KERKELIJKE RONDSCHOUW
Ds. J. GOSLINGA
Zelf heeft hij gewild, dat de dag onopgemerkt zou voorbijgaan. Dan moet men dat ook doen. Want niemand heeft het recht tegen de uitdrukkelijke wensch van een jubilaris in te gaan. Maar het zij ons hier vergund om ons Hoofdbestuurslid, die mocht gedenken nu 25 jaar als predikant te Utrecht te hebben gewerkt, van harte geluk te wenschen, hem en zijn gezin, met de wensch en bede, dat de Heere hem nog jaren mag sparen voor de zijnen, voor zijn Gemeente en — niet minder voor onzen Geref. Bond, waar hij onze volijverige Penningmeester is, aan wien onze Bond zooveel te danken heeft. Bij de stille, innige dank aan den Heere bij den jubilaris gevonden, onze stille, oprecht gemeende gelukwensch ! Psalm 134 : 3.
DE KONINGEN DER AARDE EN DE KONING VAN SION
Opvallend is het, dat in de 12 geloofsartikelen, naar der Apostelen leer opgesteld, heel het leven van den Heiland, Sions Koning, wordt saamgeperst in dat ééne woord: lijden! Lijden is Zijn leven geweest. En het leven van Christus' Kerk zal ook moeten worden saamgevat in dat ééne: lijden !
En dan wordt in de Apostolische Geloofsbelijdenis dat lijden van den Heiland nader omschreven met deze woorden: „Die geleden heeft onder Pontius Pilatus" (als de komma althans niet achter geleden moet staan en er dus niet gelezen moet worden — zooals men wel zegt — „Die geleden heeft, onder Pontius Pilatus is gekruisigd enz.)
Het lijden wordt hier saamgevat als komend van de Overheid. Van de Overheid, vertegenwoordigd in Pontius Pilatus, den wereldlijken rechter, die daar zit in den naam van den Keizer, die bij monde van Domitianus zich later niet meer of minder zelf God noemt.
Eerst werd de Keizer door de menschen God geheeten. „God" Augustus !
En voor dien „God" moest wierook worden geplengd, zijn borstbeeld moest goddelijke eer worden bewezen.
Maar dan gaat Domitianus nog verder. Als deze rijksgroote zich de Keizer der volkeren weet, dan begint hij zijn brieven met de woorden : „Onze god Domitianus beveelt", enz.
Zoo staat in Pilatus „god" tegenover God. De Overheid tegenover Christus. De volkeren macht tegenover Sions Koning.
Zoo was het — en zoo is het.
Zie maar naar Duitschland, ook bij den Kerkstrijd die er geweest is en bij den Kerkstrijd, die nu bezig is zich te ontwikkelen.
In den naam van de Overheid zal Sions Koning op de mond geslagen worden ; gehoond ; veracht ; gevloekt.
Aan het kruis met Hem !
En den Keizer zal dan wierook worden geboden !
In Psalm 2 lezen we dat. In de Evangeliën lezen we hetzelfde. De jongste geschiedenis herhaalt het droeve feit met verschrikkelijke werkelijkheid : de Overheden verzetten zich in vijandschap tegen den Gezalfde.
En toch is Jezus Christus, Sions Koning, de Koning der koningen.
Wel is Zijn Koninkrijk niet van deze wereld. Maar Hij is toch een Koning en Zijn Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk.
Boven het kruis staat het zelfs, dat Hij een Koning is. In alle talen is het geschreven, voor alle volkeren.
„Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn", roept, bidt, vraagt de moordenaar. En zalig de ziel, die het alzoo mag zien, gelooven en belijden.
Neen, de moordenaar heeft zich niet vergist.
Pilatus heeft zich vergist.
„En onze Koning is van Is reis God gegeven !"
ARTlKEL 36
Art. 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis is een stuk van de geloofsbelijdenis der Kerk in dezen lande, 't Is geen artikel van een politiek program, bij geen enkele politieke partij, maar een geloofsartikel der Kerk, handelend over : de Overheid in verhouding tot de religie en de Kerk.
't Is nu wel gebleken, dat het voor geen enkele politieke partij gemakkelijk is precies te zeggen, wat Art. 36 voor de regeering des lands en de raadslieden van de Kroon zegt en leert. Wat ook wel niemand, die ernst met deze dingen maakt, verwonderen zal. Toch zijn er menschen, — vooral degenen die niet de verantwoordelijkheid dragen om zelf te moeten regeeren en Art. 36 in de practijk in toepassing te moeten brengen — die het precies weten en het precies weten te zeggen hoe 't moet.
't Is pas gebleken, dat de Staatkundig Gereformeerde Partij (S.G.P.) het weet. Want tegenover anderen, die anders wilden, heeft de S.G.P. gezegd: Zoó is het en niet anders! En dan moet het zijn : in Nederland mag geen godsdienstvrijheid zijn I
We zijn er even van geschrokken. Maar ja, het was te verwachten, dat dat antwoord en die eisch komen zou. Want men heeft het altijd wel laten voelen, dat het die kant uit moet : in Nederland mag geen godsdienstvrijheid zijn! Wel consciëntievrijheid — voor ieder persoonlijk en dan in stilte. Maar geen godsdienstvrijheid — voor geen enkele gemeenschap, welke ook, dan alleen voor die Kerk, welke de Staat duldt en de Overheid goed keurt !
Zoo iets leert men nu in 1937 in Nederland !
Maar 't ergste is, dat de S.G.P. zelf nooit heeft kunnen zeggen, wat Art. 36 nu eigenlijk beteekent. Want in 1924 — dus 12 jaar geleden ! — is er een Commissie benoemd, om studie te maken van Art. 36 en rapport aan de Partij uit te brengen, opdat de Algemeene Vergadering zou uitmaken wat men overeenkomstig Art. 36 zou vaststellen voor de politiek ; maar ziet, er zijn 12 jaren voorbij gegaan en het rapport is nog steeds niet verschenen. Waarvan de oorzaak te zoeken is in het feit: dat men de moeilijke stof niet de baas kan en dat men het zelf niet weet!
Een vergadering kan zoo gemakkelijk een motie aanvaarden of een besluit aannemen, maar de uitvoering valt dan dikwijls o! zoo moeilijk, ja, blijkt niet zelden onmogelijk !
Dat zegt ds. Kersten zelf in verband met de kwestie van Art. 36. Want hij zei op de Algemeene Vergadering van de Staatkundig Gereformeerde Partij:
„Zoo gemakkelijk echter kan eene vergadering tot het besluit komen, zich door commissoriaal onderzoek te doen voorlichten in gewichtvolle zaken ; de wenschelijkheid dieper in zicht te verkrijgen in den door God gestelden eisch, en te geraken tot oplossing van machtige problemen, draagt het hare bij tot het vormen van een Commissie. Doch de met den last beladen personen gevoelen maar al te zeer, en bijzonder wanneer zij aan den arbeid tijgen, het te veel omvattende van de opgelegde taak, niet het minst vanwege den beperkten tijd, die hun door andere werkzaamheden gelaten is. Zoo ook verging het de Commissie inzake Artikel 36 der Ned. Gel. Bel. 192A".
Men weet dus nu nog niet, hoe de eisch van Art. 36 is en verwezenlijkt kan worden —en intusschen heeft men maar vast uitgemaakt: in Nederland mag geen vrijheid van godsdienst zijn!
Verder commentaar is overbodig.
DE DOGMATIEK VAN DEN STATEN-BIJBEL.
Misschien dat men even vreemd opkijkt als men dit opschrift leest. Heeft de Bijbel dan een „dogmatiek" ? Immers neen. Uit het Woord hebben we onze geloofsformuleering te putten, gelijk de Kerk van Christus in den loop der eeuwen gedaan heeft, met name in de Gereformeerde Kerk. Maar van een dogmatiek in den Bijbel kunnen we niet spreken.
Als we echter spreken van de dogmatiek van den Staten-Bijbel, denken we aan de Kantteekeningen van Oud-en Nieuw Testament.
Daar staat aan den rand van den Staten-Bijbel zoo ontzaglijk veel, door onze Gereformeerde Vaderen opgeteekend, dat het inderdaad een dogmatiek geworden is, door allerlei verklaring, uitlegging, omschrijving, toevoeging, vergelijking en samenvoeging; en 't zou de moeite zeker loonen als er eens een ijverig en knap theoloog zich wilde zetten tot een afzonderlijke studie inzake de Kantteekeningen. De notities hebben een ingewikkelde geschiedenis. Knappe theologen van de 17e eeuw hebben zich voor dat werk gegeven. Ze hebben opmerkingen gemaakt, die allerbelangrijkst zijn ; dogmatische omschrijvingen en verklaringen, die buitengewoon van beteekenis zijn. En daarom zouden wij wel wenschen dat er een theoloog gevonden werd die eens al z'n aandacht — en z'n tijd — , wilde (en kon) geven tot dit belangrijke werk om de Kantteekeningen na te zoeken en de dogmatische uiteenzettingen te rubriceeren en zoo te komen tot een schematisch overzicht van de theologie van de 17de eeuw.
't Zou nu, bij de herdenking van het feit, dat drie honderd jaar geleden (1637) de Staten-Vertaling is voltooid geworden, zoo'n mooie gelegenheid zijn om met zoo'n studie uit te komen. Of althans zoo'n studie aan te pakken. En als één het niet aan kan — want het is een omvangrijk werk —, dan zijn er misschien wel enkele theologen te vinden die het, met een goede werkverdeeling, gezamenlijk zouden kunnen en willen doen.
Is er iemand soms uit „onze kring", die er iets voor voelt?
Misschien in een Academisch proefschrift? Of anders in een eigen vrije verhandeling,
't Zou mooi zijn als het kon en als het kwam !
Het absolute Gezag voor allen, maar met de Souvereiniteit Gods
Over de absoluutheid van het gezag wordt veel gesproken in deze dagen. Men heeft maar, acht te geven op de velerlei revolutionaire partijen en stroomingen en men beluistert daar dan de roep naar het absolute gezag. Als in een bolsjewistische Staat iemand zich durft verzetten tegen het absolute gezag van den leider, van de volksraad, of hoe men het noemen wil, dan wordt men tegen de muur gezet en gefusileerd. Gehoorzamen aan het hooge bevel, of — in een concentratiekamp ; of — de kogel.
Waar het Nationaal-Socialisme aan het woord is lijkt het, als twee druppels water, op 't geen onder de bolsjewisten plaats heeft. Er is er één, die te bevelen heeft en ieder heeft te gehoorzamen. Als er nog een „volksvertegenwoordiging" (? ) is, mogen ze zoo nu en dan onder veel vertoon— met „heil" voor den Leider — even bijeenkomen, om „ja" te roepen en dan kunnen — moeten — ze weer naar huis en — mondje dicht. De Pers staat onder controle en mag niets anders schrijven dan het ééne en absolute gezag lief is, anders — verboden.
De verschillende levenskringen — die er krachtens de schepping zijn en ook altijd blijven, zullen — zijn er wel : 't gezin niet het huwelijksleven, ouders met kinderen ; de school, waar de kinderen des volks onderwijs ontvangen en opvoeding genieten ; de Kerk, waar de Gemeente des Heeren haar verzamelpunt vindt als geloovige belijders van 's Heeren Naam, maar men is niet vrij en men heeft geen ander en geen hooger gezag te erkennen en te volgen dan het absolute gezag van den Staat, van den Leider, den Dictator. En voor alle levenskringen en levensterreinen geldt als wet van het absolute Staatsgezag, dat men niet duldt dat het volk verdeeld is ; de absolute Staat wil, dat allen voor en van den Staat zullen zijn en den schier almachtigen Dictator (met of zonder raadsmannen, met of zonder Koning) zullen gehoorzamen.
Er mag wel een gezin zijn, er mogen wel huwelijken gesloten worden, er mogen wel kinderen geboren worden — graag zelfs — maar alles voor en van den Staat. Dan kunnen de gezinnen met kinderen den Staat steunen, opdat de absolute Staat in en door den Leider, z'n macht kan oefenen, z'n plannen kan uitvoeren, z'n doel kan bereiken, naar zijn welbehagen.
Er mogen wel scholen zijn, waar de kinderen worden onderwezen en opgevoed worden ; wel jeugdorganisaties, waar meisjes en jongens worden gevormd, geoefend, gedresseerd ; wel kerken, waar men samenkomt als geloovige belijders van den Naam des Heeren maar — in alles en overal moet men zweren bij den Staat en den Leider eeren als dengene, die met absoluut gezag bekleed is en absolute macht bezit. — Wil men dat niet, dan worden de godsdienstoefeningen verboden, de kerken gesloten, de voorgangers der gemeente achter slot en grendel gezet, de kerkelijke pers gemuilband of verboden. Wil men dat niet, om te knielen voor den moloch van deze eeuw : de absolute Staat, dan wordt er eenvoudig een eind aan gemaakt, zooals men in Babel de vrienden van Daniël in den gloeienden oven wierp en Daniël zelf in den leeuwenkuil, ten spijt van hun arbeidsprestaties, van hun voorbeeldig gedrag, van hun onbesproken levenswandel. Wèg met dezulken, want de Staat is het één en het al.
Willen de gezinnen, de scholen, de jeugdorganisaties niet knielen voor den afgod die Dictator of Leider heet, voor den absoluten Staat, dan moet het maar uit zijn ! En de Staat zal zelf alles ter hand nemen, om het alles te richten naar menschelijke wijsheid, waarin een modern heidendom openbaar wordt.
De christen kan en mag en wil dat niet goedkeuren en doen. Hij moet zich verzetten. Wat geen revolutie is, maar heilige ongehoorzaamheid. Want revolutie is de zondige menschelijke gevoelens te zetten tegenover de wettige machten, waarin Gods autoriteit en majesteit afstraalt. Bij revolutie worden de menschelijke en zondige hartstochten gezet tegenover Gods gezag en 's Heeren inzettingen. Maar wanneer de geloovige belijders van den Naam des Heeren zich in deze verzetten, is het juist; het omgekeerde van revolutie, want zij verzetten zich uit liefde voor waarheid en recht tegen de machten, die het hoogste gezag, de Souvereiniteit Gods, schenden, verachten en verwerpen.
De Christen belijdt immers eiken Zondag, wanneer de Gemeente des Heeren samenkomt: „Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde" en spreekt daarmee uit : de Heere is onze Koning, onze Wetgever en Rechter, alles moet Hem eeren, alles moet naar Hem vragen, op Zijne geboden acht geven en zich voegen naar Zijn Woord, Wet, wil en waarheid. Lieflijk zijn immers de inzettingen des Heeren, ze zijn zuiver en doorlouterd, en gerechtigheid verhoogt een volk, terwijl de zonde een schandvlek der natie is.
De afzonderlijke kringen zijn er en moeten er blijven. Het gezin is de school niet. De Kerk is weer iets van eigen aard en beteekenis. De maatschappij en de Staat zijn onderscheiden. Maar boven alles staat het absolute gezag van den Souvereinen God. Eén is onze Koning, Wetgever en Rechter, Die alles met goddelijke wijsheid schiep en sinds bewaarde.
De mensch moet hierbij welbewust in het middelpunt van heel de schepping staan. Alles is hem gegeven, om daarmee God groot te maken. De doelstelling van alles is om de eere des Heeren te verhoogen. En alles moet daaraan onderworpen worden. De man en de vrouw moeten dat weten. Het gezin en de school. De Kerk, de maatschappij, de Staat. De arbeid, de kunst, de wetenschap moeten mee dienen om 's Heeren Naam groot te maken en het leven te zegenen.
Zóó staat dan boven alles en alleen de Souvereiniteit Gods, die moet uitkomen bij alle souvereiniteit in eigen kring.
Maar wat zien we nu bij alle revolutionaire stelsels en ook bij de N.S.B. ?
Het Koninkrijk Gods, waarover Christus is gezalfd, als Sions Vorst, wordt algeheel uit het oog verloren. Men kent het niet. Men lacht er om. Er is maar één Koninkrijk, één Koning, éen macht, éen belang, éen eer — de Staat, de Leider, de Dictator of hoe men 't noemen wil. Voor al de praatjes van een Koninkrijk der hemelen geeft men geen cent, maar men geeft alles — en ieder moet daaraan meedoen — voor het aardsché Koninkrijk, den totalen Staat, de schier almachtige Leider, die het volk, de bodem, het land tot eere zal brengen en de grenzen zal uitbreiden tot in ongekende verten. Maar het Koninkrijk Gods kent men niet. En van de Souvereiniteit Gods, van het absolute gezag van den Almachtige, den Schepper van hemel en aarde, weet men niet, en — men wil er ook niet van hooren !
Waar men zoo blijft staan bij de aardsché dingen van land, bodem, ras, bloed, eigen volk en eigen vaderland, sterk en machtig en rijk en uitgebreid — daar is er maar van één macht en van één gezag sprake : de absolute Staat. Daar wordt de mensch oppermachtig. Daar gaat het om een menschelijk stelsel, waarin het oude heidendom z'n hoofd weer omhoog steekt. En alle terrein des levens, alle levensfuncties en levenskringen : gezin, school, opvoeding en vorming van de jeugd, kunst, wetenschap, pers, arbeid, moeten voor en van den Staat zijn. Handel, nijverheid, bank, rechterstoel — alles voor en van den Staat. Ook de Kerk.
Niet gehoorzaamheid aan God, aan Zijn Woord, maar gehoorzaamheid aan den Staat, aan zijn Leider, die in dien eisch openbaart, dat God voor hem niet bestaat, dat Gods wetten en rechten en inzettingen voor hem waardeloos zijn, maar dat de mensch de oppermachtige is, dien men alleen heeft te gehoorzamen.
Wij hebben het aan de Reformatie te danken, dat het Woord Gods met zijn volstrekt gezag weer op den voorgrond is gekomen voor alle levenskringen. Luther en Calvijn — om maar bij deze twee te blijven — hebben het gezinsleven, de school, de opvoeding, zoo goed als de Kerk, weer getrokken onder 't licht van Gods getuigenis. En het volksleven én het gezinsleven èn het schoolleven èn de Kerk — met arbeid, geldhandel, kunst, wetenschap alles onder de belichting van Gods Woord. Hoe heeft Luther het huwelijk, het gezinsleven, de opvoeding, muziek, zang, spel — alles geheiligd den volke voorgesteld bij het licht van 's Heeren getuigenis ! En Calvijn verheugde zich, dat de Hoogeschool grondleggend voor alle wetenschap haar hoogste wijsheid zocht bij Hem, Die de Vader der lichten is, de Bron van alle waarheid. De levensspreuk der Reformatoren was : „de vreeze des Heeren is het beginsel van alle wijsheid" ; en een harte te mogen bezitten dat brandt voor den Heere is het hoogste goed.
Het zijn na de dagen der Revolutie, die alles omgekeerd had naar 't model van menschelijke wijsheid, met een hartstocht en ijver een betere zaak waardig, vooral mannen als Bilderdijk, Da Costa, Heldring, Groen van Prinsterer en anderen geweest, die ja, over de rechten van de Overheid spraken, maar de Overheid dan als dienaresse Gods, zelf vragende : „Heere, spreek. Uw dienstknecht hoort". Steunende op den Bijbel, verdedigende de vrijheid !
Zakelijk werd er gesproken van de rechten van den Staat, de rechten van den mensch — maar altijd begon men met de rechten van den Souvereinen God. Bilderdijk zei het weer wat anders dan Da Costa, maar saam waren ze één in de erkenning van 's Heeren opperhoogheid en in het aanprijzen van de godsvrucht bij vorst en volk.
Met name mr. Groen van Prinsterer is opgekomen voor de School, voor de Kerk, voor het staatkundig of politieke leven, om alles te trekken onder 't licht van Gods Woord, dat een licht op ons pad en een lamp voor onze voet moet zijn.
Ons uitgangspunt moet niet liggen in den mensch, niet in een wijsgeerig stelsel, maar 't gaat om, 't geloof van den Christen, die Gods souvereiniteit erkent, Gods Woord lief heeft en alle troost vindt in deze zondige wereld in Jezus Christus, biddend : „Uw Koninkrijk kome" ; dat is : „Regeer ons alzoo door Uw Woord en Uwen Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen ; bewaar en vermeerder Uwe Kerk; vertoorn de werken des duivels en alle geweld dat zich tegen U verheft, mitsgaders alle booze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden ; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen" (Cat. Zondag 48).
Zoo zijn we „verwachtende de toekomst" (eschatologisch), want het is nu nog niet. Maar in het heden hebben we te bidden en te werken, opdat het Koninkrijk Gods kome van geslacht tot geslacht.
De Christen, die op de rijke verscheidenheid van het leven acht geeft, daarin Gods wijsheid erkennend, zal 't liefst overal, vragen naar Gods Woord en waarheid ; gelijk we dagelijks bidden : „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde ; waarbij de Catechismus deze schoone omschrijving en verklaring geeft : „Dat is : Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil] verzaken en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn ; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen".
En in den hemel èn op aarde geldt : De Heere is God en niemand meer!
Maar alom hoort men wel een roep om het absolute gezag, doch niet: God!
Men zegt allerwege : de mensch zal God zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's