De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGEN BUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN BUS

13 minuten leestijd

Vraag: Hoe moet het, naar de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht, gaan met het huisbezoek en met het ziekenbezoek ? Zijn de ouderlingen daarbij ook betrokken?
Antwoord: Wij mogen hier nog wel eens er aan herinneren, dat er van onze hand een boekje is verschenen, dat tot titel draagt: „Beginselen van Kerkrecht", uitgegeven door en verkrijgbaar bij de Administratie van De Waarheidsvriend: , adres de Maassluissche Boekhandel. Wanneer men (b.v. alle kerkeraadsleden) zoo'n boekje koopt en leest, vindt m.en heel veel dingen beantwoord, waarmee men onder ons dikwijls „zit".
Als wij dat boekje (bestel het even ! wilt ge ? ) opslaan bij blz. 53 (het boekje telt 77 pagina's) dan vinden we daar Hoofdstuk IV : Van de Ouderlingen, Wijkverdeeling. Huisbezoek, Kerk e raadsvergaderingen.
Art. 1 luidt: „Nu volgt het ambt of de dienst der Oudsten of Opzieners, die door Paulus aangeduid worden met den naam van regeerders of voorgangers en daarom samen met de Dienaren des Woords den Kerkeraad uitmaken". [Tusschen haakjes zij hier dus opgemerkt, dat de eigenlijke Kerkeraad: bestaat uit Dienaren des Woords en Ouderlingen. De Diakenen worden hierbij niet genoemd. Vandaar bij ons nog de onderscheiding van bijzondere Kerkeraad (predikanten en ouderlingen, voor behartiging van de geestelijke belangen der gemeente) en algemeene Kerkeraad (predikanten en ouderlingen, plus diakenen)].
Art. 2. „Ongetwijfeld bestaat hun ambt hierin, dat zij een iegelijk over zijn eigen parochie (of wijk) naarstig toezicht houden en de hun toevertrouwde (gemeenteleden) van huis tot huis minstens éénmaal per week bezoeken, en voorts zoo dikwijls het de gewoonte zal zijn, naar de regeling van elke Kerk; vooral bij de nadering van de Avondmaalsviering. Dan zullen zij naar de zuiverheid van hun levenswandel .en zeden, naar hun getrouwe onderwijzing van hun huisgenooten, naar de gebeden, die zij in den morgen en avond voor hun huisgenooten doen en naar soort gelijke dingen nauwkeurig een onderzoek instellen. Zij zullen hen zacht, maar toch ernstig vermanen en naar gelegenheid en bevind van zaken hen tot standvastigheid vermanen of ook tot lijdzaamheid sterken, of ook wel tot de ernstige vreeze Gods hen opwekken; een iegelijk, die 't zij troost, hetzij bestraffing van noode heeft, vertroosten of bestraffen. En indien de nood het vereischt, zullen zij de zaak die behandeld moet worden brengen bij hen, die met hen tot de broederlijke vermaning gesteld zijn, om zoo dan gemeenschappelijk de terechtwijzing, naar gelang van de overtreding, vast te stellen. Zij zullen ook niet vergeten allen en een iegelijk in hun wijk te vermanen, 'dat zij hun kinderen ter catechisatie zullen zenden".
Art. 3. „Om het werk der Ouderlingen tot uitvoering te kunnen brengen, zal het noodig zijn zoo spoedig mogelijk elke Kerk (plaatselijke Gemeente) in vaste Wijken te verdeelen, naar gelang van het aantal gemeenteleden en het gemak der geloovigen, die daar wonen. Aan het hoofd van elke Wijk zal men enkele Ouderlingen stellen, die elke week op een vastgestelden dag in de gemeenschappelijke Kerkeraadsvergadering zullen meedeelen, of alles 'in hun Wijk recht en naar wensch toegaat. De Ouderlingen moeten bij al hun doen en laten indachtig zijn, : dat zij niet alleen voor de Kerk, maar ook voor God Zelf rekenschap zullen moeten afleggen van de zielen, die aan hunne zorgen zijn toebetrouwd".
Art. 4. , 3ij de indeeling der Wijken zal men op de woonplaats van de Ouderlingen acht geven, om het voor hen en voor hun werk zoo geriefelijk mogelijk te maken".
Art. 6. „Zeer zal men er naar moeten staan, dat die dingen aanwezig zijn, die Paulus vereischt voor de Ouderlingen der Gemeente, n.i. een onbestraffelijk leven, zuivere godsdienst, uitstekende godzaligheid' en geestelijke wijsheid, waarbij het buitengewoon van nut zal zijn, dat men bij deze dingen óók eenige kennis heeft van burgerlijke zaken. Maar vóór alles zullen zij afkeerig moeten zijn van alle eerzucht en haken naar roem, ja, ook alle schijn van eerzucht zal verre moeten zij bij hen".
Art. 7. „Die tot Ouderling gekozen zijn, zullen beloven, dat zij, gelijk hun ambt dit eischt, alle afgoderij, godslastering, ketterijen, overdadige weelde en alle overige dingen, die met Gods eer en de reformatie der Kerk in openbaren strijd zijn, zullen tegenstaan en stipt en getrouw hen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd, naar ieders omstandigheid en de gelegenheid der zaken, zullen vermanen.
In de tweede plaats, dat zij. Indien hun iets van belang toeschijnt, dit bij den Kerkeraad zullen overbrengen en hun ; ambt zoo getrouw mogelijk zullen vervullen; dat zij zich ook geenszins zullen laten verleiden, hetzij door gunst, 't zij door geld ; maar alleen rekening zullen houden met de Kerk en den Naam des Heeren.
Dat zij voorts niet in 't minste gezag of vrijheid zich zullen aanmatigen om te heerschen, noch over de Dienaren des Woords, noch over de gemeente ; en dat zij niet op eigen gezag nieuwe wetten zullen invoeren, maar zich zullen houden aan de ordeningen, door de Kerken en door de Synode vastgesteld.
En zoo er iets nieuws zich mocht voordoen, wat een nauwkeuriger onderzoek vereischt, dat zij dit dan tot de vergadering der Classis of van de Provinciale Synode zullen brengen, opdat daar met gemeen goedvinden worde vastgesteld, wat in het belang der Kerken zal zijn".
Art. 8. „Ook moeten de Ouderlingen weten, dat het tot hun ambt behoort de zieken te bezoeken en te troosten. Hoewel deze zorg óók den Diakenen is opgelegd, volgens hun ambt; n.l. dat zij de kranken niet alleen verkwikken met de dingen, die voor hun levensonderhoud noodig zijn, maar hen ook opbeuren door vertroosting.
Daarom zal het noodig zijn, dat door de Ouderlingen (die de zieken bezoeken) de namen der kranken en voornamelijk van hen, die behoeftig zijn, schriftelijk aan de Diakenen worden medegedeeld, opdat deze hun ambt te beter kunnen vervullen".
Wat het bezoeken der zieken verder aangaat, vinden we in Hoofdstuk V van de Wezelsche Artikelen (zie het boekje, blz. 58) nog het volgende in betrekking tot de Diakenen :
Art. 1. „De Schrift leert ons duidelijk, dat het ambt der Diakenen hierin bestaat, dat zij de tafelen bedienen, dat is : dat zij den armen in hun nood zullen te hulp komen en door aalmoezen te vergaderen hun het noodige verstrekken".
Art. 2. „Bij de Diakenen zal men zeer naarstig toezien op getrouwheid en ijver, waarbij men vooral niet nemen zal degenen, die voor gierig bekend staan ; overigens zal men in alles volgen wat Paulus voorgeschreven heeft in , 1 Tim. 3".
Art. 3. „Zij behooren ook naarstig hen te vermanen, wier vermogen dit toelaat, dat zij mee in de behoefte der Kerk en het gebrek der armen helpen voorzien".
[Tusschen haakjes zij hier opgemerkt, dat aan de Diakenen hier min of meer de zorg voor twee dingen wordt opgedragen : de zorg voor de Kerk en de zorg voor de armen ; de twee collecten b.v. „voor de Kerk" èn „voor de armen". Maar in art. 12 wordt dan gezegd, dat het noodig zal zijn, behalve deze Diakenen nog andere goede mannen met voorzichtige keuze bijeen te zoeken, die speciaal voor den Eeredienst zorgen, voor kerkbouw, onkosten kerkelijke vergaderingen, enz. Voor de groote steden vooral achtte men daar een afzonderlijk College van Kerkverzorgers noodig, omdat het slecht met het ambt van ouderling overeenstemt te moeten zorgen voor de kerkelijke goederen. Daarom moet er (art. 16) een „Commissie van beheer" of iets dergelijks komen.]
Art. 5. „Dat vooral in de groote steden twee soorten van Diakenen worden aangesteld, zal niet ondienstig zijn. Het ééne deel moet zich dan toeleggen op het verzamelen en uitreiken van aalmoezen enz. Het andere soort van Diakenen (zie art. 6) zal voornamelijk zorg dragen voor de zieken, gewonden en gevangenen. Deze diakenen behooren begaafd te zijn, behalve met trouw en ijver, óók met de gave der vertroosting en een méér dan gewone kennis van Gods Woord.
Zij zullen bij de Ouderlingen naarstig navragen, of er in hunne Wijken soms ook zieken en zwakken zijn, die vertroosting en opbeuring behoeven".
Art. 7. „Allen die ziek te bed liggen, zullen hun krankheid door de Diakenen of Ouderlingen aan den Dienaar des Woords melden, opdat, wanneer daartoe de nood dringt, hij zelf kome en den zieke met Gods Woord vertrooste, of deze taak overdrage aan de Ouderlingen en Diakenen, wanneer dit voor hem minder gelegen komt wegens andere bezigheden, die meer het algemeen belang raken of van groot gewicht zijn !
Wij meenen hiermee met de taal der Vaderen te hebben antwoord gegeven.
In bovengenoemd boekje worden de beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht beschreven. Daarom zeggen we nóg eens : laat men dit boekje koopen en lezen!

Rondblik buiten de Grenzen
Het bekleeden van een Koningsambt is werkelijk meer dan het vervullen van een eerebaantje. Het vraagt offervaardigheid en inspanning. De nu afgetreden Engelsche koning heeft dat ondervonden en ook zijn opvolger, Koning George VI, blijkt dat te ervaren.
De gezondheidstoestand van Koning George schijnt niet opperbest te zijn. Besloten is nu, dat zijn broer, de hertog van Gloucester, ontslag uit het leger zal nemen om den tegenwoordigen vorst van een deel van zijn plichten te ontheffen. Alle minder gewichtige onderdeelen van 'skonings taak zullen door den hertog worden waargenomen. Uiteraard blijven de essentieele plichten van den Koning aan George toevertrouwd. En deze worden door hem zeer nauwgezet opgevat. Tot eenige dagen voor de kroningsfeesten moet Koning George evenwel volledige rust nemen.
De onprettige historie van den afgetreden Koning Edward is nog niet geheel opgelost. Er is namelijk nog geen overeenstemming bereikt over de financieele vergoeding, welke den hertog van Windsor zal worden toegekend. Niet alle instanties zijn er voor om den vertrokken vorst een Staats-toelage te verleenen. En begrijpelijkerwijs wil de Koninklijke familie liefst voorkomen, dat deze kwestie een punt van openbare bespreking in het Lagerhuis uit zal maken. Daar is deze materie te zeer „particulier" voor.
Hoewel men mag aannemen dat er zoowel in België als in Nederland voldoende personen zijn, die de Duitsche taal behoorlijk machtig zijn, schijnt men in beide landen bij de vertaling van Hitler's jongste Rijksdagrede een „vergissing" te hebben gemaakt. Zoowel hier te lande als bij onze Zuiderburen heeft men immers in de meening verkeerd dat Duitschland het grondgebied van België en Nederland als „neutraal" en onaantastbaar zou erkennen. De Nederlandsche regeering heeft reeds te Berlijn doen informeeren wat met deze verklaring werd bedoeld. En België deed evenzoo. Het Belgenland herinnert zich immers nog pijnlijk hoe in 1914 zijn „neutraliteit" werd opgevat. De Duitsche regeering heeft nu aan Brussel doen weten, dat de uitdrukking „neutraliteit" een slechte vertaling was van Hitler's denkbeeld. Er is geen sprake van, verzekert Berlijn, aan België een neutraliteitsstatuut aan te bieden, soortgelijk aan dat hetwelk voor 1914 bestond. Intusschen hebben we nog niet gelezen dat Berlijn een betere, meer concrete vertaling van het door Hitler gebezigde woord heeft verstrekt.
Na de Rijksdagrede is aan de koloniale kwestie uiteraard weer veel aandacht besteed. De Duitsche ambassadeur te Londen, Von Ribbentrop, heeft blijkbaar opdracht gekregen om eens te Informeeren hoe men over deze kwestie denkt. Hij is ook bij Koning George op bezoek geweest. Ter begroeting van den Engelschen Vorst klapte Von Ribbentrop, op Hitleriaansche manier, drie keer met de hakken tegen elkaar en bracht den nationaal socialistischen groet met gestrekten arm. Dat was in het Engelsche paleis nog niet voorgekomen. Of 't er een prettigen indruk zal hebben gemaakt ? Toch verwacht Duitschland van de inwilliging van zijn koloniale eischen nog wel 't een en ander van Engeland. Von Ribbentrop heeft er ook met lord Halifax, den waarnemend minister van buitenlandsche zaken, over gesproken. Men zegt dat deze functionnaris meer sympathie voor het Derde Rijk koestert dan minister Eden, die op 't oogenblik met vacantie aan de Middellandsche Zee vertoeft.
Een vroeger Britsche ambassadeur, Claud Russell, heeft het denkbeeld aan de hand gedaan om Duitschland een stuk West-Afrikaansch gebied af te staan. Daartoe zouden dan Engeland. Frankrijk, België en Portugal hun medewerking moeten verleenen. Het Derde Rijk zou dan een meer waardevol koloniaal geheel bezitten, dan Duitschland gehad heeft. Het is echter de vraag, of genoemde landen hun deel zullen willen afstaan. En. bovendien : Duitschland wenscht immers niets anders dan eigen koloniaal gebied terug te ontvangen ?
Het denkbeeld zal dan ook wel niet voor verwezenliiking vatbaar zijn. Maar toch zou het, dunkt ons, deze richting op moeten. Als men ten minste ernstig pogen wil om bloedige conflicten te vermijden. En daarvoor ook een offer wil brengen.
De berichten omtrent den Spaanschen oorlog komen den laatsten tijd minder veelvuldig binnen dan tot voor kort het geval was. Het belangrijkste oorlogsnieuws betreft de inname van Malaga door de nationalisten. Dat naar de regelen der oorlogskunst gewerkt wordt, kan blijken uit het feit, dat bij den aanval gebruik werd gemaakt van verdragend geschut, waarmede de rechtschen den opmarsch der troepen langs de kust dekten. De inname van Malaga wordt een belangrijke versterking van Franco's positie genoemd. De nationalistische legerleiding heeft zelfs reeds aangekondigd dat nu de inname van Madrid spoediger zou plaats vinden dan de optimisten durfden hopen. Dergelijke grootspraak is wel eens eerder gehoord. Franco heeft echter weer aanmerkelijke versterking gekregen van Italianen. Bij duizenden zijn Italiaansche soldaten bij Cadix aan wal gezet.
Intusschen praat men over en weer maar rustig verder over de wenschelijkheid van niet-inmenging. De indruk wordt zelfs gewekt dat men het er principieel over eens is dat geen buitenlandsche vrijwilligers naar Spanje moeten worden gezonden. Men zal zich nog wel herinneren, welke ware woorden hieromtrent voor eenlge weken terug zijn gesproken
Wat er op 't oogenblik in het groote Russische rijk gaande is, valt niet precies te zeggen. Maar wel kan worden aangenomen dat er ernstig verzet tegen de Sovjet-regeering openbaar is geworden. Dat blijkt wel uit de „zuiverings-actie", waarvan reeds verschillende vooraanstaande Sovjetleiders het slachtoffer zijn geworden. Telkens worden weer nieuwe „saboteurs" ontdekt en gestraft. Al dan niet na een gerechtelijke procedure. Het jongste z.g.n. Trotskisten-proces blijkt slechts een symptoom te zijn van de manier, waarop de laatste maanden naar Staatsgevaarlijke personen wordt gejaagd. Ook de zoon van Trotski zou staan op de lange lijst van personen, die eerstdaags voor het hooggerechtshof zullen moeten komen. Er wordt zelfs gemeld, dat er ernstig verschil van meening openbaar is geworden tusschen Stalin en de legerleiding, welke laatste een soort tegen-revolutie in voorbereiding zou hebben. Deze geruchten zijn later weer tegen gesproken. Ze zouden van anti-communistische leugencampagne's afkomstig zijn. 't Is best mogelijk. In dat geval is de bron inderdaad niet zuiver. Maar de tegensprekende Russische persbureaux lijken ons al evenmin erg betrouwbaar. In ieder geval schijnt het verzet slechts tegen den persoon van Stalin te gaan. Niet tegen het thans in Rusland bestaande Staatsstelsel. En toch vloeien juist daaruit de jammer en ellende voort, welke het Russische volk heeft te ondergaan.
President Roosevelt heeft een wetsontwerp ingediend dat bedoelt hem meer invloed te geven op het Hooggerechtshof. Althans zoo wordt het door sommigen opgevat. Oud-president Hoover heeft tegen dit voornemen een campagne op touw gezet. En hij ondervindt steun van velen. Hij eischt over een zoo ingrijpende verandering een uitspraak van het volk. Met belangstelling mag worden afgewacht, hoe Roosevelt deze krachtproef zal doorstaan.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGEN BUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's