MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Dit was zijn ondervinding en gaf tevens ook rust aan 't hart. Ook zij had dit leeren verstaan. Wonderlijk. In vroeger dagen sprak zij altijd van dit of dat te zullen doen en liep zij soms jaren vooruit. Maar sinds het heengaan van haar man, hetgeen zulk een streep door haar rekening gehaald had, werd dit .geheel anders. Zij gevoelde de noodzakelijkheid van dat: „Zoo de Heere wil en wij leven" en de waarheid van het versje :
Gij hebt, o albestierend Koning, De plaats bestemd voor ieders woning ; Den kring, waarin hij werken moet.
Vandaar, dat er meer berusting in haar leven kwam en meer overgave, al bleef daar nog veel, dat boven haar bevatting ging. Wat hinderde haar nu bij dit gevoelen de haat der menschen of de afgunst der geburinnen. Neen, Klaske, tevergeefs tracht gij door uw hatelijken lach en loerenden blik den toorn van buurvrouw Kalma op te wekken. Zij ziet u niet en hoort u niet, omdat haar gedachten bij gansch andere dingen bepaald worden. Wat kan ten slotte een nietig mensch haar doen, zoo God, haar hulp en schild wil zijn ! Op den kalender, dien Murk had mee gebracht, stond als dagtekst: „Die ook Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar heeft Hem voor Wis allen overgegeven ; hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ? " O, welk een rijkdom van beloften. Alle dingen !
Waar bekommerde zij zich nog over ? Die het meeste gaf, hoe zou Hij niet voor het mindere zorgen ? Had Hij het tot hiertoe gedaan ? Zou Hij het ook niet verder doen ? Wat gaf het geloof dengenen, die het bezaten, toch een kracht voor het leven. Zoo langzamerhand begon zij die blijde gemoedsstemming van Murk te begrijpen, die hem, zoo lang zij hem kende, nog nooit begeven had en heel iets anders was dan die holle vreugde der wereld, waarmede velen zich tevreden stelden. Was het niet reeds alsof iets daarvan op haar eigen leven overging, zoodat ook zij met meer overgave haar heden en. toekomst kon stellen in de hand Gods. Dien zij vroeger niet kende en nu niet gaarne zou willen missen ?
Kon zij Pleuntje maar eens te spreken krijgen. Zij zou haar willen vertellen welk een verandering hier had plaats gegrepen, sinds Murk bij haar zijn intrek had genomen.
Temidden van haar overpeinzingen klonk plotseling een luide gil, gevolgd door een smartelijk gekerm. In een oogwenk repte alles zich naar buiten, om te zien wat er gebeurd was. Ook vrouw Kalma snelde met verschrikt gelaat haar huis uit. 't Angstgeschrei kwam uit de woning van Gelske en elk herkende haar stem. Niemand scheen echter den moed te hebben naar binnen te gaan, uit vrees voor iets verschrikkelijks.
Toen verzamelde de weduwe al haar durf, al knikten haar de knieën en opende met bevende hand de deur van haar buurvrouw. Daar lag Gelske, rechtuit op den vloer, met een koperen gootling naast zich, welks kokende inhoud haar eene been deerlijk verbrand en ook verder overal haar lichaam had verwond.
De oorzaak was eenvoudig. Het gesprek met buurvrouw Klaske had haar opgehouden. Vlug zou nu de arbeid weer hervat en de schade ingehaald. Op een drafje was zij naar binnen geloopen, waar haar waschwater op het fornuis stond te koken. Met een handige beweging had zij het zware gootling willen optillen om de tobbe by te vullen. Daarbij was zij uitgegleden, zij wist zelf niet te vertellen hoe, en had zoo den stroom water over haar lichaam gekregen.
't Was een vreeselijke aanblik. De keuken dreef en dat was niet het ergste, maar de buurvrouw lag daar in hulpeloozen toestand, krimpend van pijn. Hier moest geholpen worden, maar hoe. De man van Gelske bevond zich op het veld en de kinderen waren naar school.
Met groote vaardigheid greep vrouw Kalma in, om erger te voorkomen en eenige verzachting aan te brengen, 't Was, alsof Gelske ervan schrok, toen zij haar zag.
„De dokter moet komen, buurvrouw; zal ik maar even iemand sturen ? " vroeg de weduwe na de eerste hulp. En zonder het antwoord, af te wachten, snelde zij naar buiten, waar Klaske anderen druk aan het verhalen was, hoe zij voor een paar minuten nog met Gelske had staan praten.
„Hoe lijkt het? " vroeg Klaske.
„Hier moet aanstonds hulp gehaald. Wie van ons zou het hardst om den dokter kunnen loopen ? "
En toen daarop de eene buurvrouw naar de andere keek, liep vrouw Kalma zoo hard zij kon zélf de straat uit, om te doen wat noodig was.
Verwonderd keken de buurvrouwen haar na. Dat hadden zij niet gedacht. Moesten zij zich niet schamen ? En dat vrouw Kalma hier moest ingrijpen, nadat men zoo juist haar nog op allerlei wijze belasterd had, waartoe Gelske nog wel de aanleiding had gegeven. Dat was toch iets vreemds, waar men niet bij kon. Er moest met haar iets gebeurd zijn, want vroeger zou zij zich onmogelijk tot zóó iets hebben laten leenen.
„'k Wil toch weten, hoe het met buurvrouw is" — zei Klaske, en ging naar binnen. Kreunend van pijn zat Gelske op een stoel, vooral het linkerbeen was overdekt met brandwonden.
„Foei, buurvouw, wat is dat een naar geval", klaagde Klaske en keek met afschuw naar de pijnlijke plekken. , Hoe kwam dat zoo ? "
„Wat duurt dat lang met den dokter", klaagde Gelske en keek het venster uit, zonder op de vraag van Klaske te antwoorden. „Is er niemand, die den dokter even wil halen ? "
„Zij, hiernaast, is al op stap gegaan", klonk 't eenigszins spijtig.
„Vrouw Kalma ? En wij hadden haar juist over den hekel gehaald ? " zei Gelske somber.
„Zal ik een kouden doek op je been leggen ? "
„Neen ; we kunnen niet weten of dat wel goed is. Kwam de dokter maar".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's