De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

10 minuten leestijd

IGNATIUS.
Aan de Christenen uit de heidenen is de toekomst geweest. Na de val van Jeruzalem in het jaar 70 verliezen de Christenen uit de Joden alle invloed op de ontwikkeling van de Kerk. Maar daarom verdient wei des te meer onze aandacht de scheiding, die er groeide tusschen deze Christenen uit de heidenen en Paulus.
We moeten nu Paulus verlaten en de ontwikkeling der Christelijke Kerk volgen, maar onderwijl zullen wij Paulus van verre in het oog houden om ons er goed rekenschap van te geven dat die afstand innerlijk steeds grooter wordt. Dit neemt niet weg, dat uiterlijk de eenheid met Paulus door de Kerk tot in het overdrevene werd geroemd. Maar dit spoort ons juist aan tot dubbele waakzaamheid. Het spreekt vanzelf dat het onmogelijk is in het bestek van deze artikelen een ook maar eenigszins volledige voorstelling te geven van het leven der Kerk na Paulus' dood. Waar, door Paulus' werkzaamheid vooral, het Christendom verbreid was over de heele toenmaals bekende wereld, zou het getuigen van weinig historische zin, dit geheel onder één beoordeeling saam te vatten. Maar één ding helpt ons. Vragen wij waar het zwaartepunt ligt van de Kerk in de eerste eeuw na Paulus, dan zal geen kerkhistoricus 't ons euvel duiden als we dit Klein-Azië noemen. Daarop richten we dan ook onze blik in 't bizonder. En ook zullen niet velen het ons kwalijk nemen als wij de waarde van deze Klein-Aziatische ontwikkeling trachten aanschouwelijk te maken aan de twee uiterste polen, die wij daarin zien, n.l. Ignatius en Montanus.
Staan we dan deze keer voornamelijk stil bij Ignatius.
Een bizonder belang hebben we er bij om ons bezig te houden met Ignatius. Niet alleen omdat we van hem het allermeeste weten en wij zoo bij hem de minste kans hebben hem dingen toe te dichten, die hij niet bedoelt. Maar door twee dingen is hij voor ons van beteekenis, n.l. dat hij bisschop van Antiochië was en tevens een meer dan gewone bewonderaar van Paulus.
Als we nu bedenken, dat het juist in Antiochië was, waar het probleem van de Geestesdoop eertijds voor Paulus acuut werd, dan maakt ons ook die bewondering voor Paulus, vooral op dezen historischen bodem, nieuwsgierig.
Wat wij van Ignatius weten, weten wij voornamelijk uit zijn brieven, die hij geschreven heeft op een merkwaardige reis. Omstreeks 110 na Chr. is hij n.l. op weg naar Rome om daar de marteldood te sterven. Dit zou natuurlijk op zichzelf niet zoo bizonder zijn, daar er later zoovelen de marteldood gestorven zijn, als Ignatius niet nadrukkelijk en met klem er telkens op wijst, dat deze marteldood een vrijwillige dood is. Hij heeft er zelf om gevraagd om voor de leeuwen geworpen te worden en ook heeft hij om deze bizondere gunst gevraagd, om die reis naar Rome over land te mogen maken, om daarin de zendingsreis van Paulus zooveel mogelijk na te bootsen. Evenals Paulus, schrijft hij nu aan verschillende gemeenten herderlijke brieven en zijn brieven wemelen van aanhalingen uit die van Paulus, wat ons bev/ijst de groote vereering, die hij voor Paulus gevoelde. Het is dan ook geen wonder, dat zijn grootste doel is Paulus in leven en sterven na te volgen. Zijn brieven zijn in een overspannen pathos geschreven, met veelvuldige, niet al te gelukkig gekozen beelden. Vooral zijn brief aan de Romeinen is geschreven in een overspannen opgewondenheid. Hij hunkert er naar de leeuwen te ontmoeten en door hen verscheurd te worden. „Ik verheug mij op de wilde beesten" — zegt hij daarin — „en ik hoop dat ze honger zullen hebben; lokken zal ik ze ; als ze hem, die zelf wil, niet willen, dan zal ik ze dwingen".
Dit doet ons, nuchtere Hollanders, wel zeer zonderling aan. Maar toch moeten we tegelijk bedenken, dat hier een man spreekt, vervuld van een diepe vroomheid, die juist ook in deze brief aan zijn woorden een geweldige kracht kan geven, 't Is niet enkel sentimentaliteit, maar hierachter spreekt een hartstochtelijke vraag. Want terstond na voorgaande aanhaling vervolgt hij: „Vergeef mij, ik weet wat goed voor mij is. Nu begin ik eindelijk een discipel te worden. Niets mag ik benijden van het zichtbare of onzichtbare, opdat ik tot Christus kome". Hij is zeer beangst dat de gemeente in Rome hem afraden zal om de martelaarsdood te sterven en daarom schrijft hij hen vóórdat hij komt: „Ik vrees voor uw liefde, dat die mij schade zou kunnen toebrengen. Voor u is het licht te doen wat gij wilt,
maar voor mij is het moeilijk tot God te geraken, indien gij mij niet'; verschoont. Doch ik wil niet, dat gij menschen zoekt aangenaam te zijn, maar Gode, zooals gij hem aangenaam zijt. Nooit zou ik weer zulk een gelegenheid hebben, om tot God te komen".
Wat spreekt hier nu uit deze hartstochtelijke begeerte naar de martelaarsdood? Twee dingen worden duidelijk met het oog op ons onderwerp : ten 1ste, dat we hier te doen hebben met een eerlijk en ernstig man, die niet meer ten volle gerust kan zijn op zijn doop als Geestesdoop, doch die doop wil bevestigen in den bloeddoop en daar dan ook vast op vertrouwt. Ten 2de, dat hier volkomen is losgelaten de uiteindelijke inhoud van Paulus' leven, n.l. dat de rechtvaardige door het geloof zal leven.
Zeker, hoog boven de zorgeloosheid der Corinthers en het meerendeel der Grieken, die rusten in hun Geestesdoop, rijst deze nobele, innerlijk onrustige figuur. Maar ook hij klemt zich vast aan de Geestesdoop, alleen nu krachtdadiger en meer afdoende begeerd in zijn eigen bloed. Zoo ergens, dan wordt toch wel hier het groote verschil met Paulus openbaar, die, naarmate hij dieper tot zichzelf inkeerde, zei: „Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren!" Och, uiterlijk wilde Ignatius dit Paulus wel nazeggen, maar als hij dieper tot zichzelf daarmee indrong, werd zijn onrust grooter en haast naar de voleinding dreef hem voort. Want Paulus had zijn zekerheid uit God, doch Ignatius ontving zijn zekerheid uit het doopzegel, en omdat dit zoo verflauwde in de zonde-werkelijkheid, hunkerde hij er naar om met zijn eigen bloed het teeken des kruises weer duidelijk te maken op zijn schuldige ziel. Weliswaar zullen we bij Ignatius nergens deze argumentatie vanuit de Geestesdoop lezen, doch hoewel dan ook Ignatius zelf weinig met opzet spreekt over de Geestesdoop, berust dit bovengelegde verband toch niet enkel op constructie, maar het lijkt mij de eenig mogelijke verklaring van de hunkering naar de marteldood. Deze verklaring echter zou moeilijk te verdedigen zijn, indien deze practisch persoonlijke handhaving van de Geestesdoop in de bloeddoop niet gepaard ging met een theoretische algemeene handhaving daarvan in de beklemtoning van het bisschoppelijk gezag. Velen hebben er verwonderd over gestaan in de brieven van dezen, tot de dood geneigde Ignatius tevens zoo'n krachtige propaganda te vinden voor de erkenning van de kerkelijke overheid. Maar hierin ligt allerminst een tegenstelling, als wij in beiden zien de strijd om de Geestesdoop te handhaven in een zondige werkelijkheid. Ook uit dit omhoog steken van de bisschoppen en diakenen als bizonder heilige mannen, spreekt de heimelijke erkenning, dat lang niet elke gedoopte een heilige is, doch maar enkelen zich die naam waardig toonen. De practijk van het leven leerde wel, hoe doorgaans bij de gewone gemeenteleden zelfs geen zweem van heiligheid overbleef. Maar inplaats van daardoor dieper ingeleid te worden in de rechtvaardiging door het geloof, gooide de Grieksche geest het op een accoordje met de Geestesdoop. Hier werd voor 't eerst geboren het onderscheid tusschen leeken en „geestelijken", zooals het nu nog geldt in de R.K. Kerk. Niet meer alle gemeenteleden gelden als de bezitters van de goddelijke Geest in den volsten zin, maar enkele uitblinkers. Bij Ignatius is dat nog niet systematisch uitgewerkt, maar toch spreekt hij voortdurend in dezen geest, zooals wij dat in zijn brief aan de gemeente te Tralies lezen: „Noodwendig nu is, dat gij niets doet zonder de opziener, maar onderdanig zijt aan de ouderlingen [presbyters, ons woord priesters] als aan de apostelen van Jezus Christus, onze hoop, in Wien wandelend wij gevonden zullen worden. Maar ook zij, die diakenen zijn van het geheimnis van Jezus Christus, moeten zich aan ieder aangenaam maken, want zij zijn niet diakenen voor spijs en drank, maar dienaren van de Kerk van Christus. Evenzoo moeten allen de diakenen achten als Jezus Christus, en de opziener als een afbeelding des Vaders, doch de ouderlingen als Gods raadsverzameling en de apostelvergadering. Gescheiden van deze is er geen Kerk". Wij kunnen dit nu niet nader ontwikkelen, doch alleen zij opgemerkt, dat deze eerste concessie aan de werkelijkheid met vasthouden aan de Geestesdoop het begin is geworden van een eindeloos geharrewar, waarbij, daar de zonde steeds toenam, aan steeds minder gedoopten de waarachtigheid van de Geestesdoop werd toegekend, doch deze weinige ook in steeds hoogere sfeer van heiligheid werden gezien. Tenslotte zou de Kerk er toe komen, om aan deze „geestelijken" het bijzondere sacrament der priesterwijding toe te dienen.
In Ignatius nu, de martelaar en de bisschop, zien we voorspeld de ontwikkeling van de Christelijke Kerk. Ruim twee eeuwen zullen eerst nog de martelaars en de bisschoppen er over strijden, wie van hen beide nu de ware „geestelijken" zijn, tot eindelijk de bisschoppen het winnen. Doch dit behoeft in ieder geval geen betoog, dat hier de geheele Kerk voortborduurt op 't stramien van de Grieksche geest, die ondanks alle droeve teleurstelling van zonde en dood, optimistisch zich zelf verzekert : „Wij zijn van Gods geslacht!" En daarom juist blijft de Geestes-doop in ieder geval mogelijk, al wordt de openbaring ervan ingeperkt tot op enkelen. Geen opstandige zondaren ziet Ignatius in zijn mede-Christenen, hoogstens nog niet geheel volmaakte kinderen Gods. Zoo is zijn vermaning zoet en krachteloos zonder huivering voor het oordeel Gods. „Zelfs het vleeschelijke dat gij doet is geestelijk", zegt hij in zijn Ephezebrief, „want gij doet alles in Jezus Christus Steenen zijt gij voor de tempel des Vaders, toebereid voor het huis Gods des Vaders, opgetrokken in de hoogte door de hijschmachine (sic !) van Jezus Christus, dat is zijn kruis, door middel van het touw des Heiligen Geestes. Uw geloof is uw geleide, de liefde de weg die tot God voert. Zoo zijt gij nu ook allen reisgenooten, Goddragers [de bijnaam die Ignatius zichzelf altijd geeft aan de aanhef van zijn brieven] tempeldragers, Christusdragers, heilige dragers, in alles versierd met de geboden van Jezus Christus. Ik jubel over u, dat ik verwaardigd ben schriftelijk tot u te spreken en mij daarin te verheugen, dat gij in uw geheele leven niets liefhebt dan God alleen"
Leg hier nu eens naast de Ephezebrief van Paulus en het zal duidelijk zijn, hoe, ondanks alle vurig nagestreefde uiterlijke nabootsing van Paulus, de martelaar te Rome van omstreeks 68 na Chr., er innerlijk een diepe kloof was tusschen hem en Ignatius, de martelaar te Rome van omstreeks 110 na Chr. Uiterlijk aanbeden, werd de stem van Paulus innerlijk als van een roepende in de woestijn. Het heilige in de mensch werd het fundament van de Kerk, inplaats van de eenige hoeksteen Jezus Christus. Inplaats van uit te groeien tot gemeenschap des geloofs, werd de Kerk tot een goddelijk heilsinstituut op aarde. Wel kwam hier tegelijk een felle reactie tegen, onder leiding van Montanus. Maar we dienen wel nauwkeurig na te gaan of ons daarin werkelijk iets wezenlijk anders wordt aangeboden.
Laten we daar dan de volgende keer bij stil staan.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Geestesdoop in de oudste Christengemeente.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's