De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

16 minuten leestijd

DE GEBOORTECIJFERS
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft in Januari 1.1. een publicatie doen verschijnen, waarin interessante mededeelingen voorkomen over den loop der bevolking sinds het einde der vorige eeuw.
Vooreerst deelt het Centraal Bureau mede, dat de bevolkingsstatistiek van de laatste honderd jaren leert, dat in Nederland de geboorte de sterfte in belangrijke mate heeft overtroffen, met als gevolg een snelle toeneming der bevolking.
Echter moet dit te boven gaan van het geboortecijfer aan het sterftecijfer niet zóó worden gezien, dat zich jaarlijks een vermeerdering van het aantal geboorten voordoet, want die omstandigheid eindigde reeds omstreeks 1875, maar in het feit, dat sedert dat jaar de sterftecijfers onafgebroken daalden. De geboortecijfers zoowel als de sterftecijfers liepen sedert de zeventiger jaren van de vorige eeuw geregeld terug.
Bedroegen de levend aangegevenen — vanaf 1920 de levend geborenen — per 1000 inwoners in 1875 33.5, in 1900 31.5, in 1910 28.6, in 1930 23.1 en in 1935 20.2 ; een zelfde beeld toont de sterfte per 1000 inwoners in 1875 25.6, in 1900 17.9, in 1910 13.6, in 1930 9.1 en in 1935 8.7.
De daling van het geboortecijfer per 1000 inwoners hangt behalve van de kwade practijken, die gevolgd worden, ook voor een deel samen met de stijging van den gemiddelden levensduur, welke een relatieve toeneming van het aantal oudere personen ten gevolge heeft.
En wat de sterfte betreft, staat de daling in nauw verband met de belangrijke verlenging van den gemiddelden levensduur. Bedroeg op basis van de periode 1870—1879 de gemiddelde levensduur volgens de sterftetafel voor mannen slechts 38.4 jaar, voor de periode 1921—1930 was deze toegenomen tot 61.9 jaar ; voor vrouwen voor dezelfde tijdvakken van 40.7 tot 63.5 jaar.
De conclusie nu, die uit de bovengenoemde cijfers van geboorte en sterfte te trekken is, is deze, dat tengevolge van den teruggang in de geboorten en in den stilstand, welke ten slotte het cijfer der sterfgevallen per 1000 inwoners zal ondergaan, binnen zeer korten tijd de geboorte niet meer de sterfte zal overtreffen, doch omgekeerd, de sterfte de geboorte zal hebben ingehaald, met het gevolg, dat er dan jaarlijks niet meer eene toeneming der bevolking zal komen, doch de bevolking zal terugloopen.
Immers de geboorten per duizend gehuwde vrouwen liepen van 360 in het tijdperk 1870 —1879 op 155 in 't tijdvak 1931—1935 terug.
Vergeleken met de bevolkingscijfers in 't buitenland, neemt ons land nog een gunstige plaats in. Zoo is het niet b.v. in Oostenrijk, Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Scandinavische Rijken, maar wel in Italië, Portugal en Rusland, in welke laatste landen de cijfers gunstiger staan, dan in Nederland.
De publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek moge ons land waarschuwen voor het gevaar, dat Nederland ten opzichte van zijn geboortecijfers bedreigt.

RUMOR IN CASA
Er is groote ongerustheid in de gelederen van de voorstanders der openbare school. Die ongerustheid vindt haar oorzaak in het Rapport der Staatscommissie inzake de concentratie van bijzondere scholen, in welk Rapport voorstellen aan de Regeering worden gedaan betreffende het minimum aantal leerlingen (25% boven het tegenwoordig minimum), die de bestaande scholen moeten hebben om gehandhaafd te kunnen worden en niet voor concentratie in aanmerking te komen.
Aangezien deze voorstellen der Staatscommissie zoowel op de bijzondere scholen als op de openbare scholen betrekking hebben, zien de voorstanders van laatstgenoemde scholen de tallooze kleine schooltjes bij het openbaar onderwijs in gevaar komen.
Zooals men zich herinneren zal, voldoen aan den verzwaarden eisch van het minimum aantal leerlingen (statistiek van 1 Januari 1935) niet 174 Protestantsch Christelijke Scholen, 86 Roomsch-Katholieke Scholen (voor welke scholen mitigeerende bepalingen zijn in het leven geroepen) en 650 Openbare Scholen.
Hoe groot nu de ongerustheid onder de voorstanders van het openbaar onderwijs is. blijkt uit de moties, die in het land worden aangenomen over het lot, dat de kleine schooltjes bij de uitvoering van de voorstellen der Staatscommissie wacht.
In Het Schoolblad, orgaan van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap, van 18 Februari 1.1. wordt de motie afgedrukt, die het hoofdbestuur van het genootschap van de afdeeling Buitenpost ontving. Deze motie luidt :
„De afdeeling Buitenpost en Omstreken, in vergadering bijeen op 10 Februari 1937, kennis genomen hebbende van het concentratie-ontwerp, gehoord de inleiding van den heer K. ter Horst, hoofd der school te. Westergeest, en van de vele bedreigde scholen in Friesland, is van gevoelen, dat ten plattelande vele kleine bijzondere scholen veilig zijn gesteld door de maatregelen-Marchant ;
dat er thans groot gevaar dreigt voor opheffing van nog bestaande kleine openbare scholen ;
verzoekt het Hoofdbestuur van het N.O.G. met aandrang ten spoedigste krachtige actie te voeren voor het behoud van deze bedreigde scholen, en besluit met aigemeene stemmen deze motie te brengen ter kennis van het Hoofdbestuur van het N.O.G. met verzoek opname in het e.v. nummer van Het Schoolblad."
Bij deze motie plaatst de redactie van Het Schoolblad het volgende onderschrift :
In brieven van verschillende leden, werkzaam aan kleine scholen, werd al spoedig na de publicatie van het Rapport, bij het Hoofdbestuur geïnformeerd, welk lot bij aanvaarding van het door de Staatscommissie gegeven ontwerp hun school zal zijn beschoren. Ook uit die brieven sprak groote ongerustheid.
Het Hoofdbestuur kan helaas die ongerustheid niet wegnemen, omdat het zelf aanneming en doorwerking van het ontwerp der Staatscommissie funest acht voor het openbaar onderwijs en de kleinere openbare scholen.
Het stelt er prijs op, de leden in te lichten, wat het ter zake tot dusver heeft gedaan. Na de verschijning van het Rapport heeft een Commissie van 3 Hoofdbestuursleden het Rapport bestudeerd en een leidraad voor de bespreking in het Hoofdbestuur ontworpen. De bespreking heeft plaats gehad in de H.B.-vergadering van 6 Februari ; de meening van het Hoofdbestuur over zoowel de verschillende artikelen als over de algemeene strekking is in die vergadering vastgesteld, 't Oordeel over die algemeene strekking is vastgelegd in de redactie, zooals die in Het Schoolblad van vorige week in het Kort Verslag der H.B.vergadering is aangegeven en die met algemeene stemmen door het Hoofdbestuur is aanvaard.
Het Comité van Actie voor de Openbare School, bestaande uit vertegenwoordigers van Volksonderwijs, Bond van N.O., N.O.G. Mulo, Centr. Ouderraad, Ned. Vakverbond en Ned. Vakcentralen, hield reeds 2 vergaderingen ter bespreking van het ontwerp der Staatscommissie en de gevolgen, welke er voor de openbare school uit kunnen voortvloeien en zal nog deze week zijn 3de vergadering houden.
Onze leden kunnen dus in zooverre gerust zijn, dat ons Hoofdbestuur, evenals de Hoofdbesturen van andere organisaties hun volle aandacht reeds gegeven hebben en nog geven aan dit ontwerp. Verder kan op het oogenblik niet worden gegaan, omdat afgewacht dient te worden, of de Regeering dit ontwerp onveranderd dan wel gewijzigd bij de Tweede Kamer zal indienen. We kunnen thans alleen verklaren, dat voor het Hoofdbestuur van het N.O.G. nog steeds handelt naar een waarschuwing op een vorige Algemeene Vergadering zoo met klem uitgesproken: Waakt voor uw openbare school, waakt inzonderheid voor uw kleine openbare school.
Men ziet uit de motie en het onderschrift, dat het bij de voorstanders van de openbare school spant.
Er is daar rumor in casa. Intusschen is het merkwaardige van het geval, dat het Rapport van de Staatscommissie met algemeene stemmen, ook met die van de vrijzinnigen en sociaal-democraten, werd vastgesteld.
Zal er nu van de concentratie, het geliefkoosde thema van de voorstanders der openbare school, althans wanneer het om de bijzondere scholen gaat, nog wel iets komen?

De vrijheidsbeweging tijdens het leven van den Heere Jezus Christus
Voor de overweging van het lijdensevangelie, waaraan de Kerk in deze weken in het bijzonder haar aandacht schenkt, is het van groot belang dat men eenig inzicht heeft in de toestanden, zooals die bestonden in de dagen van den Heere Jezus Christus. Over menigen tekst zal dan een helderder licht opgaan. Daarom vragen wij in dit artikel de belangstelling van onze lezers voor dit onderwerp, aangezien wij meenen, dat een en ander kan bijdragen tot een beter begrijpen van wat er in die veelbewogen dagen voorviel. .
Wie meenen zou, dat alléén de tijd na het openbaar optreden van den Christus veelbewogen geweest is, vergist zich. Reeds terstond na den dood van Herodes den Groote wordt het in Palestina rumoerig. In Jeruzalem braken opstanden uit, welke door den Romeinschen stadhouder Sabinus werden onderdrukt Het was bij deze gelegenheid, dat hij zich meester maakte van vierhonderd talenten, afkomstig van den tempelschat.
Deze eerste nederlaag der opstandelingen was het signaal tot een nieuwen opstand, welke niet alleen tot Jeruzalem beperkt bleef. Ook in Galilea laaide het verzet op. Overal vormden zich groepen onder bepaalde leiders, die trachtten de macht en de kroon te bemachtigen. In de nabijheid van Sepphoris in Galilea, verzamelde een zekere Judas een bende om zich heen, waarmede hij, na een aanval op den koninklijken burcht, wapenen en geld veroverde, wat hij onder zijn mannen uitdeelde.
Op het vernemen van al deze oproerige bewegingen, trok de Romeinsche stadhouder Varus naar Palestina. Sepphoris werd bij deze gelegenheid in brand gestoken, nadat de inwoners als slaaf waren verkocht. Zóó werden de opstandelingen bedwongen. Hun geest leefde echter voort. Dat zij niet méér bereikten, moet worden toegeschreven aan het gebrek eener behoorlijke organisatie. Hun optreden was te verdeeld. Tweeduizend der schuldigste opstandelingen liet Varus kruisigen ; de overigen liet hij ongestraft gaan.
Het staat vast, dat Jezus als opgroeiende knaap van deze beweging heeft gehoord. Wellicht heeft Maria Hem van de plaats gehad hebbende gruwelen verteld. Sepphoris toch, het steunpunt der opstandige Galileërs, lag slechts een half uur ten Noorden van Nazareth. Zeer waarschijnlijk heeft Jezus de puinhoopen der stad gezien. Misschien hebben Jozef en Hijzelf wel als timmerlieden medegearbeid aan de wederopbouw der stad, welke door Herodes Antipas, die tot 39 na Christus geregeerd heeft, is uitgevoerd.
Na de boven verhaalde tuchtiging en zuivering des lands, welke in 4 vóór Christus plaats had, bleef het niet rustig. Werkelijk vrede was er niet; veeleer een wapenstilstand.
Een nieuwe aanleiding tot verzet deed zich voor in 6 na Christus, toen Judea een Romeinsche provincie werd, bij welke gelegenheid ook een nieuwe hoofdelijke belasting werd ingevoerd. Het bendewezen leefde weer op, naar alle waarschijnlijkheid wederom onder leiding van denzelfden Judas, van wien hier reeds sprake was. Zijn optreden, waarvan Handelingen 5 vs. 37 melding maakt, moet op het volk een diepen indruk hebben gemaakt.
In samenwerking met een Parizeer, Sadduk, zette hij het volk tegen het Romeinsche gezag op, hen voor lafhartigen verklarend, wanneer zij de belasting lijdzaam opbrachten en buiten God nog stervelingen als Heer erkenden. Verder verklaarde hij, dat met de schatting niets minder dan een openbare slavernij werd ingevoerd.
Om dit verzet beter in zijn religieus motief te kunnen verstaan, zie men Exodus 30 vs. 11 V.V., waar verordend wordt, dat ieder volwassen man een halven sikkel bijdragen zal voor den dienst in het heiligdom. De Israëliet wist zich knecht van Jehova (Psalm 116 vs. 16); daarom wilde men geen knecht van den keizer worden! In het oog van den Israëliet was een nationale opstand ten bate van zijn theocratische vrijheden alleszins gewettigd.
Van dit moment af dateert eigenlijk de georganiseerde revolutionaire partij. Al was het succes wederom gering (Judas zelf werd gedood, en zijn aanhangers werden verstrooid), de vrijheidsgedachte bleek onuitroeibaar. De partij kon men ontbinden ; niet verhinderen kon men, dat de bestrijders van Rome's heerschappij eenmaal, bij de belegering van Jeruzalem, uitroepen zouden: „Den dood verachten wij. Hij is ons liever dan de slavernij. Zoolang er nog adem in ons is, zullen wij zooveel wij slechts kunnen, den Romeinen schade toebrengen".
Toen Judas, dien wij reeds een en andermaal ter sprake brachten, voor de tweede maal optrad, was Jezus ongeveer elf jaar oud. Ongetwijfeld heeft Hij dus over de opkomende vrijheidsbeweging hooren spreken: hetzij in Zijn woonplaats, hetzij wanneer Hij mede optoog naar Jeruzalem ter gelegenheid van de groote feesten. Wat moet het spreken over en het verlangen naar den komenden Messias op Hem een geweldigen indruk gemaakt hebben! Want bij de toenemende Romeinsche overheersching en de vergeefsche pogingen om van het gehate juk bevrijd te worden, is de gedachte aan een Verlosser zeker levendig geweest.
Volgens Lucas 2 vs. 52 nam Jezus toe in wijsheid' en in grootte: bij God en de menschen. Allengs vond Hij Zichzelf in de O.Testamentische profetie. Zich bewust wordende, dat Hij de Messias was, die komen zou. Hoe geheel anders dan de Joden het verwachtten, zou Hij dat ambt bekleeden! Ook Christus heeft Zich dit moeten realiseeren. Tegenover de vulgaire Messias-opvatting heeft Hij Zijn taak en roeping Zich scherp bewust moeten zijn en voor oogen moeten stellen. Niet langs den weg van geweld zou Hij Koning worden. Niet op de wijze der wereld mocht Hij strijden. Christus' Koninkrijk is niet van hier: dus moet Hij Zich binden aan de wetten van het Rijk, dat niet van deze wereld is.
Uit dit oogpunt beschouwd, krijgen verschillende plaatsen der Heilige Schrift reliëf. Zoo wijst de Christus ten overstaan van Satan in den meest volstrekten zin het Messiasideaal dier dagen van de hand. Wij doelen hier op de verzoeking in de woestijn. Ook de vrijheidsbeweging van mannen als Barabbas c.s. zal Hij niet steunen. Hij mag dat niet, om Gods wil. Welbewust zal Hij, in gehoorzaamheid aan den wil des Vaders, een andere methode volgen, die weliswaar niet populair is, doch die alleen zich verdraagt met het karakter van het Rijk, aan welks komst alle koninkrijken dezer aarde dienstbaar zijn. Gedurende heel Zijn leven heeft de Christus eigen vrijheidsopvatting en - inhoud moeten afbakenen tegenover die van anderen.
Zijn vrijheid maakt waarlijk vrij, al wordt Hij straks gebonden ; die der opstandelingen brengt in den kerker van Satan, den overste dezer wereld en den menschenmoorder van den beginne, al is oogenschijnlijk hun de zege beschoren. Jezus wordt gekruisigd ; Barabbas vrijgelaten
Voor het goed begrip der situatie is het van belang, er hier op te wijzen, dat er een diepe tegenstelling bestond tusschen de Farizeërs en de mannen der vrijheidsbeweging. Uit het feit, dat Judas en Sadduk, die, zooals gezegd, een Farizeër was, samenspanden, mag men niet opmaken, dat het streven van beide partijen zich bewoog in dezelfde richting. Sadduk is van de Farizeërs uitgegaan, omdat hij niet van hen was.
Ondanks de tegenstellingen, waarover wij zoo dadelijk zullen spreken, waren er ook punten van overeenstemming. Den strijd om het behoud van Wet en traditie voerden zij gemeenschappelijk. Beide gingen uit van het principe, geen stervelingen als Heeren te erkennen, naast of boven Jehova. Het volk Israël wist zich heilig, verkoren als het was, om uit alle volken, die op den aardbodem leven, des Heeren eigendom te zijn (Deut. 7:6). „Want des Heeren deel is Zijn volk, Jacob is het snoer Zijner erve" (Deut. 32 : 9). Uit de verhouding van Jehova tot Zijn volk volgde onomstootelijk, dat alleen Hij in Israël Heer en Meester kon en mocht zijn, en dat het land vrij moest wezen. Men zie nog : Deut. 6 : 10 ; 3 : 18 ; Exodus 4 : 22. Daarover liepen de verschillen dus niet. Als Abrahams zaad wilde niemand onder de Joden ooit een ander dienen. Zoo was de theorie.
In de practijk echter deden de Farizeërs concessies. Hun houding ten opzichte van de Romeinen stond in het teeken van geduld en aanpassing. Wat men met geweld en openlijk verzet toch niet kon verkrijgen, dacht men te bereiken, wanneer men zich in de huidige omstandigheden schikte. Als kenners van de Wet bij uitnemendheid hielden de Farizeërs deze meening in een religieus gewaad. Jehova had hun het geluk van Zijn heerschappij en de vrijheid in het land wel beloofd, doch Hij had daaraan een conditie verbonden. „Maar indien gij Mij niet zult hooren, en al deze gebo­den niet zult doen ; dan zult gij in de hand des vijands overgegeven worden". Zóó had de Heere in Leviticus 26 gesproken.. En luidde des Heeren Woord in Deut. 28 : 43 v.v. niet : „De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen, en gij zult laag, laag nederdalen ; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn". En heeft Israël in zijn geschiedenis geen welvaart en vrijheid gezien, wanneer het Jehova trouw diende ? En kwamen de vijanden niet met onderdrukking, wanneer men Jehova de trouw had opgezegd ? Het geluk en de vrijheid moest Israël zich waardig maken ; dan eerst gaf Jehova ze. En waar het den Farizeërs in deze dagen niet moeilijk viel, op duizend en; één afwijkingen van de Wet te wijzen, daarom predikten zij de romeinsche heerschappij als verdiend en onafwendbaar. Met Zijn tuchtroede kastijdde Jehova Zijn volk, zoo zeiden de Farizeërs. Op deze wijze was hun de weg geopend, met ieder goede vrienden te blijven. Zij speelden een diplomatieke rol. Indien hun optreden wat meer revolutionair was geweest, zouden de Romeinen hen dan langer in het Sanhedrin geduld hebben ? Het betalen van belasting en het erkennen van stervelingen als hun Heer was niet onvoordeelig. Pogingen tot opstand moesten zij verhinderen. Omdat onregelmatigheden ten koste van alles moesten voorkomen worden, daarom moet ook Jezus sterven : anders zou de Romein komen, en wegnemen beide hun plaats en volk (Johannes 11 : 48). Bij dit alles komt, dat de Farizeërs uit de diep gewortelde overtuiging leefden, dat zij zonder den Messias toch niets vermochten. Totdat Hij kwam, waren zij bereid te buigen en te bukken voor het romeinsche gezag.
Zoo echter niet de mannen der vrijheidsbeweging. Zij huldigden de strenge wetsopvatting der Farizeërs niet, en waren zich allerlei schrikkelijke zonden niet bewust. Integendeel beschouwden zij het als een verraad van Jehova's zaak, wanneer zij niet met alle kracht, die in hen was, optraden tegen den overheerscher. De vrijheid geloofden zij te moeten heroveren. Als praktische mannen, die met beide voeten stonden in de werkelijkheid van het leven, wilden zij hun vuist gebruiken, en met zwaard den vreemden indringer uitbannen. Wanneer zij hun plicht deden, dan eerst kon de Messias komen. Niet door stilzitten en wetsbetrachting zou Hij verschijnen. In den opstand zal Hij openbaar worden. Ziedaar de gedachtengang der aanhangers van de vrijheidsbeweging. Van soepelheid en gematigdheid waren zij wars. Judas, hun leider, had gezegd, dat God hun slechts dan Zijn bijstand verleenen zult, wanneer zij met vereende krachten en eensgezind aan hun besluiten uitvoering gaven.
Zuiver menschelijke motieven waren met godsdienstige vermengd bij de beweging, waarvan wij in groote lijnen een beknopte schets gaven. In den grond der zaak werd heel haar optreden beheerscht door nationalistische overwegingen. De stoffelijke en uiterlijke Messiasverwachting staat op den voorgrond, wijl de geestelijke beteekenis niet werd verstaan. De eisch van waarachtige bekeering had haar klem verloren. In dit opzicht was de prediking van Johannes iets nieuws. Zij baarde opzien. Over het algemeen verpandde men zijn hart aan een nationalistisch en aardsch gedacht Messiaansch rijk. Daarvoor wilde men strijden. Maar daarvoor dan ook alleen ! Niet voor een Messias, die Zich kruisigen laat Christus heeft de Messias-opvatting van de mannen der vrijheidsbeweging goed gekend. Zij zagen aan wat voor oogen is, en verwachtten het van het eclatante. Vandaar Zijn waarschuwing : „Alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggen : Ziet, hier is de Christus, of daar ; gelooft het niet ; want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden."

D.

d. Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's