De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

PSALMEN IN DEN NACHT

9 minuten leestijd

„En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij naar den Olijfberg". Marcus 14 vers 26.

Bij de lezing van Gods Woord lezen wij licht over dit tekstwoord heen en vinden er niets belangrijks in. De Heere Jezus doet hier met Zijn discipelen, wat alle godsdienstige Joden in dien nacht deden en sinds eeuwen gedaan hadden bij den Paaschmaaltijd. Wanneer de vierde of laatste beker was rondgegaan, hief men plechtig het groote Hallel aan, dat bestond uit de psalmen 115—118.
Maar wil opmerken, dat hier van den Heiland geschreven staat, wat ge nergens in de Evangeliën leest, dat Hij zong. En dat deed Hij in den nacht, in welken Hij 142 verraden en gevangen genomen werd. Hij zong met Zijn discipelen, hoewel Hij zich bewust was, dat nu het lijden met zijn golven en baren van Gods strafeischend recht over Hem heen zou gaan. Hij zong, terwijl Hij als Middelaar en Verlosser gereed stond. Zijn borgtochtelijk lijden voor de zonde Zijns volks te aanvaarden en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Waar Hij Zijn Vader ging gehoorzamen tot den dood, ja den dood des kruises, zong Hij met Zijn discipelen vooraf Gode lof. Hier was het in volle waarheid:
„'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht. Zingen, daar Ik Hem verwacht. En mijn hart, waf mij moog' treffen. Tot den God mijns levens heffen".
Want wij moeten bedenken, dat de Heere Jezus anders gezongen heeft, dan wij het menigmaal doen. Wij zingen dikwijls met den mond, terwijl het hart verre van den inhoud van het lied verwijderd is. Ons gezang is veeltijds vorm zonder wezen, niet oprecht en in waarheid des harten. De psalmwoorden des gebeds worden soms gezongen zonder ootmoed en behoefte, dat de zanger rijk en verrijkt is in zichzelf. En de lof des Heeren klinkt wel uit ons midden op, terwijl morrende opstand tegen God en Zijn Wezen in ons hart leeft. Hoe zal ook onder Israël bij den plechtigen Paaschmaaltijd, wanneer men gedacht, hoe God met sterke hand Zijn Israël uit Egypte's slavenboeien had vrijgemaakt, hoe zullen die lofliederen Israels dikwijls zonde voor God geweest zijn, dat Hij zeggen moest: Gij naakt mij met de lippen, maar niet met het hart.
Maar in dezen Paaschnacht is het groote Hallel uit den mond van den Borg Jezus Christus volmaakt opgeklonken. Hier was het, wat waarlijk zingen is, dat de mond vertolkt, wat het hart doorleeft.
Denk u het in, dat de Heere ingaande in den lijdensnacht voor Zijn volk, gezongen heeft uit Psalm 118 : „Uit de benauwdheid heb Ik den Heere aangeroepen; de Heere heeft Mij verhoord, stellende Mij in de ruimte. De Heere is bij Mij, ik zal niet vreezen; wat zal Mij een mensch doen ? " (vs. 5 en 6).
„De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen" (vers 22 en 23).
„Alle de Heidenen hadden Mij omringd; zij hadden Mij omringd als bijen ; de Heere is mijne Sterkte en Psalm, want Hij is Mij tot heil geweest. Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils ; de rechterhand des Heeren doet krachtige daden", (vs. 10a, 12a, 14, 17 en 15).
Dat heeft de Zaligmaker gezongen, toen Hij gereed stond alleen de pers te treden, toen Hij als een Strijdheid uittrok met besprenkelde kleederen, van Bozra (Jesaja 63 VS. 1), tegen de machten der hel, machtig om Zijn volk te verlossen.
Wat bemoedigend en troostrijk voor worstelende zielen, dat de Heere toen ook als Borg Psalm 116 gezongen heeft! Elke ziel, die in het gericht Gods betrokken wordt, zich schuldig en veroordeeld voor God leert kennen, doorleeft de klacht uit dien Psalm : „Banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep den Naam des Heeren aan, zeggende: Och Heere! bevrijd mijne ziel". (Psalm 116 vers 3 en 4). En hoe is het mogelijk, kind des Heeren, dat gij op (niet om) dat gebed, mocht juichen : „De Heere is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende" ? Omdat de Zone Gods als Borg en Middelaar, Hij Rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, die woorden heeft gezongen, neen er­ ger, die woorden heeft doorleefd, in uw plaats de banden des doods en de angsten der hel heeft willen dragen in Zijn lijden, opdat gij liederen van bevrijding, van genade, van recht en ontferming Gods zoudt mogen' aanheffen door het geloof in Hem, ais vrucht van Zijn kruisdood.
Daar in die Paaschzaal heeft Hij met het oog op Zijn schuldig en krachteloos volk als lijdende Verlosser gezongen met Psalm 115: „Israël! vertrouw op den Heere; Hij is hun hulp en hun schild. Gijlieden, die den Heere vreest! vertrouwt op den Heere; Hij is hun hulp en hun schild. Hij zal zegenen, die den Heere vreezen, de kleinen met de grooten". (vers 9, 11 en 13). Vertrouwt gij nu op Hem ?
In het Hoogepriesterlijk gebed heeft de Heere gesproken : „Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Vader, verheerlijk Uwen Naam". Dat heeft Hij. o. a. zingende gedaan met Psalm 115: „Niet ons, o Heere! niet ons, maar Uwen Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil", (vers 1).
En wetende, dat Zijn lijdensweg niet slechts voor Israël, maar ook ten zegen zou zijn voor de volkeren der heidenen, ziet Hij de zegen van Zijn kruis reeds aanlichten, als Hij zingende, de gunstelingen uit de heidenwereld opwekt om den Heere te loven met Psalm 117: „Looft den Heere, alle heidenen! prijst Hem, alle natiën! Want Zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des Heeren is in der eeuwigheid! Hallelujah!"
De Heere Jezus zong met Zijn discipelen den lofzang. Elk woord van dien lofzang heeft Hij in zijn diepte en rijkdom doorzien en doorleefd. Hij heeft zich bij het ingaan van den lijdensweg met dat Woord Gods getroost en gesterkt. Hij drinkt uit de zelfde wateren van Gods Woord, waarmee Hij de schapen Zijner weide de dorst lescht. Hij weet, dat Hij niet alleen Gods Wil doét, gaande naaiden Olijvenhof en den Kruisheuvel, maar ook dat daarin Gods Woord vervuld wordt ten zegen van Zijn volk: „Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzoo geschieden moet", zeïde Hij tot Petrus. Dezelfde woorden, gebeden, klachten, lof-en dankzeggingen, die de eeuwen door Gods kinderen tot licht, steun en troost zijn geweest, zijn ook den Heere Jezus een verkwikking geweest, toen Hij den nacht des lijdens inging.
Dat is een lieflijke en zoete gedachte voor degenen, die den Heere vreezen, als Gods hun psalmen geeft in den nacht, psalmen van verzoening in den nacht der zonde, psalmen van troost in den nacht van droefheid, psalmen van overwinning in den nacht van strijd, psalmen van leven in den nacht des doods. Is het dan niet troostrijk, te weten : met dit zelfde psalmwoord heeft de Heere Jezus zich verkwikt, gaande in de donkerheid van lijden en dood. Maar ook weten wij, dat Hij als Borg Zijns volks in dien lijdensweg, de vertroostingen van Gods Woord heeft verdiend, opdat door het geloof in Hem, een zich schuldig kennende ziel getroost zou kunnen worden met datzelfde Gods-Woord.
Wij behoeven ons niet te schamen, dat wij in de kerk en in onze woningen de eeuwen-oude psalmen nog zingen en liefhebben, die door den Koning der Kerk, Jezus Christus, gewijd zijn, toen Hij den zwaarsten gang Zijns levens ging tot verlossing en verzoening Zijns volks. Hoe dikwijls, als Hij sprak, haalde Hij woorden uit de Psalmen aan. Die den Heere Jezus in onverderfelijkheid liefhebben, achten de Psalmen daarom ook als een dierbaar schatboek. En eigenlijk geldt dat van de gansche Heilige Schrift. Christus is daarvan de kern en het middelpunt. Hij is de Christus der Schriften. Dan wordt de H. Schrift ons dierbaar en kostelijk, als wij den Heere Jezus er in vinden als.de parel van groote waarde. Dan worden ook de woorden van het Godsgetuigenis vol geest en leven. Dan worden het Woorden Gods, waarvan Jezus Christus, het vleeschgeworden Woord Gods, de troostrijke kern is ; dan worden zij zoeter dan honing en honingzeem.
De Heere Jezus, de vervulling der Schrift, leefde bij dat Woord, toen Hij den kruisdood tegenging; Hij gebruikte dat Woord in de woestijn der verzoeking als een zwaard tegen den grooten Verleider Satan; Hij onderwees er Zijn discipelen uit in den weg des levens. Daarom laat Gods volk zijn Bijbel niet ontnemen door de wereld, noch als zij in vijandschap dat Woord bestrijdt, noch wanneer zij er in hoogheid des harten mee spot.
„Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad", beaamt ieder kind des Heeren.
Evenzoo is in dezen nacht het gezang der Gemeente, inzonderheid, boven elk ander, het Psalmgezang geheiligd. Wij willen de lofzangen en geestelijke liederen van Godgewijde zangers uit ouder en nieuwer tijd waardeeren, maar boven die allen, heffen wij de liederen Zions, de psalmen van David en zijn medegenooten aan. Hoe meer men er zich in verdiept, hoe rijker zij ons worden; al de uitingen van het geestelijk leven vindt men daar uitgedrukt. De psalmen zijn de bloesem en vrucht des Heiligen Geestes; zij zijn gewijd en geheiligd door den Heiland in Zijn laatsten lijdensnacht; zij zijn gezongen door profeten en apostelen; door de heiligen en martelaren van alle tijden. De psalmen hebben den bloed-en vuurdoop ontvangen, zooals geen andere liederen immer zullen waardig geacht worden.
Dat de Gemeente Gods daarom haar Psalmbundel blijve waardeeren. Evenals aan den Zone Gods, geeft de Heere ook nu nog Zijn kinderen psalmen in den nacht, als zij beproeving tegengaan en smartwegen moeten bewandelen. Het is nog ervaring der ziel: „indien Uw Woord niet ware geweest, mijne vermaking, ik ware in mijn druk vergaan".
De wereld verstaat het niet, maar den waren christen wordt het gegeven, bij verlies en in zware drukwegen door het geloof in Zijn God en Zaligmaker te zingen
'k Zal Zijn lied zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht.
Achter zijn Heiland aan, gaat hij evenals Deze, den lofzang gezongen hebbende ging hij naar den Olijvenhof des lijdens — met het lied des geloofs in het hart strijd en lijden tegemoet. Dan wordt ervaren, dat Christus voor hem de vloek Gods gedragen en weggenomen heeft en Zijn Woord nog vervult: „Mijn genade is u genoeg; Mijn kracht Wordt in zwakheid vervuld". Hij heeft, door lijden geheiligd, overwonnen. De Heere is met de Zijnen in de tegenspoeden en geeft hun psalmen in den nacht, opdat God in hen verheer­lijkt worde.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's