Geestesdoop in de oudste Christengemeente.
Paulus. II.
Met de Christenen uit de heidenen was Paulus dus krachtdadig opgekomen voor de vrijheid des Geestes, tegenover de Christenen uit de Joden, die opnieuw tot dienstbaarheid vervallen waren.
Zooals hij zelf persoonlijk door 't vrijmachtig welbehagen Gods gerechtvaardigd was, zoo was het ook voor hem vanzelfsprekend, dat anderen evenzoo door den Geest Gods in den doop werden gegrepen en omgezet tot een nieuw schepsel. Rechtvaardiging door het geloof en rechtvaardiging door den Geestesdoop is voor Paulus nooit een tegenstelling geweest, indien zij maar beiden getuigden van de kracht Gods. Dit moeten wij wel goed in het oog houden. Een al te subjectieve geloofsbeschouwing heeft hier vaak een onverzoenbare tegenstelling willen zien, alsof Paulus zonder meer de Geestesdoop heeft weggemoffeld om de rechtvaardiging uit het geloof centraal te kunnen stellen. Maar daar voor Paulus de leus „alleen door het geloof", zonder dat in dat geloof Gods kracht openbaar werd, nooit bestaan heeft, was hier voor hem geen tegenstelling, maar veeleer een eenheid. Immers, in beide was het God. Het loflied op het geloof in Rom. 5 heeft in den grond der zaak hetzelfde voorwerp als de herinnering aan den doop in Rom. 6. „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus" (Rom. 5 VS. 1), wordt geargumenteerd door „Of weet gij niet, dat zoovele als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? " (Rom. 6 vers 3), daar zich in beide eenvoudig de daad Gods presenteert.
Maar dit sluit nog niet in, dat op allebei nu evenveel de klemtoon moet vallen.
Al is er dan ook geen sprake van een tegenstelling, toch is het opvallend, dat Paulus practisch de rechtvaardiging door de Geestesdoop verdringt door zijn leer van de rechtvaardiging door het geloof.
Hoe komt dat nu? Ook zonder Paulus' leer van het geloof nu volkomen te ontleden, werpt hierop reeds het historisch verloop eenig licht. Immers, na op het Apostelconvent in Jeruzalem de Christenen uit de Joden er op gewezen te hebben, dat hun angst voor den Geest hen niet verder gebracht had dan tot wettische hoogmoed, heeft Paulus bij de Christenen uit de heidenen veelvuldig de ontdekking moeten doen, dat daar de blijdschap van den Geest leidde tot anti-wettische hoogmoed. Dit heeft Paulus aanleiding gegeven zich nader op het leven des Geestes te bezinnen, waardoor steeds meer 't accent kwam te vallen op zijn eigen persoonlijke geloofservaring. Doch laten we daarom de verhoudingen nagaan. In tegenstelling met het ontzag voor Gods heiligheid, dat sluimert in de ziel van den Jood, is de Grieksche natuur meer vervuld met de optimistische gedachte: „Wij zijn van Gods geslacht". Terwijl de Jood zich door een diepe kloof van God gescheiden weet, meent de Griek, ondanks alle narigheid van ellende en dood, toch met zich mee te dragen een vonk van het goddelijke. Veel meer dan de Jood, is dan ook de Griek vatbaar voor de prediking van den Geestesdoop. Waar de openbaring der zonde in zijn lichaam voor den Jood het Geestesbezit weer doet verloren gaan, doet terugdeinzen achter de kloof, ziet de Griek er geen bezwaar in zich geestelijk te blijven noemen, al zondigt hij dagelijks. Naar deze Grieksche wereld verplaatste zich nu Paulus' werkzaamheid, na het Apostelconvent. Op zijn tweede Zendingsreis sticht hij in Griekenland de gemeenten van Philippi, Thessalonica en Corinthe. Met graagte namen de Grieken de prediking van Paulus aan en hij had geen enkele moeite om hen te overtuigen, dat zij door den Geestesdoop „geestelijk" werden, d.w.z. vrij van de wet, vrij van menschelijke ordening en menschelijke woorden.
De beide brieven aan de Thessalonicensen, nog geschreven op de tweede Zendingsreis, leggen getuigenis af van de blijdschap van Paulus over de bereidwilligheid, waarmee de Grieken het Evangelie hebben aangenomen. Maar in de brieven aan de Corinthiërs komt de andere kant van de medaille voor den dag en moet Paulus hun nadrukkelijk zeggen, dat zij nog vleeschelijk en allesbehalve geestelijk zijn. Dat dit wel zeer in strijd is met de benaming heiligen, die aan het hoofd van zijn brieven voorkomt, behoeft geen betoog. Zoo heel verwonderlijk is het dan ook niet, dat de Corinthiërs, daar op wijzend, zijn berispingen van zich schuiven. Gedoopt zijnde met den Heiligen Geest, leven de Corinthiërs in het ongestoorde licht van het Pinkstergebeuren. Geen zonde kennen zij, geen duisternis ; integendeel, als verlichte heiligen roemen zij in de vrijheid van Christus. Met Christus zijn hun alle dingen geschonken, ja met Christus hebben zij ook het beginsel der goddelijke kennis gekregen.
Maar nu springt de Jood Paulus op de ketting. 1 Cor. 1 VS. 4 : „Ik dank mijn God" — begint hij — „dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem en in alle rede en alle kennis, maar En dan zwelt dat „maar" aan tot een groot en grimmig verwijt van den Jood, wien geen rust gelaten wordt onder de indruk van de nabijheid Gods, tot de Grieken, die rustig zich meenen te kunnen verheugen in 't bezit van den Geest, de kennis, de liefde, de wijsheid, terwijl hun de ware deemoed ontbreekt. Voor de Corinthiërs was dit het voornaamste, dat zij gedoopt waren met den Heiligen Geest en tegen elk verwijt verweerden zij zich met de heenwijzing naar dien doop. Ja, zelfs stelden zij zich op hetzelfde vlak als Paulus, zonder hem ook maar iets hooger te schatten dan zichzelf. Maar nu breekt het verschil open tusschen den heidenapostel en de heiden-christenen. Het eenheidsfront, dat zij samen gevormd hadden tegen het Judaïsme, wordt verbroken. Van de uitwendige Geestesdoop trekt Paulus zich terug op zijn geloofservaring en met een zucht van teleurstelling voegt hij hen toe: „Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb" (1 Cor. 1 VS. 14).
Nu hem zoo duidelijk bleek hoe weinig er openbaar werd van de kracht des Geestes in de Geestesdoop, begon hem de verantwoordelijkheid van dien doop wel zeer zwaar te wegen.
En toch moeten we hierbij wel zeer goed opmerken, dat desondanks Paulus zich toch nooit heeft laten verleiden om nu de Geestesdoop voor onwaardig te beschouwen. Ja zelfs laat hij geen woord van protest hooren als hij in dezelfde brief spreekt over die in onze oogen wel zeer zonderlinge openbaring van de kracht van de Geestesdoop, n.l. de doop voor overledenen (1 Cor. 15 vs. 29). Dit is wel een duidelijk bewijs, dat Paulus het Pinksteridealisme nooit heeft opgegeven. Daarom is het wel een zeer hachelijke onderneming, te willen bewijzen dat Paulus de Geestesdoop der gelooovigen vervangen zou hebben door de kinderdoop.
Een andere vraag is echter, of het voor Paulus aan te nemen is, dat hij de kinderdoop kende naast de doop aan volwassenen. En dan moeten we ja zeggen. Want ongetwijfeld is dat de consequentie van Paulus' afwijzen van Corinthe's idealisme. De Geestesdoop had voor hem een eschatologische waarde vertegenwoordigd, krachtig alleen door het volkomen gericht zijn op de spoedige wederkomst des Heeren. Doch nu de Heere toefde, werd hij door het feit der zonde teruggedrongen op zijn eigen meer dan eschatologische ervaring van de rechtvaardiging uit het geloof. Dat dit feit niet alleen uitwendig was, maar ook wel degelijk inwendig, doet ons verstaan waarom Paulus reeds van het begin af meer spreekt van de rechtvaardiging uit het geloof. Het weer opleven van de zonde in zijn eigen leven heeft hem van het begin af aan voor een veel ingewikkelder problematiek gesteld dan de Pinksterdoop bood. Want wel heeft Paulus telkens weer de vrijmoedigheid zichzelf als een voorbeeld te stellen voor de gemeente. Maar het lichaam der zonde, waar hij in Rom. 7 van spreekt, is toch wel evenzeer zijn dagelijksche ervaring. En deze dagelijksche ervaring heeft er zeker niet weinig toe bijgedragen, dat in zijn opvatting van de rechtvaardigmaking door het geloof steeds meer en meer naast de zekerheid van Gods trouw ook, het in strijd en zegepraal bevochten, vertrouwen van den zondaar is gaan doorklinken. Zoo bleef nu de Geestesdoop ver achter als het mysterie van goddelijke heerlijkheid, maar Paulus maakte de voortgang van goddelijke inwijdingsacte tot de, middellijk zich openbarende verbondstrouw Gods, daar de Heere toefde.
Ach, was de Kerk hem hierin gevolgd ! Maar met Paulus doofde het Joodsche vuur uit, dat zich niet durft verheugen in den Geest zonder kracht.
Het abstracte Grieksche denken echter kon zich gemakkelijk de kloof wegdenken, die zonde, ook weer bij heiligen !, staat tusschen God en de ziel, om zich vast te klemmen aan het ideaal van de nieuwe schepping door den Geest in de doop verwerkelijkt, alsof dat nog de werkelijkheid was.
Doch laten we daar de volgende keer dan mee verder gaan.
W.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's