DE BEIDE SACRAMENTEN
2°. De geschiedenis van de leer van den Doop.
II.
In den eersten tijd van het Christendom was er in de Kerk nog geen vaststaande leer over den Doop. Hij werd bediend in den Naam des Heeren en gaf deel aan de heilsgoederen.
Weldra werd er een geheimzinnig verband gelegd tusschen den doop, het water en de woorden, en dat wel onder invloed van de Oostersche mysteriën. (Plechtigheden, voor ingewijden alleen verstaanbaar). Er kwam een uitgebreid ritueel. De Doop verkreeg een magisch karakter, d. i. er werkten in dit sacrament verborgene krachten. Aan den Doop ging vooraf:1°. de belofte om duivel en wereld te verzaken; 2°. het afleggen van geloofsbelijdenis. Daarop vond plaats het waterbad met drievoudige onderdompeling in stroomend water. Tenslotte werd de plechtigheid besloten met handoplegging en mededeeling des Geestes.
De handoplegging werd het voorrecht van den Bisschop, die daardoor de geestelijke vader werd van de wedergeborenen.
Bij dit ritueel gebruik kwamen weer andere als b.v. duivelbanning, blazen op het aangezicht, teekening van het kruis, geven van een nieuwen naam, toedienen van een mengsel van melk en honig, als voedsel voor het leven van pasgeborenen. De gedoopte kreeg nieuwe witte kleederen aan, daarna werd hij in de vergadering der Christenen ingeleid en na gebed begroet met de broederkus. Daarop ging men aanzitten aan den Disch des Heeren.
Gelijk gezegd, was de kinderdoop reeds vroeg bekend, gelijk blijkt uit gezegden van Ireneüs, Tertullianus, Justinus en Origenes (2de eeuw). De laatste zegt, dat de praktijk van kinderdoop dateert vanaf de dagen der Apostelen.
Tertullianus bestreed den kinderdoop, omdat de Doop de zonde wegneemt, en de gedoopte een leven vrij van zonde moet leiden. Vandaar dat ongeveer twee eeuwen later Ambrosius, Gregorius van Nazianze, Augustinus e.a. uitstel van den Doop begeerden om geen doopsgenade te verliezen. Dit was een ziekelijke overschatting van den Doop, gelijk er eeuwen later en ook in onzen tijd een schuldige minachting valt te constateeren. Uitstel van den Doop in de 3e tot 5e eeuw berustte ook eensdeels op dezelfde gronden als waarop tegenwoordig velen het gebruik van het H. Avondmaal al maar uitstellen. Men wordt meer geleid door de vrees, dan bezield door de begeerte om aan te zitten. In dezen is er ook niets nieuws onder de zon. Velen wachtten oudtijds tot hun ziek-of sterfbed, en lieten zich bij naderend levenseinde doopen. Ambrosius is om zijn geloof en goed voorbeeld tot Bisschop verkozen, maar moest toen nog gedoopt worden, terwijl Keizers, Constantijn, Constantius e. a. op hun sterfbed gedoopt zijn.
Bij den Doop kwamen gaandeweg ook doopgetuigen. Oorspronkelijk dienden zij om getuigenis af te leggen van den goeden levenswandel van den doopeling. Later om te getuigen dat iemand waarlijk gedoopt was. In tijden van vervolging kwam het voor, dat iemand voorgaf niet gedoopt te zijn, en omgekeerd, in tijden van het aanzien der Kerk, dat vele ongedoopten zich voor Christenen uitgaven.
Aan de oude Kerk was de Verbondsbeschouwing vreemd. Kinderen waren in zichzelf onrein, konden ook hun geloof niet belijden. Toch werden zij gedoopt, omdat het geloof der ouders, het geloof der gansche Kerk hun ten goede kwam. Vandaar de beschouwing : de Kerk houdt het kind ten Doop ; de Kerk gelooft en belijdt voor het kind en is vertegenwoordigd door de getuigen. De getuigen rezen in hoog aanzien. De verhouding van peet en petekind werd van geestelijken aard. Alle vleeschelijke banden werden zelfs verbroken, en het Concilie van Mainz, 813, bepaalde dat niemand zijn eigen kind mocht ten Doop houden.Doop en erfzonde. Augustinus sloot zich eerst bij de gangbare meening aan, n.l. uitstel van den Doop. Later bracht hij, in zijn strijd met Pelagius, den Doop in verband met de erfzonde. Door den Doop wordt zij vergeven en de aangeboren begeerlijkheid wordt niet als zonde toegerekend. De Doop is een sacrament met een onuitwischbaar karakter. De gedoopte behoort rechtens aan de Kerk. Komt zoo'n kind later tot bekeering, dan is herhaling van den Doop overbodig. De Doop is de objectieve (voorwerpelijke), het geloof, de bekeering de subjectieve (onderwerpelijke, persoonlijke) voorwaarde des heils.
In de middeleeuwen heeft de scholastiek (wetenschappelijke methode om de waarheden in systeem te zetten) de gedachten van Augustinus nader uitgewerkt. Geloof en bekeering kwamen op den achtergrond en de Doop op den voorgrond te staan, en wel zóó sterk, dat de Doop werkte ex opere operato, d.w.z. zij had kracht in zichzelf en bracht de bovennatuurlijke genade mee. De erfsmet wordt geheel teniet gedaan. Wat overblijft, is de begeerlijkheid, en deze is geen zonde, doch de prikkel tot de zonde (Roomsch). De Doop is de deur der Kerk. Onder het uitspreken der formule schenkt de H. Geest de genade. Wat er in het bewustzijn van het kind ten aanzien van het geloof ontbreekt, wordt hem geschonken door het geloof der Kerk.
Met geringe wijziging leerde Luther hetzelfde. Hij kende alleen aan het geloof een grooter plaats toe. Gelijk het ijzer in 't vuur gloeiend wordt, zoo wordt het doopwater onder het uitspreken van den Naam goddelijk water, het bewerkt de wedergeboorte en de vergeving der zonden. De overblijvende begeerlijkheid is echter werkelijke zonde.
Zwingli brak radicaal met het Roomsche Sacramentsbegrip. Op symbolische wijze wordt de zaligheid voorgesteld. In den Doop is geen kracht. Hij is een uiterlijk teeken, een inwijdingsceremonie, opdat de kinderen van de heidenen onderscheiden worden.
Calvijn daarentegen leert, dat Sacramenten zijn teekenen en zegelen van de beloften Gods in Zijn Woord. Spiegels, waarin wij de rijkdom van Gods genade kunnen zien. Het Sacrament dient niet om Gods Woord te bevestigen, d.i. nog vaster te maken, want het is vast in zichzelf, doch om ons zwak geloof te sterken. Ongeloovigen ontvangen slechts het teeken, geloovigen ook de beteekenende zaak. Bij het sacrament is dus het geloof onmisbaar, want sacramenten zijn belijdenisacten. De doop is 1°. een gezegeld handschrift ; 2°. sacrament der wedergeboorte ; 3°. bewijs van gemeenschap aan de heilsgoederen. De grond voor den kinderdoop ligt in de besnijdenis (Coll. 2 vers 11—12), en voorts: de kinderen staan binnen het Verbond (Gen. 17 vers 7), en ook Christus ontsluit den kinderen het Koninkrijk Gods.
Calvijn onderstelt bij de kinderen niet het geloof, ofschoon hij vasthoudt, dat het zaad des geloofs bij kinderen aanwezig kan zijn. Waar het op aankomt is dit: Gods genadeverbond wordt bevestigd en versterkt. In werkelijkheid heeft de Doop slechts waarde voor de uitverkorenen. Voor de gedoopte kinderen, die opgroeien, heeft de Doop een krachtige prikkel tot bekeering. De eisch der bekeering hangt dan ook niet in de lucht, doch wordt gesteld krachtens den Doop. In de prediking dient daarop gewezen. De ongedoopten, voorzoover zij tot de uitverkorenen behooren, zijn niet uitgesloten van de zaligheid, maar zijn erfgenamen der belofte. Het gemis is niet noodlottig, en het bezit is niet zaligmakend. — Het gevoelen der Gereformeerden is door de eeuwen heen eenparig geweest ten opzichte van den rechtsgrond van den Doop. Deze is niet anders dan het Verbond der genade. De kinderen der geloovige ouders moesten gedoopt worden. Bij het nadenken over de vraag: Wat beteekent het inzijn in het genadeverbond", liepen de meeningen uiteen. Voetius leerde, dat kinderen der geloovigen moeten gehouden worden voor wedergeborenen, totdat zij het tegendeel openbaarden. Dit was in de eeuw der Reformatie het algemeen gevoelen. Daarbij hielden de vaderen vast, dat wij van nature allen kinderen des toorns zijn. Calvijn erkende wel, dat God ook in de harten der kinderen de wedergeboorte werken kan, doch hij liet het tijdstip in het midden. Door de verwaarloozing van de tucht in de Kerk, onderging de theologie een wijziging, en wel in dier voege, dat de band tusschen verkiezing en verbond werd losgemaakt, en dat men scheiding maakte tusschen in-en uitwendig verbond. De Doop werd geschikt, beschouwd, beredeneerd naar den uitwendigen toestand der gemeente. Parallel hiermee loopt de doorsnijding van den band tusschen belijdenis doen en H. Avondmaalsviering. Er kwam in ons land strijd over de woorden uit de eerste doopvraag „in Christus geheiligd". Sommigen hadden terecht bezwaar om ieder maar tot den Doop toe te laten, anderen verklaarden, dat een historisch geloof recht geeft op den Doop. Zoo kwam dus bij de laatsten de dwaling weer naar voren, dat de Doop maar een uitwendige plechtigheid was van inwijding tot het Christendom. Dit hadden ook de Socinianen en Remonstranten geleerd. Vandaar de twee stroomingen in de Kerk : 1°. de meer piëtistische, die weinig waarde hechtte aan de Kerk en de Sacramenten en nadruk legde op geloof en bekeering, en 2°. de rationalistische en supra-naturalistische, bij welke de Doop is een uitwendige plechtigheid tot opname in de gemeente. Wij dienen hierop nader terug te komen en vragen eerst wat de H. Schrift leert.
Ridderkerk
G. v. d. Zee
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's