lets over Oude en Nieuwe Psalmberijming *)
Als wij iets zeggen gaan over oude en nieuwe Psalmberijming, dan wordt daarmede stellig niet een vraagstuk aangesneden, dat wij nieuw zouden kunnen noemen. Integendeel, daar is in den loop der eeuwen nogal eens 't een en ander over te doen geweest, en als op zoo menig terrein, dat den kerkdijken akker bestrijkt, werd ook hier niet zelden met heftigheid de degen gekruist.
Theologen, dichters en componisten traden met wisselend succes tegen elkander in het strijdperk en het kan helaas niet worden ontkend, dat van een bevredigende oplossing voorloopig nog wel geen sprake zal zijn. Bovendien is het onderwerp (uit historisch oogpunt alleen reeds) zóó veelzijdig, dat slechts een diepgaande studie kan leeren met hoeveel voorzichtigheid men hier zijn conclusies heeft te trekken. Dit terrein toch ligt vol voetangels en klemmen. De bekende zegswijze: „men weet wel wat men heeft, doch niet wat men krijgen zal", bevat naast een beproefde wijsheid voor velen onder ons volk evenwel een gretige aanleiding om „alles maar bij het oude te laten" en elke poging, die verbetering beoogt, met het domme oordeel van „nieuw-lichterij" af te wijzen. Dit getuigt echter niet van een verslindenden ijver, nóch van gedegen levensernst, die toch stellig onmisbare factoren zijn voor een mensch, die niet wenscht te versuffen op het erf des Godsdienstigen levens. Daar zijn in de felle bewogenheid van onzen tijd (geestelijk, kerkelijk, maatschappelijk), nog tallooze lieden, die critiek op alles wat de historie ons aanbracht ontoelaatbaar — ja zelfs heiligheidschennis achten. Die beweren, dat alle verandering slechts verslechtering en zelfs geen schijn van verbetering zou kunnen brengen en voorzeker niet als het gaat over onzen Psalmbundel, dien zij zeggen zoo hartelijk lief te hebben. Met onkundige en starconservatieve (is het één niet een gevolg van het andere? ) elementen is gedachtenwisseling een weinig vruchtdragende onderneming. „Ik ben er tegen, omdat ik er tegen ben" ziedaar een argument, waarop het ernstigste en verstandigste betoog zelfs schipbreuk moet lijden. Dat zij, die schermen met zulke verweermiddelen, na een voorafgaande liefdesverklaring aan het adres van den Psalmbundel, die thans bij ons in gebruik is, hem ook waarlijk kennen moet op z'n minst in twijfel worden getrokken. Wanneer wij ons toch rekenschap geven van zijn invoering, dan staan wij reeds aanstonds voor het bezwaar, dat zulks niet geschiedde door de Kerk, maar door den Staat. Barger schreef, dat de tegenwoordige Psalmberijming „op volstrekt kerkelijk-onwettige wijze ingevoerd en bovendien voor een goed deel van Remonstrantschen oorsprong is". Tot op het jaar 1566 kon er in ons Vaderland nog niet van een algemeen gebruikte Psalmberijming worden gesproken. Sedert 1540 had men wel de zoogenaamde „Souterliedekens", een berijming van Willem van Zuylen van Nyeveld, die op „wereldsche wysen berymt" waren. In de meeste Kerken der Reformatie bediende men zich daarom van de Psalmberijming van Jan Utenhove, welke deze voor de Hollandsche Kerken in Engeland vervaardigd had. Aan dezen bundel kleefde echter weer een ander gebrek, n.l. dat hij niet volledig was. Eerst in 1566 werd in de behoefte van een volledigen bundel voorzien door de Psalmberijming van Petrus Dathenus.
Stormenderhand veroverde deze een plaats in alle Calvinistische gezinnen en weldra werden Datheen's Psalmen met wijding en bezieling bij de hagepreeken aangeheven. Het Kerkelijk Convent te Wezel (1568) beval ten overvloede dezen bundel hij de Kerken aan en sedert dien is er bijna geen Synode in de Nederlanden gehouden of Datheen's berijming maakte er een onderwerp van bespreking uit.
In 1580 verscheen echter de Psalmberijming van Marnix van St. Aldegonde, welke, vooral uit literair oogpunt bezien, voorkeur boven die van Datheen verdiende. De particuliere Synode van Zuid-Holland, gehouden te Rotterdam April 1581, stelde deze kwestie dan ook dra aan de orde, doch om verschillende redenen werd de berijming van Petrus Dathenus gehandhaafd. De nationale Synode (Middelburg, Mei 1581) hechtte aan dit besluit haar goedkeuring en eerst in 1586 besloot de Haagsche Synode, dat de berijming van „Marnix" van den predickstoel den volcke aangepresen (zou) worden, met aanwijsinge van de nutticheyt van dien, sonder nochthans de vorige Psalmen, te weten Datheni, tot noch toe gebruyckt preciselyck te verwerpen maer latende in der Gemeente vryheit die te behouden ende te singen".
Aldus werd de berijming van Marnix wel algemeen voor beter en fraaier gehouden, doch men oordeelde (en terecht) dat een nieuwe berijming het volk niet moest worden opgedrongen, maar dat het verlangen er naar uit de Kerk zelve moest opkomen. Men was evenwel in den tijd der vervolging aan Datheen's berijming zóó verknocht geraakt, dat men haar tot geen enkelen prijs wilde doen wijken voor die van Marnix, ook al overtrof deze de eerste verre in waardij. En zelfs nadat in 1773 de Psalmen van Datheen officieel hun plaats moesten ruimen voor onze tegenwoordige berijming, bleef men in verschillende Gemeenten de oude traditie getrouw, zóó zelfs, dat er thans nog in Zeeland enkele kerkjes zijn waar men bij voorkeur en uitsluitend de Psalmen van Dathenus zingt!
De berijming, die wij thans bezitten én gebruiken, komt van drie kanten. Gedeeltelijk dankt zij haar oorsprong aan het genootschap „Laus Deo, Salus, Populo" (Eer aan God en heil aan 't volk). Doopsgezinden en Remonstranten waren er in de meerderheid. Voorts deed Hendrik Ghijsen er het zijne toe. Hij was van beroep zilversmid en koos uit 17 andere berijmingen „naar zijn meening" de beste regels en verzen, om die weer tot één geheel saam te voegen. En Johannes Eusebius Voet, geneesheer, completeerde ten slotte dit rijmend en dichtend gezelschap.
Niet minder dan 110 zittingen heeft deze commissie aan de samenstelling van den nieuwen bundel besteed, om hem daarna ter beschikking te stellen van de Algemeene Staten, die op hun beurt hem in de Kerk hebben ingevoerd. De „plechtige oplegging" (staat er niet „door last van de Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden ? ) van dezen bundel, met de steun van den Prins-Stadhouder, die van Datheen's Psalmen genoeg had, heeft echter niet nagelaten een storm van verontwaardiging onder de Vaderen te doen opgaan. Predikanten als Petrus Brouwer, A. van den Berg, W. de Koning, Theod. Avinck, J. W. te Water e.a. lieten zelfs tijdpreeken in het licht verschijnen om het volk tot de aanvaarding van dezen Psalmbundel te vermanen. Wij zien hier dus wel uit, dat de geboortegeschiedenis van deze berijming nu niet bepaald een voorspoedige kan genoemd worden en dat het kindje niet als te zijn „welgeschapen" kon worden aangekondigd. Het ligt nu geenszins in onze bedoeling om de Psalmberijming, die we nu eenmaal hebben en gebruiken, onder een berg van critiek te begraven, maar toch kan het naar onze meening zijn nut wel eens hebben om op enkele schrijnende wondeplekken den vinger te leggen.
Toen bijvoorbeeld onze huidige berijming werd voorbereid, gelastte de Overheid, dat de samenstellers en de dichters in elk geval nooit HEERE maar uitsluitend HEER zouden schrijven. Hieraan danken we dan ook dat weerzinwekkende stopwoord „ai". Verboden was bijvoorbeeld:
„HEERE, maak mij Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend" (25:2)
reden waarom dokter Voet, met inachtname van het hoog bevel, schreef:
„HEER, ai maak mij Uwe wegen".
Natuurlijk zijn er in onzen Psalmbundel verzen, die zooveel goeds bevatten, dat ze onsterfelijk mogen geacht worden. Strophen en regels, die zoowel exegetisch als literair tot het schoonste behooren wat we bezitten. Wat echter te zeggen van woorden als „rot" (3:1, 10 : 2), „hittig" (7:7), „samenrotten" (1:1). Hoeveel schooner, aesthetisch kiescher luidt hier de tekst in de nieuwe berijming:
„Heil hem, die nimmer treedt in 's boozen raad niet staan blijft, waar het pad der zondaars gaat, noch nederzit, waar spotters samenscholen".
Psalm 8 : 7 (Statenberijming) heeft:
„Waar schapen zijn of ossen in de weiden waar eenig vee op bergen zij of heiden".
Dr. S. merkt hierbij op, dat de rijmelaar waarschijnlijk wel eens op de Veluwe, maar wellicht nooit in Palestina geweest is.
Vergelijk nu zelf eens Ps. 8 : 8 (nieuwe berijming) :
„De schapen en de runderen der dalen, de dieren, die door donkere wouden dwalen, de visschen, voog'len, al wat leeft in 't veld, hebt Gij te zaam in 's menschen hand gesteld"
en de keuze is dunkt mij niet moeilijk ! Ter wille van het rijm zegt de dichter in Ps. 69 : 1 (St. her.) :
„Mijn keel is heesch, zij is van droogt' ontsteken;
En daar ik hoop op God, mijn toeverlaat, schrei ik mij blind ; mijn oogen zijn bezweken."
„Bezweken oogen", dit is nu ook niet bepaald een fijne bloem van Nederlandsche taalschoonheid !
Let nu op de nieuwe berijming :
„Ik ben vermoeid van hopen altijd weer ; Mijn keel is heesch van roepen en versmachten ;
Mijn oog is dof van 't uitzien naar mijn HEER, 't is schier verblind van wachten, eind'loos wachten."
Dat is inderdaad „Poëzie" ! Zuiver van beeldspraak en hoe suggestief van zegging. Uiteraard was het ons slechts mogelijk op enkele willekeurige gevallen de aandacht te vestigen en waarlijk, het zou niet moeilijk zijn dit schier eindeloos uit te breiden. Onvoorwaardelijk deze nieuwe berijming in haar geheel boven de oude te verkiezen zou geen aanbeveling verdienen. Ernstig onderzoek en nauwgezette vergelijking door kundige theologen en dichters zou ons evenwel bijzonder welkom zijn en zoowel de stichting als de onderwijzing in de bediening des Woords ten goede kunnen komen.
Star volharden bij het oude is minstens zoo verwerpelijk als luchthartig kiezen voor alles wat nieuw is. Wie voert ons hier op den gulden middenweg ?
Wij willen besluiten met Ps. 42 : 1 naar de prachtige berijming van Willem de Mérode :
„Als een hert door dorst bevangen. Naar de frissche sprengen hijgt. Zucht mijn ziel in heet verlangen tot den HEER, die toeft en zwijgt. Ja, mijn ziel schreeuwt tot mijn God : Levensgever, laat mij tot Uwe woning mogen naadren. Weder met Uw volk vergaad'ren."
Alphen aan den Rijn.
*) Deze korte inleiding werd gehouden op de afd. vergadering te Oudshoorn en wij plaatsen dit artikel hier gaarne. M. v. G.
Bronnen : 1. Dr. K. Schilder, „Bij Dichters en Schriftgeleerden", blz. 310 e.v. U.M. Holland, A'dam 1927.
2. Dr. Th. Ruys, „Chr. Encyclopaedic", Deel 4, blz. 635, Kok, Kampen.
3. Dr. G. D. J. Schotel, „De openbare Eeredienst in de Ned. Herv. Kerk", Leiden.
4. „Het boek der psalmen", in opdracht van de Adm. Geestelijke liederen uit den schat van de Kerk der eeuwen. 1936.
5. Willem de Mérode, „30 Psalmen", Callenbach, Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's