STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GEEN NIEUW LICHT
Eenige weken geleden schreven wij een artikel over de sociale verzorgingswetten, in welk stuk wij toen op grond van de cijfers vaststelden, dat ten behoeve van de ongevallen-, invaliditeits-en ouderdomsverzorging jaarlijks uit de daarvoor bestemde fondsen de kapitale som van circa 50 millioen gulden aan invaliden en ouden van dagen wordt betaald.
Met eenige bevreemding maakten wij bij die gelegenheid tevens gewag van het feit, dat de heer Van Dis, die in de Tweede Kamer als zijn oordeel uitsprak, dat niet de premiebetalers en de plakkers van zegels, maar de gemeenschap de lasten van de uitvoering der sociale wetten heeft te dragen, met geen enkel woord aangaf, op welke wijze de gemeenschap de benoodigde 50 millioen zou hebben bijeen te brengen, een bedrag, dat intusschen zou moeten worden verdubbeld, wanneer aan den eisch van den heer Van Dis werd voldaan, dat ook de kleine zelfstandigen in de verzorging werden opgenomen en de uitkeering van ƒ3.— werd verhoogd.
Aan belastingverhooging mocht niet worden gedacht, wijl de belastingen al reeds te zwaar op de bevolking drukken.
Nu schrijft een abonné van ons blad uit Friesland, dat voor het uitspreken van de hierboven genoemde bevreemding geen grond aanwezig is, omdat ds. Kersten reeds meermalen de bronnen heeft aangewezen, waaruit zonder het zegeltjes plakken de gelden ten behoeve van de uitvoering der sociale wetten zouden zijn te verkrijgen. De Overheid heeft slechts de salarissen en pensioenen met 50% te verminderen, waardoor de gelden beschikbaar komen.
Of de amputatie van de salarissen en pensioenen een zoo eenvoudig middel zal zijn om geld te krijgen, valt echter te bezien. Men zal dan vooraf aannemelijk moeten maken, wat de salarissen betreft, dat b.v. een advocaat, die jaarlijks op zijn kantoor 15 a 20 mille verdient — en zoo zijn er velen — bereid zal worden bevonden om tegen een tractement van ƒ6500.— (50% van ƒ 13.000.—) het ambt van minister te aanvaarden, of wel dat een chirurg, wiens practijk in de burgermaatschappij 30 a 40 mille oplevert, de betrekking van geneesheer-directeur van een ziekenhuis op een salaris van 6 a 7 mille zal ambieeren.
Men zou zoo kunnen voortgaan en vragen of b.v. een ingenieur, die een aanbieding ontvangt om tegen een hoog salaris in particulieren dienst te treden, de aanbieding zal weigeren, teneinde bij het Rijk voor het halve inkomen in dienst te blijven, of dat een Kamerlid ƒ 2500.—-zal accepteeren, wetende, dat van zijn schadeloosstelling voor het uitoefenen van zijn ambt nog ƒ2000.— afgaat.
Het zijn allerlei vragen, die wij hier stellen en die moeten dienen om te doen uitkomen, dat het niet zoo aannemelijk is, dat bij het halveeren van het inkomen verwacht mag worden, dat bekwame mannen zich zullen blijven geven voor hoogst verantwoordelijke betrekkingen.
Natuurlijk kan men beslag leggen op derderangs personen en deze de verschillende betrekkingen opdragen, maar of daarmede het algemeen landsbelang wordt gediend, betwijfelen wij zeer.
Er komt echter nog iets bij, n.l. de vraag, of alle inkomens wel met 50 procent zullen kunnen worden verminderd. Het komt ons voor, dat dit niet gaan zal. Salarissen van 1000, 2000 en 3000 gulden zijn toch niet tot de helft terug te brengen.
En nu is het niet van belang ontbloot om er kennis van te nemen, dat het tractement van het overgroote deel der Rijksambtenaren niet boven de ƒ 2500.— komt.
Immers uit de statistiek van het Rijkspersoneel — de cijfers zijn van het Centraal Bureau — blijkt, dat aan de ambtenaren en beambten in dienst van het Rijk in totaal op 31 December 1934 voor dat jaar 59.262 personen aan salarissen werd uitbetaald ƒ 108.501.929. Dit bedrag kan met vrij groote zekerheid op 31 December 1936 voor dat jaar in verband met de inkrimping van het personeel en de korting, welke in de laatste twee jaren op de salarissen werd aangebracht, op een kleine 100 millioen gulden worden gesteld, d.i. per ambtenaar gemiddeld op nog geen ƒ 1800.— per jaar. Daaruit volgt, zooals wij hierboven zeiden, dat het overgroote deel van de 100 millioen de salarissen vertegenwoordigen van den kleinen ambtenaar, waarop dus geen korting van 50 procent kan worden toegepast.
En wat de pensioenen betreft, daarop kan geen 50 procent gekort worden, omdat de ambtenaren en de beambten in dienst van het Rijk voor hun pensioenen premie betalen. Het zou dan ook onrecht zijn, om geen ander woord te gebruiken, wanneer tot halveering van de pensioenen werd overgegaan. Zelfs zou de Overheid daartoe het recht missen.
Alles bij elkaar genomen zijn dus de gelden ten behoeve van de invaliditeits-en ouderdomsrente niet uit de besparingen op de inkomsten der ambtenaren — systeem ds. Kersten — te verkrijgen.
Dit systeem geeft geen nieuw licht.
Wij hopen dat dit onze abonné in Friesland duidelijk zal zijn geworden.
Daarom blijft het juist, wat de Minister van Sociale Zaken zeide, dat het intrekken van de sociale verzorgingswetten — zooals de heer van Dis in de Tweede Kamer dit wenschte, beteekenen zou, het prijsgeven van een deel van ons volk aan den honger.
De sociale verzorgingswetten zijn een grooten zegen voor ons volk, welke zegen nog grooter zou zijn, wanneer het mogelijk was, om ook de kleine zelfstandigen in hun werking te betrekken.
DE KOSTEN VAN LEVENSONDERHOUD
De Nederlandsche Conjunctuur, een der uitgaven van het Centraal Bureau voor de Statistiek, deed onlangs mededeelingen over de verschillen in het prijsniveau tusschen Nederland en het buitenland.
Uit de cijfers, die het tijdschrift daarover geeft, blijkt, dat de Nederlandsche prijzen nog altijd niet zijn aangepast bij die van verschillende andere landen, of met andere woorden dat de kosten van het levensonderhoud hier te lande nog steeds hooger zijn, vergeleken bij die van het buitenland.
Dit was het geval zoowel vóór als na de depreciatie (waardevermindering) van den gulden.
Uitgegaan van de onderstelling, dat in het jaar 1929 evenwicht bestond tusschen de prijsniveau's in onderscheidene landen, waren de kosten van het levensonderhoud (in goud:1929=100) in de maanden, voorafgaande aan de depreciatie, voor Nederland 80, voor Engeland, België, Zweden, de Vereenigde Staten, de landen, waar de munt reeds geruimen tijd geleden was verlaagd, respectievelijk 53, 60, 52 en 48 en voor Zwitserland 81.
Na 't loslaten van den gouden standaard, aangenomen, dat de gulden met 20% en de Zwitsersche franc met 30% deprecieerde, komen de cijfers als volgt te staan: voor Nederland 65, voor Zwitserland 57, terwijl zij voor Engeland, België, Zweden en de Vereenigde Staten over het algemeen, omdat in die landen geen nieuwe depreciatie van de munt intrad, gelijk bleven.
Uit de bovenstaande cijfers blijkt dus, dat Nederland met zijn 80 punten van Januari tot Juni 1936 en met zijn 65 punten in October 1936, hooger staat dan landen als Zwitserland, België, Engeland, Zweden en de Vereenigde Staten.
In Nederland is het prijsniveau alzoo nog altijd hooger dan in het buitenland. Ook te dien opzichte zijn de cijfers, die het Centraal Bureau geeft, leerzaam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's