De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGEN BUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN BUS

3 minuten leestijd

Vraag : Was er in de eerste christengemeenten gemeenschap van goederen en was er dus geen persoonlijk eigendom van bezittingen ?
Antwoord: In de eerste christengemeenten had ieder z'n eigen bezit en bleef daar recht op houden, was daar eigenaar van. God, Die ieder het zijne geeft, geeft recht op het verkregen eigendom en wil dat ook ieders eigendom en bezit zal geëerbiedigd en beschermd worden. De een mag niet wederrechtelijk wegnemen of naar zich toehalen wat des anderen is ! Dat heeft God nooit gewild en dat wilde God ook niet in de eerste christengemeenten.
Wat er dan wel was in de eerste christengemeenten ? Dat lezen we in Hand. 2 en 4. Er was een zóó heerlijke geestelijke gemeenschap met God, in Christus, door den Heiligen Geest en een zóó Innig geestelijk samenleven der geloovigen, dat ieder wel het recht had en hield op z'n privaat bezit en persoonlijk eigendom, maar dat er een gemeenschappelijk gebruik kwam onder de broeders en zusters, naardat ieder van noode had. Het roerend en onroerend goed (geld, huis, akker enz.) bleef wel aan een bepaalde eigenaar, maar deze stelde uit geestelijk beginsel in innige samenleving des geloofs met de broeders en zusters der gemeente, een grooter of kleiner deel van het zijne in dienst der gemeenschap tot gemeenschappelijk gebruik. 'Er was dus niet een gemeenschappelijk bezit zooals het Communisme wil), maar naar ieders nood of behoefte werd aan ieder, die gebrek had, uitgedeeld (Hand. 2:45). Nergens staat, dat het Gods bevel en der Apostelen gebod was : niemand mag persoonlijk eigendom, bezit, geld, huis, akker enz. hebben. Maar door innige geloofsgemeenschap dacht een ieder, die wat bezat, aan den ander, die gebrek had, in liefde.
Lang heeft deze ideale toestand van de geestelijk hoogstaande eerste gemeenten niet geduurd. Al spoedig krijgen we de instelling van het diakenambt, opdat de diakenen van de rijkeren de gaven zouden in ontvangst nemen, om die aan de armeren (zieken en gezonden) uit te deelen. Nooit leeren de diakenen dan, dat er geen privaat bezit, geen persoonlijk eigendom in geld, huizen, akkers enz. bij de christenen mag zijn. Wel, dat de meer bevoorrechten in liefde zullen gedenken aan de minder bevoorrechte leden der gemeente, de huisgenooten des geloofs.
We lezen ook al spoedig, dat Paulus voor de moedergemeente Jeruzalem de hulp moet inroepen van de andere gemeenten en hij verheugt zich als de collecte voor de geloovigen te Jeruzalem gehouden wordt.
De verdedigers van het afschaffen van privaat bezit en particuliere eigendom (door God Zelf in Zijn wet gewaarborgd in het 8ste gebod) die zich zoo graag beroepen op Hand. 2 en 4 (2 : 44—45 en 4 : 32—35) vergeten : 1. de geestelijke gemeenschap der geloovigen ging voorop ; 2. het was geen gedwongen gemeenschap, maar christelijke vrijheid ; 3. het was geen gemeenschap van bezit, (want ieder had recht op het zijne) maar gemeenschap van gebruik, waarbij door de rijkeren gegeven werd, om aan de minder bedeelden ondersteuning te geven (diakenambt).
De Gemeente van Christus is dan ook vóór privaat bezit en particuliere eigendom, naar de mate dat de Heere geeft aan den een en geeft aan den ander; maar de Gemeente van Christus moet er naar staan, om, door de liefde van Christus, te helpen en bij te staan allen, die hulp van noode hebben, wetende dat we elkanders leden zijn. Voor deze geloofsgemeenschap en voor dit liefdebetoon is in de Gemeente des Heer en het geestelijk ambt van diaken, vanouds ingesteld (Hand. 7) en tot op dit oogenblik in stand gebleven, om het priesterlijk ambt met betooning van barmhartigheid en zorgende liefde te vervullen in den naam en in de kracht van het Hoofd der Gemeente, Jezus Christus, onzen Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGEN BUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's