De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DE KOMENDE JAARVERGADERING
Zooals we reeds hebben medegedeeld, zal onze Bondsdag D.v. gehouden worden DONDERDAG 15 APRIL a.s., te UTRECHT. Onze secretaris, ds. Timmer, van Ermelo, zal een referaat houden.
Volgende week hope n we de volledige Agenda te laten afdrukken.
Voorstellen.
De Afdeeling van Den Haag heeft drie voorstellen ingezonden ter behandeling op de komende Jaarvergadering en heeft die voorstellen reeds aan de Afdeelingen toegezonden met verzoek om adhaesie-betuigingen.
Zonder over deze methode te oordeelen, heeft het Hoofdbestuur, daartoe door meer dan één aangezocht, besloten om bij deze Voorstellen een Prae-advies te geven.
De Voorstellen zijn :
I. Elke partijpolitiek te weren uit het Bondsorgaan „De Waarheidsvriend".
n. Ieder jaar een afdeeling van den Gereformeerden Bond aan te wijzen, welke belast wordt met het nazien van de boeken van den Penningmeester van den Bond c. q., voorgelicht door den accountant van den Bond.
III. De statuten van den Gereformeerden Bond zoodanig te wijzigen, dat een hoofdbestuurslid na een zittingsperiode van 2 of 3 maal 4 jaren, niet direct herkiesbaar is.
Het Prae-advies van 't Hoofdbestuur luidt:
Op verzoek van meer dan één willen we het volgende prae-advies op de Voorstellen van de Haagsche afdeeling geven:
1. Vóór dat we ons Bondsorgaan „De Waarheidsvriend" hadden en ons moesten behelpen met rubrieken in 't Gereformeerd Weekblad, staande onder redactie van dr. De Lind van Wijngaarden en prof. Visscher, hadden we reeds een rubriek: „Staat en Maatschappij", wat in ons Bondsorgaan bestendigd is tot op heden, onder dezelfde redactie. Herhaalde malen is op de Bondsvergadering over deze kwestie gesproken en altijd is weer besloten te blijven in hetzelfde spoor en de beginselen voor het Staatkundig-en maatschappelijk leven niet te verwaarloozen, met toepassing op de tijden en omstandigheden waaronder we leven. Ons Gereformeerd beginsel brengt niet mee, dat we ons van de dingen niets aantrekken, vooral nu niet. En daarom adviseert het Hoofdbestuur dat men Voorstel 1 niet zal aannemen.
2. Het toezicht op de Financiën is in vertrouwden handen, zakelijk en wat het beginsel betreft. Jaarlijks wordt een Commissie tot nazien van de rekening benoemd, waarin der zake kundige leden van elke afdeeling benoembaar zijn, daarom ziet het Hoofdbestuur hier geen enkele reden om Voorstel 2 aan te nemen.
3. Op zichzelf genomen is er tegen een rooster van verplichte aftreding geen bezwaar. Nu het echter in onze kringen bij geen enkele Vereeniging of Bond zoo is, noch bij den Geref. Zendingsbond, noch bij den Bond van Jongel. Vereen., noch bij den Bond van Meisjes-Vereen., enz. enz., ontraadt het Hoofdbestuur, vooral onder de huidige omstandigheden het aftreden bij onzen Gereformeerden Bond verplichtend te stellen. Er is geen enkele oorzaak voor deze uitzonderlijke positie voor onzen Gereform. Bond, waarbij we opmerken, dat in de jaren die achter ons liggen, met enkele uitzonderingen, de wisseling betrekkelijk groot is geweest. Waarom zou men zich door een bepaling in de Statuten b.v. berooven van een goeden Penningmeester ? Wij behoeven zeker niet te zeggen, dat ieder lid van het Hoofdbestuur, en zeker niet het minst de Voorzitter, de 2de Voorzitter en de Penningmeester, zijnde de oudste Bestuursleden, aanstonds bereid zijn op te staan en hun plaats in te ruimen voor een ander, indien het, in het belang van den Bond, door den Bond begeerd wordt. Men heeft zijn verlangen maar even kenbaar te maken, dan zal niemand ook maar een oogenblik aarzelen. Het Hoofdbestuur adviseert Voorstel 3 niet aan te nemen en zich niet noodeloos te binden, waar dit volstrekt niet noodig is en op een gegeven oogenblik zeker lastig en schadelijk kan zijn.

CHRISTUS DE SLEUTELDRAGER
Bijbelsche geschiedenis is heilige geschiedenis en de heilige geschiedenis beweegt zich rondom Christus. Het is het groote schilderij om ons Christus te doen zien, eerst in schaduwen en dan in volle werkelijkheid, eerst in beloften en dan in vervulling, eerst in ceremoniën en plechtigheden en dan in de zaak zelve, waarom het gaat. Die Genesis 3 vs. 15 leest, moet Christus daarin zien. Die van het Paaschlam hoort, hoort van Christus, ons Pascha, die voor ons geslacht is. Die van Koning David leest, leest dat David zelf spreekt van de voortzetting van Zijn Koninkrijk in zijn Grooten Zoon, Jezus Christus, den eeuwigen Koning, in Wien alle zaligheid en heerlijkheid is. (2 Sam. 23 vs. 1—5).
't Is heelemaal niet vreemd, wanneer men bij Izaak's offerande spreekt van Jezus, of bij Jozefs geschiedenis in vernedering en verhooging van den Christus, Sions plaatsbekleedende Borg, die rijk was, maar arm geworden is, om armen met eeuwige goederen des heils te vervullen.
De Bijbelsche geschiedenis gaat niet om cultuur, beschaving, wetenschap, kunst, of wat ook, de heilige geschiedenis gaat om Christus en het Koninkrijk Gods. We denken aan Openbaring 3 vs. 7 en 8, waar over Christus en de sleutelmacht in Zijn Kerk gesproken wordt en we leggen daar naast de geschiedenis, ons in Jesaja 22 verteld aangaande Sebna, den schatmeester van Davids huis. Deze sleutelbewaarder van het Koninklijk paleis had daar een positie van vol vertrouwen en van groote beteekenis, maar — hij wilde niet dienaar zijn, om zijn koning en heer behulpzaam te zijn, doch stelde zich aan als een eigenmachtige, die Davids vertrouwen schond en Davids bevel niet deed, waarom hij verstooten werd en een ander, Eljakim, werd in zijn plaats gesteld.
In deze geschiedenis handelt de Heere Zelf en spreekt Hij ook Zelf, zoodat we duidelijk zien, dat de Heere Zelf hierin de auteur is.
Letterlijk staat er, dat de Heere den on­ trouwen Sebna, die in de zonde van hoogmoed alles verdorven heeft, als een bal zal opnemen en wegwerpen, heel, héél ver wèg (Jes. 22 VS. 18) en daar zal hij sterven. „Ik zal u afstooten van uw staat en uw stand zal Ik verstoren", zegt de Heere tot Sebna. Maar dan staat er verder : „Ik zal mijn knecht Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen en Ik zal den sleutel van het huis Davids op zijn schouder leggen en hij zal opendoen en niemand zal sluiten en hij zal sluiten en niemand zal opendoen", (vs. 20 en 22).
Als de verhoogde Heiland dat in Openb. 3 VS. 7 overneemt, dan voelen we wel, dat die geschiedenis van den sleuteldrager in het paleis van David ook al weer schaduwachtige beteekenis heeft, 't welk ons allerminst verwonderen zal, als we de dingen goed onderscheiden. We kunnen dan geschiedenis laten wat geschiedenis is, maar Davids paleis heeft immers schaduwachtige beteekenis in betrekking tot het Koninkrijk van Jezus Christus en de Kerk des Heeren. En in dat Koninkrijk Gods, in dat huis des Heeren, heeft onze Koning Jezus Christus de sleutels ontvangen. Hij heeft de beschikking gekregen over de stad Sion met al haar schatten en heerlijkheden. En Hij heeft die sleutelmacht ontvangen, omdat Hij het is. Die voor de Zijnen geleden heeft en gestorven is en bij den Vader alle zaligheid en heerlijkheid heeft verworven en verkregen, om die nu, als Verbondsmiddelaar uit te deelen aan al de Zijnen, naar des Vaders welbehagen. Hij ontsluit de poorte der gerechtigheid met de schatkameren des heils voor al Gods kinderen. En als Hij opent, zal niemand — ook satan, dood en hel niet - — kunnen sluiten. En als Hij sluit voor allen, die den Zoon ongehoorzaam zijn, zal niemand kunnen opendoen. Niemand kan er één uit Zijn hand rukken en niemand kan opening maken, als Hij sluit. Een andere naam is er niet onder den hemel. Als we zalig worden, zullen we zalig moeten worden door Hem en door Hem alléén.
Wanneer we Openb. 3 vs. 7 dan nog eens nader bezien, dan bemerken we, dat Jezus Christus, de Heilige en de Waarachtige, de deur is. En Zelf de deur zijnde, opent Hij ook de deur voor de gemeente van Philadelphia. En Hij de groote Sleutelwachter zijnde, gaat alles om Hem.
Een arm en schuldig volk zal door die deur moeten ingaan en door dien Sleutelbewaarder, Jezus Christus, moeten worden binnen gelaten, door Hem, door Zijn kruis-en zoenverdiensten, door Zijn macht en liefde. Want het is alles gave, het is alles genade, uit Hem hun toekomend.
Zelf zegt de Heiland: „Ik heb gegeven". Van niemand anders komt het dan van Christus, in Wien de Vader Zijn welbehagen heeft. Is er bij ons een geopende deur, Jezus Christus?
Is er bij ons een ontsluiten, een openen van de poorte der gerechtigheid voor een arm zondaarsvolk?
Is er bij ons een prediking van wèl en wee, van zegen en vloek, waarbij het alles gaat om Sions Borg en Middelaar, zeggende : „Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods" ?
Is er bij ons een alles leggen in Christus' gerechtigheid en een alles veroordeelen van 't geen niet uit Christus is?
Staat bij ons de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft : Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent?
Waarlijk, er is bij ons geen oorzaak om te roemen in ons zelf. Onze Hervormde Kerk zal haar aangezicht moeten bedekken, zich wegschamend voor God en voor de menschen, vanwege haar ontrouw en velerlei ongerechtigheid.
Maar het zou ook weer een tekort doen zijn aan de eere des Heeren, Die, in weerwil van onze zonden, zoo grootelijks Zijn barmhartigheden heeft bewezen en Zijn zegeningen vele maakte.
Denk eens aan de toestanden in ons land in de dagen vóór en tijdens en na de Fransche Revolutie, toen Gods eer zoo stout geschonden werd en de mensch als een god op den troon zat. De prediking der Waarheid was weg. Er was niet de geopende deur Christus. De groote sleuteldrager Jezus Christus, Die ontsluit voor een arm zondaarsvolk en sluit voor allen, die hun gerechtigheid in zich zelf zoeken, werd veracht en op den mond geslagen en ter deure uitgeworpen. Weg met Hem, want wij willen niet, dat Deze Koning over ons zij
In de jaren, dat onze aloude Hervormde Kerk door den Koning en zijn raadgevers werd beroofd van haar vrijheid en onder het juk van de Synodale besturen werd gebracht, was de Waarheid wèg — en het volk, dat de Waarheid liefhad, school weg hier en daar in de stilte van het gezelschap, dat van de Kerk niets meer verwachtte.
De Waarheid vroeg weer om haar plaats in Gods huis, maar de vijanden stonden op en de spotters vermeerderden hun pijlen vol verachting.
En de Afscheiding kwam — waar menschen, na, in 't gebed voor God geknield te hebben, verklaarden: „de Nederlandsche Hervormde Kerk is de valsche Kerk en zooals onze Vaderen zich hebben afgescheiden van het Roomsche Beest, zoo scheiden wij ons af van de Hervormde Kerk, als de valsche Kerk — totdat zij zal zijn wedergekeerd tot de gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord". (14 October 1834 te Ulrum aldus officieel uitgesproken.
Veroordeeld was de Hervormde Kerk. De Vrienden der Waarheid gaven haar over aan de leugen. En de leugenleeraars wonnen in kracht.
Maar de Heere gaf de Hervormde Kerk den scheidsbrief niet en ten spijt van degenen, die haar den rug toegekeerd hadden en ten spijt van de machthebbers dezer eeuw, groeide de Waarheid in kracht en de geopende deur kwam hier en elders en overal in het Noorden en in 't Zuiden, in 't Oosten en in het Westen. En wel was „de kracht klein" (Op. 3 vers 7), maar de Groote Sleuteldrager ging rond en waar Hij opende, kon niemand sluiten.
Weer groeide het getal van de Vrienden der Waarheid in de Hervormde Kerk. Zij braken uit in menigte, zooals Israël in Egypte. Maar toen traden weer velen op met een verklaring aangaande de Hervormde Kerk, die haar schande moest uitbazuinen. Driewerf vervloekt was zij, zoo heette het. En „doleerend" of „treurend" ging men heen, om een ander huis te bouwen naast het huis des Heeren, van ouds in dezen lande gebouwd en tot op heden door Hem bewaakt en bewaard.
De groote Sleutelbewaarder Jezus Christus is gebleven. Men heeft Zijn Naam ontheiligd en een andere zaligheid gepredikt dan die in Hem is. Die dood geweest is en nu leeft, maar Hij Zelf heeft de vijanden beschaamd en weer is een geopende deur gegeven hier en elders en overal, waar het Evangelie des Kruises mag gepredikt worden en in het sacrament van het Avondmaal in 't midden der gemeente mag worden voorgesteld, aan een volk, dat den Naam des Heeren vreest en wil heiligen en eeren.
Om die „geopende deur" moet het ons nu meer en meer gaan.
En van den Heilige, den Waarachtige, Die de sleutelen Davids draagt. Die opent en niemand zal sluiten. Die sluit en niemand zal openen, moet alom getuigd worden.
De zaligheid is in geen andere. Maar in Hem is een volkomen zaligheid als een genadegift Gods voor een iegelijk, die gelooft.
Liberalisme en Modernisme hebben niet kunnen verhinderen, dat het alom nu gaat om het ware Evangelie van Jezus Christus.
Het is een wonder in onze oogen ; we zien het, maar doorgronden kunnen we het niet.
Maar nu moet het ook gaan meer en meer om de vernieuwing van het Verbond met den Verbonds-God en den Verbonds-Middelaar, door ouden en jongen, in het midden van onze Hervormde Kerk.
Want de Heere, Die mildelijk vergeeft en niet verwijt, is een God, Die ijvert voor de eere Zijns Naams.
Laat ons dan alle schadelijke weg verlaten en laat ons wederkeeren tot den Heere, Die Zelf alles gelegd heeft in den éénen en algenoegzamen Verbonds-Middelaar Jezus Christus, van Wien Hij nog altijd zegt : „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik mijn welbehagen heb, hoort Hem!"
Hij is het. Die opent. Zalig, die in Hem gelooft.
Hij is het. Die sluit. Rampzalig, die Hem verwerpt.

Door rechtvaardigmaking en heiligmaking tot het eeuwig leven
De rechtvaardiging des zondaars in den weg des geloofs is een weldaad Gods, (Rom. 6 VS. 22), die opkomt uit Zijn vrijmachtig, eeuwig welbehagen. Nooit zal iemand kunnen zeggen daaraan iets zelf gedaan te hebben. „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".
Maar nu is die weldaad der rechtvaardiging, die de Heere geeft aan wie Hem behaagt — want het is niet desgenen die wil, noch desgenen die werkt of loopt, maar des ontfermdenden Gods — geen weldaad, die op zichzelf staat, want zij wordt gevolgd en moet gevolgd worden door de heiligmaking.
't Mag waar zijn, dat de rechtvaardiging des zondaars een rechterlijke daad Gods is, waarbij Hij den goddelooze, zonder de werken der wet, in Christus komt inrekenen, om hem in Christus vrij te spreken van zonde, schuld en straf, met rechtgeving op het eeuwige leven — daar blijft het nooit bij. Daar moet iets op volgen en wel: de vernieuwing van den mensch, de heiligmaking.
En in die heiligmaking doet God wat naar den aard van Zijn weldaden, terwijl tegelijk in die weldaad Gods ligt, dat de mensch een roeping krijgt, welke hij heeft te gehoorzamen en te vervullen.
Als Paulus dan ook in de Romeinenbrief zoo heerlijk, breed, duidelijk schrijft over de genadeweldaad des Heeren in de rechtvaardiging aan en in den goddelooze bewezen, dan beëindigt hij zijn schrijven niet ; dan is hij niet tevree met de heerlijke en rijke geloofsbelijdenis: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus". Neen, daarbij laat hij het dan niet. Want Paulus weet, in wat wonderlijke wereld we leven. Daar is de wet, die ons schuldig verklaart. En daar zijn onze zonden, die ons telkens doen struikelen en vallen. „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen", zucht Paulus zelf. Echter mag dat nooit oorzaak worden, om te zeggen : „laat ons maar gerust zondigen, want tegenover de verdoemenis van de wet hebben wij de genade, die veel rijker en grooter is dan de vloek der wet". Die kant mag het nooit uit! Voor die redeneering moeten we ons wachten. Die gevolgtrekking mogen de geloovigen nooit trekken: „laat ons de misdaad maar des te grooter maken, dan wordt de genade des te meerder!" Dat is geen redeneering uit den Heiligen Geest, maar een redeneering uit den geest des boozen, die de menschenmoorder van den beginne is en die Gods werk in en aan de geloovigen zoo gaarne verderft. Wat zou hij juichen, als hij Gods kinderen al zondigend zou kunnen laten verloren gaan en als hij Gods Naam zou kunnen lasteren!
Daarom maakt Paulus ook voor het bewustzijn der gemeente duidelijk, dat de rechtvaardiging door het geloof, zonder de werken der wet, geen op zichzelf staande genadeweldaad is, maar dat de rechtvaardiging door de weldaad van de heiligmaking wordt gevolgd en ook moet gevolgd worden. Dat doet God ; en daarvoor moeten de gerechtvaardigden een open oog en een open hart hebben, opdat zij daarbij leven en wandelen.
God doet het èn de geloovigen moeten er bij leven.
Dat zijn twee dingen!
De heiligmaking ligt in den aard van de genadeweldaad Gods, maar hier ligt óók de roeping der geloovigen.
Als God de weldaad der vergeving der zonden geeft, dan geeft Hij óók de vernieuwing door den Heiligen Geest en maakt Hij den zondaar tot een nieuw schepsel. Dat kan niet anders en dat doet God niet anders. Dan is het geen doode rank meer, maar een levende rank. Dan is de gave van den Geest van Christus tot vernieuwing van hart en leven geschonken en dat is een levende en onberouwelijke gave. Dat verwerft de gerechtvaardigde mensch zich zelf niet, maar dat ontvangt hij. Uit God ontvangt hij in Christus Jezus kennis der waarheid, rechtvaardigheid en heiligmaking, met de vrucht van de volkomene verlossing.
En dat ervaart de geloovige dan ook als roeping, door den Geest, waaraan hij heeft te gehoorzamen en waarbij hij begeert te leven. „Heere, bij deze dingen leeft men en hierin is de vreugd des harten! Gij hebt mijn ziele lieflijk omhelsd en mijne zonden achter Uwen rug geworpen. Waarmede zal ik den Heere groot maken? "
Dat is iets nieuws, dat in den geloovige is gekomen. En hij voelt zijn taak, zijn roeping. Neen, niet meer in de zonde leven. „Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? "
Met Christus gestorven en opgewekt, zullen de geloovigen ook in nieuwigheid des levens wandelen. Christus is der zonde gestorven, éénmaal, en leeft Gode, zóó ook moet de geloovige het daarvoor houden, wel der zonde dood, maar Gode levende te zijn door Jezus Christus onzen Heere.
„Dat dan de zonde niet heersche", zoo vermaant de Apostel voorts, zelf wetende wat 't is een „ellendig mensch" te zijn — „dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid ; maar stelt u zelven Gode, als uit de dooden levende geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid"./
Hier ligt de roeping der gerechtvaardigden om, aller zonden vijand zijnde, in nieuwigheid des levens te wandelen".
„Gode zij dank !" — zoo is Paulus' roem in God — „dat wij wel dienstknechten der zonde waren, maar dat wij nu van harte gehoorzaam geworden zijn aan het voorbeeld der leer, hetwelk ons overgeleverd is ; en, vrij gemaakt van de zonde, zijn wij dienstbaar geworden der gerechtigheid" (Rom. 6 : 17, 18)
De vermaning van Paulus, ziende op de roeping der geloovigen, is: stelt uwe leden in dienst van de gerechtigheid, zoodat het tot heiligmaking leidt ! (Rom. 6 vs. 19). En het einde is dan : het eeuwige leven! (Rom. 6 vers 22).
Door de rechtvaardiging en door de heiligmaking ten eeuwigen leven!
En de dagen zijn boos (Ef. 5 vs. 16).
Gelukkig, als we troost en sterkte mogen putten uit de woorden van den Apostel: „de God des vredes Zelf heilige u geheel en al ; en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's