten oefenen in geloof, ziende op den voortgang der goede zaak in Amsterdam, waarin de Heere zoo kennelijk Zijn zegenende handen over Zijn ontrouwe Kerk uitbreidde. En als beheerders der kerkelijke goederen hadden de Commissieleden uit Amsterdam's kerkeraad iets minder zelf moeten doen en iets meer moeten overlaten aan den Heere, Wiens het goud der aarde is. Alles bewees, dat men „haast" had. Men kon niet wachten, geen dag en geen nacht. En daarom zocht men de leerlingen van de moderne predikanten — een paar hoog bejaarde mannen, die het wegstervend modernisme vertegenwoordigden — te treffen en met de beheerszaken kon men niet rustig aan doen, maar moesten zeer geforceerd allerlei nieuwe regelingen in den kerkeraad worden voorgesteld, om zich zelf veilig te stellen bij mogelijk voorkomende conflicten.
Men vroeg niet: of de Heere ook bezig was iets goeds te werken in de herleving van Zijn Kerk in dezen lande, die zoolang niet naar den Heere gevraagd had, maar die Jehova kennelijk nog niet had verlaten. Men vroeg veeleer en veel meer: wat kunnen wij nu eens doen om het proces te verhaasten, om door onze eigene werken verlossing te brengen? En men maakte zich zelf en anderen wijs, dat de Heere des Heeren er mee gemoeid was, dat 's menschen plannen vlug werden uitgevoerd. En men peinsde zich moe, om de stukken op het schaakbord te schuiven naar de inzichten van knappe theologen en scherpzinnige juristen, die in de voorste gelederen stonden. Twintig jaar na de invoering van de Kiescolleges, waardoor God onverdiend voor de aloude Gereformeerde Kerk goede dingen beschikt had, kon men niet langer wachten. En na de stichting van de Vrije Universiteit, waaraan zoovele volbloed Hervormde menschen hadden meegewerkt in 1880, kon men bij de eerste oogst van candidaten in de theologie, die beroepbaar waren, niet wachten om den kerkelijken weg af te loopen voor deze jonge menschen, die mee den nood der Hervormde Kerk hadden moeten voelen, om ook mee de moeiten der Kerk te dragen en op die manier dan de Hervormde Kerk tot een rijken zegen te mogen zijn. Neen, men kon niet wachten en men wilde niet wachten ; en men heeft bij de beroepen van ds. Van den Bergh te Voorthuizen en cand. Houtzagers te Kootwijk de dingen geforceerd — ook met geld — om zóó te maken, dat er „doleerende" kerken kwamen, om zóó te veroorzaken, dat men spoedig buiten het verband der Kerk kwam te staan. Alle kerkelijke voorschriften deed men geweld aan en toen moest het gemaakt worden — omdat men meer hing aan eigen vlug werken, dan aan het genadig en zegenend werk des Heeren — tot een strijdvraag: vóór of tegen Christus! Men zou en men moest nu komen tot den beslissenden slag, waarvoor „De Heraut" al zoolang het consigne gegeven had. „De Standaard" was al zoo lang geheven ; „de Bazuin" was al zoo lang geblazen ; men kon, en mocht en wilde niet langer wachten, want des menschen plannen hadden haast Men wilde zoo gaarne uitmunten in „trouw".
14 December 1885 kreeg helaas! die ongelukkige wijziging van het Reglement op het beheer der kerkelijke goederen haar beslag in den kerkeraad, die daartoe gemobiliseerd was, ook al weer met de leuze: vóór of tegen de Waarheid ; vóór of tegen den Christus ! Terwijl het kennelijk was om zich financieel veilig te stellen als er een conflict kwam en men buiten de Kerk zou komen staan. De kerkelijke goederen van financiën en gebouwen werden op die manier zoo hinderlijk tusschen de geestelijke zaken van geloof en belijdenis geschoven! En als 4 Januari '86 de schorsing volgt van 80 kerkeraadsleden, die met de beheerskwestie zich op deze wijze hadden bezig gehouden op bevel van de knappe aanvoerders der schare, worden ze 1 Juli '86 uit hun ambt gezet en is de zaak voor de Kerk beslist in den meest ongunstigen zin, met vertroebeling van de geestelijke dingen, die aan de orde waren. De leerkwestie verzonk in de reglementen-kwestie met willekeurig ingrijpen. 24 September '86 wordt het vonnis bevestigd en na hooger beroep wordt het vonnis andermaal en nu definitief bevestigd. 8 December 1886 volgt de afwerping van het „synodale juk". 16 December is de Doleerende Kerk te Amsterdam in 't leven geroepen.
Hiermee was deze beweging voor de Hervormde Kerk verloren. En de Kerk der Vaderen werd wel vervloekt, maar werd niet hersteld, doch verlaten, door de mannen, die bij de vele zegeningen Gods, onverdiend ons geschonken, hadden moeten blijven meewerken, om de woeste plaatsen te zegenen, om de vervallene muren mee op te richten, om de bressen mee te herstellen!
„Zoo gij uwe ziel opent voor den hongerige" — zegt de HEERE — „en de bedrukte ziel verzadigt : dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uwe donkerheid zal zijn als de middag ; en de HEERE zal u geduriglijk leiden en Hij zal uwe ziel verzadigen in groote droogten, en uwe beenderen vaardig maken ; en gij zult zijn als een gewaterde hof en als eene springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.
En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen ; de fundamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten ; en gij zult genaamd worden: die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt om te bewonen". (Jesaja 58 vers 10—12).
Heeft nu de Heere ons verlaten? Immers neen! Menschen mogen Zijn Kerk den rug toekeeren, maar Hij wil betuigen, dat Hij haar de scheidsbrief nog niet heeft gegeven!
En in Zijn groote goedertierenheid wil Hij weer bij vernieuwing een geslacht verwekken dat naar Hem vraagt en dat het verbond met Hem voor Zijn aangezicht wil vernieuwen.
Dat is niet uit ons, maar heil is van den HEERE, Israels Bonds-God, die beloofd heeft en het ook genadiglijk heeft vervuld: „maar gelijk de eik en gelijk de haageik, in welke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzóó zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn". (Jesaja 6 vers 13b).
Dat is van den God des Verbonds — van Wien men de Hervormde Kerk als Kerk heeft willen losscheuren, maar wat de Heere niet heeft toegelaten. Hij zorgt weer voor een heilig zaad, dat het steunsel van de Kerk der Vaderen mag zijn.
Komt, laat ons dan den Heere vreezen en saam wandelen in oprechtheid voor Zijn aangezicht in Zijn wegen. (Wordt voortgezet.)

KOHLBRUGGE EN DE AFSCHEIDING. (3)
Het zou zonderling zijn, als zij, die neiging tot afscheiding hadden, gemeend hadden, in Hermann Friedrich Kohlbrugge een voorstander van hun zaak te vinden. Zij behoefden zich niet te verwonderen, dat hij hen heelemaal in de steek liet, toen De Cock en zijn aanhangers zich niet lieten waarschuwen, maar de weg der afscheiding opgingen. Zij hebben gemeend, dat het oogenblik gekomen was om terwille van de Kerk zich van de Kerk af te scheiden en het Evangelie mee te nemen, om datgene, wat men achterliet, aan het verderf, aan den dwaalgeest en aan het verval over te laten. Maar, zoo zegt Kohlbrugge, handelt men zoo uit het geloof? Heeft niet iedere geloovige zich reeds lang „afgescheiden", wanneer hij zich bij een ware getuige van Christus aansluit?
Het kostte hem moeite zijn vrienden van het recht van zijn standpunt te overtuigen ; slechts ternauwernood kon hij het voorkomen dat Van Heumen zich bij degenen, die zich afgescheiden hadden, aansloot. Hij zelf zonderde zich steeds meer van hen af. Ook dit stond hem heelemaal niet aan, dat kerkelijke politiek en organisatie daar nu 't hooge woord voerden. Was dat niet de strik des duivels? Kan dan iets anders de Kerk redden dan alleen het Woord van God?
„Wij hebben hier twaalf vrouwelijke missionarissen, afgevaardigd door den paus, met pater Bernhard van de orde der Jezuïeten aan het hoofd. Deze brengen heel Tilburg in rep en roer, preeken driemaal per dag. De kerken loopen over en de menschen zijn verslagen over hun leer. Alle Protestanten loopen er heen. Het is een beweging van belang en men hoort van niets anders dan van die heerlijke preeken. Zij bekeeren alles. Het regent aflaten. Heel Tilburg wordt heilig. En ik blijf als de eenige zondaar, met mejuffr. W over , die er ook niet heen geweest is, " Zoo spot hij.
Kohlbrugge wist zich met het Woord van God aan de gansche Kerk verbonden. Scheuringen teweeg brengen, dat is gehoorzamen aan het vleesch. Juist de afgescheidenen waren het geweest, die zijn preek over Romeinen 7 vers 14 verworpen hadden. Juist Scholte had het op een van hun conferenties klaargespeeld, dat deze preek veroordeeld werd. In deze houding en in hun streven om eigen gemeenten te stichten, zag Kohlbrugge een diepere onderlinge samenhang. Zij verwierpen hem en zijn verkondiging, zij maakten hem uit voor ketter en antinomist, om verder hun vrome werk te kunnen voortzetten en daarin iets te beteekenen. Zij wilden toch nog iets heiligs in zichzelf bezitten, juist in hun vrome afscheiding. Zij wilden voor God nog iets in hun handen houden en niet erkennen, dat ook hun werk ligt onder het oordeel : „vleeschelijk", „verkocht onder de zonde". En daarom „vergoten zij onschuldig bloed".
Men kan niet zeggen, dat Kohlbrugge de afgescheidenen gespaard heeft. De eene noemde hij een valsche apostel, de andere een antichrist, weer een ander verwijt hij, dat hij van de Farizeeën naar de Sadduceeën is overgeloopen. Scholte heeft naar zijn meening den Heiligen Geest gelasterd. Toen Scholte de bekende preek van Kohlbrugge „vervloekt" noemde, was het antwoord van Kohlbrugge : „Dan zijt gij ook vervloekt met al uw doen !"
Na eenige jaren wendde Brummelkamp zich tot zijn vroegeren vriend met het verzoek, of hij niet een „beroep naar een vacante gemeente van de „afgescheidenen" in overweging wilde nemen. Kohlbrugge gaf het volgende scherpe antwoord : Brummelkamp, voordat er een afgescheiden gemeente bestond, is er gezondigd, is er onschuldig bloed vergoten, zoodat de vloek nog kleeft aan degenen, die de „Afscheiding" begonnen, voortgezet en tot heden in stand gehouden hebben De afgescheidenen hebben mij in Utrecht in de steek gelaten, de een na den ander, omdat zij zich gestooten hebben aan het Woord Wat een verdriet heb ik jarenlang gehad, dat ik, toen de Heere mij Zijn heil geopenbaard had, het getuigenis en daarmee den Heere der heerlijkheid verworpen zag, terwijl allen aan het werk gingen om een kerk te bouwen. De leer van uw gemeente is niet de leer van Christus en de geest, die onder u binnengedrongen is, is een leugengeest Ik wensch in mijn stille, huiselijke kring te blijven, waar in de Heere mij met teekenen en wonderen omgeven heeft Ik kan tot u komen, tot allen en tot ieder persoonlijk, maar ik kan in geen afgescheiden gemeente komen "
Men bedenke, wat een benoeming tot predikant voor den verstooten Kohlbrugge beteekende. Men bedenke, hoe deze man gedrongen werd om op een kansel in zijn vaderland de Waarheid van God te verkondigen. Maar liever eenzaam blijven en verbannen dan eigen vleeschelijke wegen te bewandelen en zijn roeping te verloochenen.
Kohlbrugge had met de Afscheiding afgerekend. Hij zag in zijn verkondiging het Woord van den Heere zelf door zijn vrienden verworpen.
De anderen echter weigerden het bijzondere zendingsbewustzijn, dat hier en telkens weer zich bij Kohlbrugge openbaart, als werkelijkheid te aanvaarden. Brummelkamp vroeg hem in alle ernst of hij zich voor een Oud-Testamentisch profeet hield ; hij had het van velen vernomen. Ook Da Costa en De Clercq klaagden er over, dat Kohlbrugge zich op één lijn stelt met Christus of met een van Zijn Apostelen.
Zij hebben hem niet verstaan. Terwille van het Woord van God werd de vrome door de vromen verworpen ; want hij moest hun vroomheid voor eigengerechtigheid houden en hun „Afscheiding" voor een halve verlossing. (Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's