WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Het student-zijn
Prof. dr. G. J. Sizoo geeft in Libertas ex veritate, het Orgaan der S.S.R., Groot-Gereformeerd Studentenblad, z'n toespraak over het probleem der zekerheid, welke hij gehouden heeft op de voorjaars-conferentie van de Amsterdamsche afdeeling (April 1936), waarvan we hier en daar een stukje uitpikken :
»Het probleem der zekerheid* vroeg op deze conferentie allereerst uw aandacht. Wat wel verband houden zal met de tijd waarin we leven, waarvan stijlloosheid en bodemloosheid als kenmerken worden genoemd en die sociaal, cultureel, moreel en religieus aan alle levensvastheid is gespeend. De theoretisch-objectieve, beschouwende houding ten aanzien van het leven en zijn problemen heeft haar goed recht. Maar met die contemplatieve houding alléén komt ge er niet; gij moet het leven in en het leven komt op u af, en ge hebt daarin met uzelf te doen : het gaat daarin niet om uw contemplatie alleen, maar om uw eigen existentie. Daarom is er zeker alle reden om in dezen onvasten tijd, die de zekerheid van het leven, niet alleen theoretisch, maar ook practisch en concreet tot probleem maakt, u ernstig te bezinnen op den inhoud van den naam „student", dien ge draagt.
In Klikspaan's werken heet het: „student, vrijste van alle vrije wezens ! Vorst in het rijk der ongebondenheid". En het oude verhaaltje is bekend : „Studeert u ook, mijnheer ? " vroeg mevrouw. „Pardon, mevrouw, ik ben student", was het antwoord.
Die nu zoo'n antwoord gaf, zou worden uitgelachen".
„De studentenmaatschappij heeft haar eigen karakter en structuur te handhaven en mag haar eigen waardij niet miskennen, wat zou gebeuren als de studenten-maatschappij tot een schooljongenssamenleving werd. De toename der specialisatie maakt dat de Universiteit al meer gaat gelijken op een complex van vakscholen. Maar niettemin, de Universiteit bedoelt méér te zijn dan een voortgezette H.B.S. of een verlengd gymnasium. De academische opleiding geeft méér dan een africhting op examens, die tot bepaalde maatschappelijke betrekkingen toegang geven. Zij bedoelt ongetwijfeld kennis en vaardigheid bij te brengen, maar dan toch zoo, dat zij opvoedt tot critisch oordeelen en tot zelfstandig onderzoek. Het voorrecht van den academischen student is, dat hem de gelegenheid wordt geboden om gemakkelijker dan ieder ander te putten uit den rijkdom der geestelijke goederen, die de mensch zich in den loop der eeuwen heeft verworven, dichter dan ieder ander te leven bij de bronnen, van waaruit de cultuurstroom zich verbreidt, beter dan anderen in staat te worden gesteld zijn tijd bewust te beleven, den geest van den tijd te onderkennen en te verstaan in samenhang met het verleden en daardoor ook zich boven de leuzen van den tijd te verheffen. Wie de gelegenheid verzuimt, die de academische opleiding biedt tot verruiming van den blik en tot verdieping van het inzicht, wie van het begin afaan slechts examens en straks de „positie" voor zich ziet, is als een paard, dat loopt in het gareel en waarvan de gezichtskring door oogkleppen is beperkt.
Ik heb den indruk, dat er tegenwoordig bij veel studenten een neiging is om zichzelf van het begin afaan zulke oogkleppen op te zetten. Misschien uit hoofde van een sterk gevoelde verantwoordelijkheid ten aanzien van de ouders, die bij een snel verloop van de studie het best gebaat zijn, maar niettemin tot schade van eigen studie, eigen ontwikkeling en van de studentengemeenschap in het algemeen. Want het is nu eenmaal zoo, dat in die academische opleiding, het vrije studentenleven, met zijn eigen typische structuur een integreerend bestanddeel vormt. Het is maar niet een onschuldig tijdverdrijf of aangename ontspanning, indien de studenten-maatschappij zich organiseert in corpora en disputen, in studleclubs en faculteitsvereenigingen. Dit is juist het typische in het universitaire leven, dat de student wel leerling is, maar tevens zelf door eigen activiteit en in toenemende zelfstandigheid aan eigen vorming werkt. Tot de academische vorming dragen colleges en practica, dictaten en boeken, omgang met hoogleeraaren en docenten, maar ten laatste niet 't minst omgang van studenten onderling elk het zijne bij en het is niet mogelijk de waarde van het eene af te wegen tegen die van het andere, omdat zij niet los van elkander zijn te denken en elk pas in onderlinge samenwerking en wisselwerking met het ander tot zijn recht komt".
„De omstandigheden van onzen tijd werken ongetwijfeld mee om ook het studentenleven in den wortel aan te tasten. Niet alleen de economische druk op de gezinnen, maar ook de nationale en internationale verhoudingen en toestanden. De innerlijke voosheid van alles treedt in 't licht. Het na-oorlogsche idealisme is een stroovuur gebleken, aangewakkerd door den wind van maatschappelijke voorspoed. De samenleving heeft een paar jaar boven haar krachten geleefd en is van den top der hoogconjunctuur in een poel van hopelooze verwarring gestooten. Is 't wonder, dat de studentenwereld er den terugslag van ondervindt ? Dat er matheid is en weinig idealistische gezindheid ?
En nu komen mannen als prof. Huizinga en zeggen, dat zij hun hoop hebben op de jongeren, die uit de brokken, waarin de ouderen de samenleving hebben doen uiteenvallen, wel iets goeds nog zullen weten te maken. Wat optimistisch en pittig idealistisch lijkt, maar wanhopig arm van inhoud is. De menschheid heeft het bedorven en de genezing komt op die manier niet uit boven de menschheid, wat misleidend is. Het zoekt vastigheid en hulp en heil bij den mensch, die niet helpen kan en niet helpen wil. Hier staat een boekje van prof. Aalders uit Groningen vér boven het boek van prof. Huizinga, omdat het een anderen weg wijst in „de Jood des tijds" (zooals het boekje van Aalders heet). Neem alleen het slot maar : „Daarom heb ik de noodklok durven luiden, omdat zij ons roept uit de wereld tot haar Heer, van den mensch tot God, uit mismoedigheid of onverschilligheid, uit lichtzinnigheid of verbittering, tot de liefde van God, die alleen bij machte is ons met den nood des tijds en des levens te verzoenen en hem te overwinnen. In deze liefde ligt het geheim van den moed om ook en juist in een tijd van grooten nood, alle overleggingen samen te vatten in de bede : „Uw Koninkrijk kome".
Dat is het optimisme, dat in een „waanzinnige wereld" zijn vastheid niet zoekt in wereld en menschheid, maar bij God alleen. Hier staan we tegen den achtergrond van de zekerheid des geloofs". „Hoe groot ook de verwarring onzer dagen moge zijn en hoe sterk zij gelijktijdig van alle kanten op ons aankomt, zoowel maatschap pelijk als cultureel, wetenschappelijk en religieus, de onzekerheid is des menschen. En we zouden ondergaan te midden van de oordeelen, die God over ons zendt, indien niet God de wereld zoo liefgehad had, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon heeft gezonden, opdat wij in Christus met God zouden worden verzoend en een geloof zouden ontvangen, dat een vaste grond is bij wat we hopen doch niet zien.
Als we dat mogen weten, zullen we in het leven, in het studentenleven nu en in het maatschappelijk leven straks, vastigheid vinden en dan ontvluchten wij de verwarring der tijden niet in irreëele contructies van gedachtencomplexen of toekomstillusies en pogen niet ze te sublimeeren in een sesthetiseerende levensvisie. Wij erkennen ze als werkelijk, zien ze in haar volle verschrikking, maar we weten ook onze roeping, om te getuigen in een onzekere wereld, in onze studentenwereld ook, van een zekerheid, die er toch is. Onze roeping om door ons leven en werken, ook in ons Gereformeerd studentenleven, te zijn als leesbare brieven van Jezus Christus«.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's