KERKELIJKE RONDSCHOUW
NOG WEER EENS : Dr. SNETHLAGE
We weten nu precies wat dr. Snethlage aan het Classicaal Bestuur van Den Bosch beloofd heeft. En wel o.a.: „ik zal mij in 't vervolg zeer matigen in het aantal spreekbeurten" en verder: „indien ik in het vervolg nog publicaties mocht laten verschijnen, deze niet meer als propaganda zullen moeten worden beschouwd, doch uitsluitend naar haar innerlijk waarheidsgehalte geoordeeld moeten worden".
Wij vonden (en vinden) dat nogal royaal van dr. Snethlage, gerekend zijn standpunt en zijn beginselen. Zeer matigen in het aantal spreekbeurten — en geen publicaties van propagandistische strekking.
Nu wezen wij er al op, dat reeds enkele publicaties, o. a. in Rusland van Heden (R. V. H.) gevolgd zijn en wel 3 Januari en 10 Januari j.l.
Dat is niet in strijd met wat dr. Snethlage beloofd heeft. Maar het ging toch al weer een klein beetje de gevaarlijke kant uit, met die publicaties. Doch van spreekbeurten hoorden we niet.
Echter nauwelijks was de inkt uit onze pen opgedroogd op het papier, waarop we verleden week onze uiteenzetting van het geval gaven, of we kregen De Tribune, het communistisch blad van de fractie Wijnkoop —Schalker e.a. in handen, waarin een groote advertentie staat, waarin een massa-vergadering wordt aangekondigd in de Apollohal te Amsterdam op Dinsdag 16 Februari, waar gesproken zou worden over het Proces te Moskou en waar als sprekers zouden optreden de heer Schalker, lid van de Tweede Kamer, die „zoo juist uit Moskou is teruggekeerd", en dr. J. L. Snethlage". De onderteekening was: Het Districtsbestuur der V.V.S.U. (Zie De Tribune van 15 Febr. 1937).
Toen we die advertentie lazen in dat blad met dat onderwerp en die sprekers en die onderteekening, hebben we ons toch weer afgevraagd : is dat nu propaganda voor het Communisme en het Russisch Bolsjewisme, ja of neen? En is dat nu overeenkomstig de belofte, welke gedaan is, ja of neen?
En toen we vandaag de Tribune van 20 Febr. 1937 ontvingen, lazen we een verslag van de massa-vergadering, bovenbedoeld, dat ons deed zeggen: als dat geen propaganda is voor het Communisme en het Russisch Bolsjewisme, dan weten we het niet meer!
„Een diepe stilte heerscht onder de duizenden arbeiders, die in de groote Apollohal bijeen zijn, toen de voorzitster, Frenny de Graaf, den overleden volkscommissaris voor de zware industrie, Sergo Ordzjonikidze, herdacht. Zwijgend verheffen duizenden zich plechtig van hun zetels, om de nagedachtenis van den gestorven strijder voor het Socialisme in eenige minuten van stilte te eeren". Zóó begint het verslag in De Tribune.
„Dan is het woord aan kameraad Schalker, die in „Moskou het proces bijwoonde, voor een rede over het Trotzkisme", enz. „Schalker waarschuwt voor het Trotzkisme".
En dan gaat het over „Saboteurs en landverraders" en over honderdduizenden, die in de straten van Moskou demonstreerden om „de dood van die saboteurs en landverraders te eischen".
„En als men, zegt Schalker, zooals ik, het proces heeft bijgewoond, de wijze waarop het gevoerd werd, de lankmoedige behandeling van de beklaagden, die op cynische wijze hun bekentenissen aflegden, heeft gezien" — dan begrijpt men, dat niemand aan hun onschuld gelooft.
„Ik hoop" — besluit Schalker — „dat ik er in geslaagd ben u duidelijk te maken, welke verschrikkelijke vijanden van de Sowjet-Unie, van de arbeidersklasse, van de geheele menschheid, deze beklaagden waren".
Toen begon Schalker over Nederland.
„We behoeven niet zoo ver van huis te gaan. We hebben ze — tot onze schande — ook hier in ons land. We weten, dat Sneevliet, de leiders van R.S.A.P. en N.A.S., ook hier stoken tegen de pogingen van de arbeidersklasse, om tegenover het fascisme tot éénheid te komen. We weten, dat ze ook hier stoken. De vijand staat in eigen land". „De Trotzkistische politiek van Sneevliet heeft het N.A.S. afgebroken en geïsoleerd. De arbeiders moeten zich wachten voor de Trotzkistische politiek", enz.
Nadat „kameraad" Schalker aldus (heelemaal niet propagandistisch dus ) gesproken had, trad als tweede spreker op dr. Snethlage.
Het verslag luidt:
„Ds. Snethlage (er staat heel duidelijk ds. en niet dr.J, die na de pauze over het proces het woord voert, gaat eerst het verleden na: de moeilijke strijd, die het Socialisme in de Sowjet-Unie heeft moeten voeren om te overwinnen — een strijd, die na de zege niet is opgehouden, zooals het proces toont — nog steeds belagen haar vijanden de Sowjet-Unie, en zij zullen deze strijd niet stopzetten ! Daarom moeten allen waakzaam zijn — want de belagers van het Socialisme zijn tevens de vijanden van den vrede en de menschheid".
Aldus ds. Snethlage, die dus heelemaal niet propagandistisch wil optreden in het belang van dé Sowjet-Unie !!
Waarbij het verslag eindigt als volgt:
„Onder langdurig applaus eindigt ds. Snethlage zijn herhaaldelijk luid-toegejuichte redevoering".
Als men zulke dingen leest, dan pijnigt toch onwillekeurig de vraag onzen geest : Wat is nu propaganda voor het Bolsjewisme en wat is nu geen propaganda?
Wat is nu een belofte en wat is nu geen belofte?
We pijnigen onze hersens en het antwoord is Wellicht dat de spreekbeurt in de massa-vergadering op Dinsdag 16 Febr. j. 1. te Amsterdam niet de laatste propagandavergadering is in 't belang van Sowjet-Rusland.
We zullen de Tribune er eens op na lezen. Daar komt juist Rusland van Heden van 21 Febr. 1937 onder onze oogen. En daar staat een groote advertentie, waarin voorkomt het volgende lijstje van spreekbeurten van kameraad Schalker met ds. Snethlage.
Het lijstje ziet er aldus uit: Groningen 22 Febr. Rotterdam 24 Febr. Den Haag 26 Febr. Deventer 1 Maart. Enschedé 3 Maart. Wie spreekt er nu nog van.... propaganda? Wie spreekt er nu nog van een belofte?
WONDERLIJK GEDOE
Ds. J. G. Knottnerus, Ned. Herv. pred. te Varsseveld, is door het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland voor een maand uit zijn bediening geschorst, met behoud van tractement. Dat is al een oude geschiedenis, die echter nu weer opgehaald moest worden in den weg van de kerkelijke rechtspraak. Het schijnt in verband te staan met een wonderlijke uitlating van ds. Knottnerus op den preekstoel, bij gelegenheid van de Oudejaarsavondgodsdienstoefening van het vorig jaar, aan het adres van de kerkvoogden, die daarin een beleediging voelden, 't Moet zooiets geweest zijn als: „de kerkvoogden hier weten beter wat hun varkens toekomt, dan wat een dominé en z'n gezin noodig heeft". Zoo iets althans stond vroeger reeds in de couranten, en is nu weer in de Pers opgehaald.
De vorige week Zondag is dat besluit van het Provinciaal Kerkbestuur van den kansel te Varsseveld aan de gemeente meegedeeld, en zoo is dus ds. Knottnerus voor een maand geschorst (met behoud van salaris).
Over deze zaak willen wij het verder niet hebben, al meenen wij, dat de kansel op Oudejaarsavond niet precies de plaats is om zulke lieflijke lieden ten gehoore te brengen. Maar — daarover is reeds genoeg geschreven. Ook over de kerkelijke rechtspraak in verband met het besluit van het Classicaal Bestuur is genoeg gezegd.
Maar nu komt er iets tusschen, wat wij met „wonderlijk gedoe" willen typeeren. Dat is dit: De Bond van Predikanten is nu tusschen deze dingen gekomen, waar het dus gaat tusschen dominé eri kerkvoogden ; en terwijl het Provinciaal Kerkbestuur een uitspraak heeft gedaan en een beslissing genomen, niet ter aanbeveling van 't geen ds. K. deed, biedt „het Vacantiebureau van den Bond van Nederlandsche Predikanten" aan ds. en mevr. Knottnerus een verblijf van een maand in Zwitserland in Lugano aan". Is dat nu wel in orde, dat de Bond van Predikanten partij gaat kiezen in het openbaar en op heel eigenaardige manier aan de zijde van den dominé gaat staan?
Nu weten we wel, dat de Bond van Predikanten niet uitsluitend bestaat uit Hervormde dominees ; de Bond heet dan ook „Bond van Nederlandsche Predikanten"; maar het is toch een opzettelijk zich stellen in de oppositie tegen de kerkelijke besturen en de kerkelijke rechtspraak (niet door het ongelijk van de beslissing aan te toonen, maar door een eigenaardig, sprekend bewijs van sympathie te geven aan een dominé, die tegen de kerkvoogden uitviel en daarvoor door de kerkelijke besturen werd geschorst).
Ons dunkt, dat is toch niet de manier in de Kerk!
Dat het courantenbericht verder zegt: „ds. en mevr. Knottnerus hebben dit aanbod dankbaar aanvaard en zullen nu een maand in een vacantiehuis van den Bond in Lugano in Zwitserland gaan doorbrengen", kunnen we begrijpen, 't Wordt niet iedereen aangeboden om in Lugano Paradiso ('t is daar een paradijsje!) een maand te mogen vertoeven in een vacantiehuis!
Maar als er dan verder in het courantenbericht bij staat: „ds. Knottnerus heeft aan het Prov. Kerkbestuur en aan den Kerkeraad te Varsseveld bericht, dat hij dit blijk van sympathie uit de predikantenwereld meer waard acht, dan wat aan eerherstel langs den weg van kerkelijke processen voor hem te verkrijgen zou zijn enz.", dan zetten wij een vraagteeken bij dat laatste en het eerste vinden we grof. Hij had dat schrijven, met zulk een inhoud, liever bij zich moeten houden. De maand in Lugano had dan voor hem nog mooier kunnen worden dan nu al 't geval is.
DE KRONINGSEED IN ENGELAND
en de leer van de transsubstantiatie
Engeland is 't land van de traditie ; waarin veel moois zit. Zoo is ook sinds eeuwen een vaststaande gewoonte, dat bij de kroning de nieuwe Koning een zeer uitvoerige eed aflegt. Dat behoort bij het koninklijk ceremonieel, dat met groote eerbied bewaard wordt.
Maar — de staatkundige verhoudingen van nu zijn in zoovele opzichten anders geworden, dan ze vroeger waren. Vooral ook wat de bezittingen des Rijks en de onderdanen in verschillende Dominions, nabij en in de verte, aangaat.
Daarom zijn er, met veel moeite, enkele wijzigingen aangebracht in de kroningseed in verband met de verschillende „Dominions". Maar vooral wat betreft den godsdienst moest een andere formuleering komen.
„Dit geschiedde op deze wijze" (schrijft dr. E. van Kaalte in de N. Rott. Ct.) „nog niet bij de vorige kroning van George V in 1911". „Het is aan het initiatief van Eduard VII, den grootvader van den tegenwoordigen Koning, te danken geweest, dat ten langen leste, in 1910, in de bewoordingen, welke van 1689 af gebezigd zijn, een geenszins onaanzienlijke verandering is aangebracht".
„Op grond van de Bill, of Rights van 1689 en in overeenstemming met de daarop ten deele voortgebouwde Troonopvolgingswet van 1701 (Act of Settlement), moest een Koning den eersten keer van zijn verschijnen ten overstaan van het Parlement of bij de kroning een eed van trouw ten opzichte van het Protestantsche geloof afleggen, die echter tevens een verklaring inhield betreffende verwerping van de leer der transsubstantiatie en van verschillende andere leerstukken der R.-K. Kerk. Zulks bovendien in wel zeer profane, voor Katholieken pijnlijke, want heiligschennende bewoordingen".
Men ziet: de Koning moest dus bij zijn kroning zich zeer bijzonder uitspreken over verschillende leerstukken der Roomsche Kerk — en dat in een land, waar niet weinig Roomschen zijn, gerekend ook de landen dichtbij en over zee gelegen, die mee aan Engeland's Koning gehoorzaamheid verschuldigd zijn.
Toen dan ook Eduard VII op 14 Febr. zelf het Parlement met een troonrede opende, had hij eerst bedoelde eed te zweren. De voor zijn R.K. onderdanen kwetsende woorden inzake de leer van de transsubstantiatie sprak hij slechts zachtjes uit. En terstond besloot hij er op aan te sturen, dat geen van zijn opvolgers zich ooit meer tot een dergelijke handeling gedwongen zou zien.
Maar pas drie maanden na zijn dood kwam op 4 Augustus 1910 de wet tot stand, die de. verouderde formuleering van 1689 verving door een verklaring, welke zich bepaalt tot het positieve, n.l. tot trouw aan den Protestantschen godsdienst, zonder dat er sprake was van een bestrijding en verwerping van de leer der transsubstantiatie en allerlei andere Roomsche leerstukken.
Ons dunkt, dat laatste hoort ook niet in een kroningseed thuis, afgezien van de vraag of de Koning zich ernstig voor deze dingen interesseert of niet. De kroningseed is er niet voor, om leerstellige, dogmatische, religieuse en kerkelijke kwesties te behandelen en uit te maken.
Voor 't eerst nu zal die dogmatische en anti-Roomsche passage ontbreken en zal 12 Mei a. s. alleen trouw aan den Protestantschen godsdienst beloofd worden door den nieuwen Koning George VI, kleinzoon van Eduard VII.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's