De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

IN GETHSEMANÉ VERSTERKT

9 minuten leestijd

En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Lucas 22 vs. 43, 44.

Wanneer wij een vertrek zouden binnentreden, waar een benauwde van geest zijn hart uitstortte voor God, zouden wij vol eerbied ons zwijgend terugtrekken. Met hoeveel te meer schroom en eerbied moet dan ons hart vervuld zijn, nu wij in gedachten den hof van Gethsemané naderen, waar een bange worsteling gestreden wordt, zooals er nooit op aarde gestreden is. Onze Heere Jezus Christus worstelt hier in groote zieleangsten, om.dat Hij straks Zijne ziel zal geven tot een schuldoffer, in den dood des kruises. Niet de dood als een lichamelijk sterven verschrikte Hem, neen, het brandend, rechtvaardig oordeel Gods, dat straks over Hem zou komen in volle zwaarte, maakt Zijne ziel beangst en geheel bedroefd tot den dood toe.
Het lijden in den hof is geenszins gelijk aan het lijden dat Christus aan het kruis doorleden heeft. Aan het kruis heeft Christus ten volle bewust doordragen de verlatenheid, den vloek Gods, zoodat Hij moest uitroepen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten"; hier in den hof is Christus nog niet verlaten, geweest. Hier bidt de Zoon nog: „Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan ; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt", maar aan het kruis komt niet de Vadernaam over Zijn lippen, maar de bange klacht: „Mijn God, Mijn God " Hier in den hof toont God Zijn nabijheid door de zending van een engel, die den Heere versterkte, aan het kruis is al de verlatenheid, al de gramschap Gods op Hem samengetrokken.
Dat vreeselijke van die volkomen verstootenheid voelde Christus in den hof reeds naderen. Hij was bereid om den Wil des Vaders te volbrengen, maar huivering doortrilt Hem bij de nadering van het kruis, waar de vloek van onze zonden Hem zal verteren, en daarom worstelt de Heere in den hof om kracht, om dien weg van helsche smarten gewillig ten einde toe te gaan.
Den vloek Gods over de zonde, het zijn bekende klanken voor onze ooren, maar de werkelijkheid is ondragelijk en peilloos diep. Ons natuurlijk hart is afgestompt en gevoelloos en daarom, al rust het oordeel Gods op ons allen vanwege onze zonden, het dringt niet als een brandend vuur door in ons binnenste en in ons geweten, maar wie iets van de vloekwaardigheid van zichzelf verstaat, dien is het een vuur in zijn binnenste, dat hem doet roepen om verlossing, om verzoening met God. Wat zal het dan niet zijn, voor allen die eenmaal voor God moeten verschijnen, zonder bedekking voor hun zonden, wanneer zij zullen vergaan van voor het heilig aangezicht des Heeren!
Dat ontzettende heeft Christus volkomen ondergaan, inzonderheid aan 't kruis. Daar is Hij, Die geen zonde gekend heeft, zonde voor ons gemaakt (zie 2 Cor. 5 vs. 21), en toen Christus hing aan het kruis, niet als zondaar, maar als zonde, als enkel zonde, toen rustte enkel oordeel op Hem.
Het overdenken daarvan moet ons met diepe schaamte vervullen, omdat Hij verstooten werd, vanwege onze zonden en onzen vloek.
Stamelend kunnen wij er iets van verstaan, wat dat voor Christus geweest moet zijn. Zijn ziel was niet gevoelloos door de zonde, want Hij heeft geen zonde gekend; Zijn ziel was vlekkeloos en heilig ; Zijn lust was het te aanschouwen het aangezicht des Vaders, Zijn lust was het altijd Zijn Wil te doen, om als Gezegende des Vaders Hem te verheerlijken. Van Hem gelden de regels van Psalm 40 (berijmd) :
„Mijn ziel, U opgedragen, Wil U alleen behagen; Mijn liefd' en ijver brandt",
en die Gezegende des Vaders is nu een vloek geworden voor ons. Een ontzaglijke vloek, door godslasterlijken menschenmond uitgesproken, doet een Godvreezend hart ineen krimpen; lezer, wat moet dan de eeuwige vloek des Allerhoogsten niet de ziel van onzen Middelaar doorzengd hebben als een brandend, helsch vuur!
We zoeken niet langer naar woorden om het te omschrijven, want het is niet te omschrijven, het is alleen eenigermate te beseffen voor een ieder, die het weet wat het is, vloekwaardig zondaar voor God te zijn.
Hoezeer de nadering van dat vreeselijke van het kruis Christus, Die ons in alle dingen gelijk geworden is, uitgenomen de zonde, aangegrepen heeft, duidt de Heere ons aan door de woorden van Lucas. Toen de ziel van den Middelaar ineenkromp, leed ook het lichaam zóó, dat het bloed uit de aderen geperst werd, zoodat het angstzweet als groote droppelen bloed van Zijn gezegend aangezicht vloeide. En dat alles, o zondaar, om den vloek, die wij verdiend hebben en nog steeds verdienen, te verzoenen. Dat alles heeft Hij gewillig doorleden, omdat Hij ons wilde verlossen van onze zondeschuld. De zonde, die ons den vrijmoedigen toegang belemmert, heeft Hij willen dragen, opdat wij met onze zonden zouden kunnen en mogen toegaan.
De volle verlatenheid Gods, het volle oordeel der zonde heeft Christus gedragen aan het kruis, waar de smarten der hel Hem deden roepen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten", en daarom, hoe bang de worsteling in Gethsemané ook was, het was geenszins gelijk aan Golgotha, want hoezeer ook bestreden en beangst, hier in den hof toonde de Vader Zijn gunst. Hier viel nog een lichtstraal des hemels, terwijl het op Golgotha drie uren volkomen duisternis was, duisternis niet slechts omdat de zon haar straling introk, maar omdat God Zijn gunst volkomen introk. Die lichtstraal des hemels, dat blijk van Gods nabijheid, wordt ons getoond in den engel, waarvan we lezen: „En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte".
Een van die engelen, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen (Hebr. 1 vs. 14), werd uitgezonden, als een stil bewijs van 's Vaders gunst. Als een stil bewijs, want niet de engel versterkt den Zoon, maar het zien van den engel versterkte. Dat was voldoende, omdat Christus in den zielestrijd niet lichamelijke ondersteuning noodig had, maar geestelijke versterking en vertroosting.
„En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte". Laten wij over die korte mededeeling niet heenlezen, want zij is van rijke beteekenis. Het zegt ons immers dat de Vader met den Zoon medeleefde ook aan den vooravond van het kruis, dus ook medeleefde toen de Zoon leed aan het kruis. Wij hebben soms zulke verkeerde, on-Schriftuurlijke gedachten van de verzoening. Het lijkt soms alsof men denkt, dat aan den eenen kant stond een schrikkelijk, streng-rechtvaardig Rechter, en aan den anderen kant Christus als de Borg, de vertegenwoordiger van Zijn Kerk. Maar het is niet zoo, dat Christus door Zijn zoenoffer den Vader tot genade moest brengen of vermurwen. Neen, Christus is ons van God gegeven. Hij is het Lam, dat de Heere Zichzelf ten brandoffer zou voorzien. De Vader gaf den Zoon, zoodat Christus ook tot Nicodemus zeide : „Alzoo lief had God de wereld, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft " Dus God gaf Zijn Zoon, omdat Hij ons alzoo lief had !
Daarom, de Vader staat aan den kant van den Zoon, dus aan den kant van den zondaar, voor wien de Zoon het opneeme. Om ons wil de Vader dat de drinkbeker niet voorbijgaat, maar dat de verlossing worde teweeggebracht, en daarom zond de Vader een engel om den Zoon daarvan te verzekeren en daartoe te sterken.
Reeds tevoren, in de opperzaal of op den weg naar Gethsemané, had de Heere Jezus het Zijnen discipelen voorzegd : „Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij Mij alleen zult laten. En nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij". (Joh. 16 VS. 32). Dat had Christus gezegd, wetend dat Zijn ure gekomen was en toch: „Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij"! De Vader is met Mij, alles leek dat woord te weerleggen, en toch de Vader is met Mij, want een engel uit den hemel versterkte den Heere in den hof, niet om de drinkbeker weg te nemen, maar om den Zoon te versterken, opdat Hij den drinkbeker zou drinken, gewillig, wetend dat zoo alleen de wil des Vaders geschiedde.
Zoo is Christus versterkt, om te gaan, m.a.w. om voortgedreven te worden naar het kruis der verlatenheid, om den vloek te ondergaan, om ons te verlossen. Maar werpt dit geen fel licht op de diepte van het kruis. „De Vader is met Mij", dat gold ook aan het kruis, en toch verlaten, volkomen verlaten, drie uren aaneen !
Moeten we hier „niet aanbiddend stil staan ? „De Vader is met Mij", dus Christus was de geliefde Zoon des Vaders ook aan het vloekhout; op gevaar af van al te menschelijk te spreken, zeggen we : het Vaderhart brandde voor dien Zoon, dien Geliefde, in denwelken de Vader een welbehagen had, en toch moest de Zoon de gramschap dragen tot in de helsche verlatenheid toe. Maar die verlatenheid droeg Hij niet om Zichzelf, maar om onzentwil. De Geliefde Zoon werd verstooten en verlaten, omdat Hij het voor zondaren opgenomen heeft, omdat Hij zonde voor ons gemaakt is.
Zoo predikt de engel uit den hemel, die door Christus gezien werd, ons, dat God den Zoon gesterkt heeft tot 'het kruis. Dus, de worsteling in den hof doet ons zien, dat God Drieëenig, Vader, Zoon en Heilige Geest, samen één doel voor oogen hadden, n.l. de verlossing, de zaligheid van Zijn Kerk, verkoren en geroepen ten eeuwigen leven. God waakte en bereidde het offer voor, terwijl de discipelen sliepen, want hunne oogen waren bezwaard. Wat een ondoorgrondelijke genade! Wij hebben God op het hoogst misdaan, wij tergen Hem met onze zonden, wij vermoeien Hem met onze ongerechtigheden, maar het heeft den Heere niet weerhouden Zijn Zoon ten schuldoffer te geven ; het heeft Christus niet weerhouden om voor onze zonden den vloek te dragen. De Zoon volbracht Zijn werk in den hof en aan het kruis, toen de discipelen sliepen. Hem verlaten, ja, zelfs verloochend hadden. Wanneer de discipelen aan het kruis gestaan hebben met Johannes en Maria, dan heeft ook over hun hoofden geklonken: „Het is volbracht" en.... zij stonden er als slapers, verlaters, verloochenaren! Is dat wonder ons niet tot grooten troost temidden van al onze schuld en al onze ellendigheden ? Het roept ons toe, om niet in de zonde te blijven liggen, maar ook niet aan Gods genade te vertwijfelen, omdat in Christus zoo groote genade geschonken is. De Vader, Die den Zoon versterkte, heeft de zonde op Hem gelegd, omdat Hij ons genadig wilde zijn. Als den Heere er zooveel aan gelegen was, dat er verlossing bereid zou worden, dan wil en zal Hij ook verlossen allen, die door Christus tot God gaan. Dan zal Hij redden, overeenkomstig Zijn eigen belofte.. den nooddruftige, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft. (Psalm 72 vs. 12).

Barneveld, H. Batelaan

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's