STAAT EN MAATSCHAPPIJ
VERKEERD GESPRONGEN
In ons artikel „Rumor in casa" van de vorige week, werd de aandacht gevestigd op de groote ongerustheid, die met betrekking tot de concentratie bij de voorstanders van het Openbaar Onderwijs heerscht. Wij namen toen tevens een schrijven op van het Hoofdbestuur van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap, waarin mededeeling gedaan wordt van de actie van dit Hoofdbestuur tot keering van het gevaar van opheffing der kleine schooltjes bij dit onderwijs.
Het Hoofdbestuur kon — zoo schreef Het Schoolblad — voor het oogenblik met zijn werkzaamheden niet verder gaan omdat diende afgewacht te worden of de Regeering het ontwerp van wet, dat de. Staatscommissie inzake de concentratie bij haar Rapport had gevoegd, onveranderd dan wel gewijzigd bij de Tweede Kamer zou indienen.
Intusschen heeft de Regeering bij Koninklijke Boodschap van 24 Februari dezer dagen een wijziging van de Lager-Onderwijswet 1920 met betrekking tot de beperking van stichting van scholen bij de Volksvertegenwoordiging ingediend, welke wijziging overeenstemt met het ontwerp van wet der Staatscommissie, behoudens enkele aanvullingen van formeelen aard.
Met groote belangstelling zal thans een ieder, die de gang van zaken bij de Onderwijswetgeving volgt, afwachten, welke houding de voorstanders der Openbare School tegenover het Regeeringsvoorstel zullen innemen, temeer, waar wij in ons artikel van de vorige week reeds schreven, dat het Rapport der Staatscommissie benevens het door die Commissie ingediende ontwerp van wet, ook met de stemmen van Vrijzinnigen en Sociaal-Democraten werd vastgesteld.
Zooals wij de zaak zien, zullen de voorstanders der Openbare School weinig plezier beleven van den aandrang, die zij destijds bij de behandeling van de bekende § 12 van het ontwerp van wet tot verlaging van de uitgaven voor het onderwijs, op de Regeering uitoefenden, om aan het verzet der rechterzijde van de Tweede Kamer tegen de opheffing van Bijzondere Scholen zonder meer niet toe te geven.
Immers leidde juist die aandrang tot het instellen der Staatscommissie.
De bom sprong hier naar den verkeerden kant.
Voor de voorstanders der Bijzondere School is intusschen van het meeste belang, wat de ingediende wijziging van de Lager-Onderwijswet 1920 bepaalt ten opzichte van de dispensatie-bevoegdheid, inhoudende de regeling voor de vrijstelling, welke met betrekking tot het behoud der jaarlijksche vergoedingen van Bijzondere Scholen en de instandhouding van Openbare Scholen zal worden verleend voor bestaande scholen, wier leerlingental beneden de nieuwe minima (de verhooging van 't tegenwoordige aantal leerlingen met een vierde) daalt.
Zooals men zich herinneren zal, ging op 20 December 1935 bij de openbare beraadslagingen in de Tweede Kamer bij het onderdeel van het groote bezuinigingsontwerp, het onderwijs, het verzet der rechterzijde voornamelijk tegen het voorschrift, dat de Minister, den Onderwijsraad gehoord, in bijzondere gevallen, op verzoek van het Schoolbestuur kon bepalen, dat de school voor vergoeding in aanmerking kon komen. In normale gevallen zou dus de subsidie verloren gaan, met het gevolg, dat de school zou moeten worden opgeheven. Voorts achtte men 't niet gewenscht, de aanspraak op vergoeding in de bijzondere gevallen afhankelijk te stellen van het subjectieve inzicht van den juist aan het bewind zijnden Minister, terwijl het stellen der Lager-Onderwijswet meebrengt, dat de voorwaarden, waaraan het recht op vergoeding is gebonden, als objectieve normen in de wet zelve worden neergelegd.
Aan deze bezwaren komt nu het ingediende ontwerp van wet in belangrijke mate tegemoet, doordat bepaald wordt, dat de vergoeding behouden blijft, indien ten minste een zeker aantal der leerlingen eener Bijzondere School, welke beneden de nieuwe normen (leerlingenschaal) blijft, binnen een zekeren afstand van hun woning elders het door hun ouders, voogden of verzorgers gewenschte onderwijs niet kunnen genieten. Het aantal is gesteld op 25, zoodat de mogelijkheid wordt open gehouden om bij 25 leerlingen de school nog de jaarlijksche vergoeding toe te kennen.
Met deze bepaling zijn dus de bezwaren weggenomen, die op 20 December 1935 de rechterzijde weerhield om op het stuk van het onderwijs met de bezuinigingsvoorstellen der Regeering mee te gaan.
De voorstanders van het Bijzonder Onderwijs kunnen alzoo tevreden zijn.
De Vrijzinnigen en Sociaal-Democraten, die op 20 December de ruiten van de Openbare School ingooiden, moeten nu maar zien hoe zij 't verder met hun 650 kleine schooltjes bolwerken.
De bom sprong (gelijk wij zeiden) naar den verkeerden kant.
Het Bijzonder Onderwijs zorgde er wel voor, dat zijn scholen, wat het leerlingen-tal betreft, ver boven de dwergschooltjes van het Openbaar Onderwijs uitkwamen.
En daarmede toonden zij de schatkist niet op onnoodig hooge kosten te jagen.
Tot bezuiniging op de onderwijsuitgaven zijn de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs gaarne bereid mede te werken.
Doch die bezuiniging is te verkrijgen, wanneer het Openbaar Onderwijs niet bevoorrecht wordt boven het Bijzonder Onderwijs.
In die richting doet het ingediende ontwerp van wet een stap vooruit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's